Stichtelijke overdenking.
Waar de Voorlooper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus. Hebr. 6 vers 20a.
De Voorlooper.
Aan den eenen kant zijn de woorden van dezen tekst zeer duidelijk ; ze spreken voor z0ichzelf en de meest eenvoudige kan ze verstaan. Immers de Apostel beschrijft hier de hemelvaart van Jezus, diens binnengaan in het binnenste heiligdom. Gelijk op den grooten verzoendag de hoogepriester des Ouden Testaments in het heilige der heilige inging achter het voorhangsel, waardoor liet van het heilige werd afgescheiden, zoo is de groote Hoogepriester des nieuwen Verbonds ingegaan in het binnenste heiligdom van den tabernakel, niet met handen gemaakt, ingegaan in den hemel der hemelen. Van de hoogte van den Olijfberg is Christus Jezus opgevaren ten hemel voor de oogen Zijner jongeren.
Willen we Paulus echter goed verstaan, dan hebben we in deze woorden toch heel wat meer dan de eenvoudige mededeeling van het feit van de hemelvaart. En dat dit meerdere door ons niet aanstonds wordt begrepen, komt wel hier vandaan, dat we maar alleen denken aan iemand, die voor ons uitgaat, als we lezen van een voorlooper.
De lezers van den brief, aan wie Paulus schreef, hebben den Apostel echter niet misverstaan toen hij van Jezus sprak als Voorlooper. Immers zij wisten uit eigen aanschouwing, wat Paulus bedoelde. Een voorlooper is iemand in het Oosten, die een bepaald beroep uitoefent. Het is zijn werk om voor het rijtuig der aanzienlijken uit te gaan. De voorlooper heeft een eigen uniform, licht en schilderachtig. De beenen en voeten zijn naakt. In zijne hand draagt hij een langen en lichten stok. Zijn werk bestaat hierin, dat hij den weg vrij maakt voor hel rijtuig van zijn meester. Altijd is hij de koets voor en in snelheid van gang wedijvert hij met de snelvoetige paarden. Vóór het rijtuig de gesloten poort heeft bereikt, heeft hij de deuren reeds ontgrendeld en de komst van den bezoeker gemeld. Houdt het rijtuig stil, hij staat al aan het portier om het te openen en verleent zijn hulp bij het uitstappen. Nog ten huldigen dage vergunt de koning van Egypte aan de aanzienlijken des lands een voorlooper te hebben, echter aan niemand meer dan één. Voor de rijtuigen der koninklijke familie zelve , gaan er steeds twee.
Van zulke voorloopers wordt ook in onzen Bijbel op meer dan één plaats gewag gemaakt. Toen het volk Israël een koning verlangde, waarschuwde Samuel hiertegen zeer ernstig. Een koning zal allerlei zware en vernederende diensten van u vergen. Hij zal uwe zonen nemen, dat hij ze stelle tot zijn wagen en tot zijne ruiters, en dan volgt er : dat zij voor zijnen wagen henenloopen. Toen Absalom een 'complot smeeden tegen zijn vader om hem van den troon te stooten, heeft die pronklievende prins vijftig mannen genomen „loopende voor zijn aangezicht." Absalom had dus vijftig voorloopers.
Toen Elia aan Achab de boodschap zond : , , Span aan en kom af, dat u de regen niet op houde !" was er waarschijnlijk geen van de koninklijke voorloopers in de nabijheid om hun diensten te verleenen. Een koning mocht echter niet uitgaan zonder voorlooper voor de koets. En toen besloot Elia zelf, al was de koning een Achab, het zware en nederige werk van voorlooper te verrichten. Daarom staat er dan ook bij : en de hand des Heeren was over Elia. Zonder die hand des Heeren was het Elia onmogelijk geweest, den paarden in hun snellen draf voor te blijven en dat wel over een afstand van stellig meer dan vijf uur gaans. Hij toch was dat werk niet gewoon. Zie : Palestina en de Bijbel van dr, James Neil,
Na deze lange toelichting, toch noodig tot goed verstand van onzen tekst, gaat er een ander licht op over deze woorden.
Zulk een Voorlooper is ook Jezus. Maar Jezus is Voorlooper op een weg, waar niemand anders het kon wezen ; op een weg, nooit door iemand gegaan. Jezus is de Voorlooper op den weg naar den hemel, om dien vrij te maken.
Die groote Voorlooper heeft alle slagboomen, die den voortgang beletten en versperden, opengeworpen, alle gesloten hekken doen zwaaien op de hengsels en alle poorten wagenwijd opengezet voor Zijne Kerk.
In dien Voorlooper is de almacht Gods in de voorhoede. In Hem maakt een machtige arm den versperden weg vrij. Hij werpt heirlegers ter zijde. Aan den opstandingsmorgen, wentelt Hij den steen van het graf en doet Hij de wachters vluchten van vrees.
En op Hemelvaartsdag maakt Hij het laatste gedeelte van den weg vrij, den weg van de aarde naar den hemel.
Zal de hemelpoort toegesloten blijven voor Hem, die het hoofd heeft willen zijn van diep gevallen zondaren, die deze poort voor zich al in het Paradijs op het nachtslot wierpen ?
Op Hemelvaartsdag is de groote Voorlooper doorgegaan, achter het voorhangsel. De hemelpoort heeft zich geopend. De eeuwige deuren zijn ontsloten.
Verhoogt, o poorten, nu den boog. Rijst, eeuwige deuren, rijst omhoog !
Daarom zegt Paulus in onzen tekst : Waar de Voorlooper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus.
Wat een nederbuigende goedheid, dat de Heiland in die nederige gestalte van Voorlooper dat onuitsprekelijk heerlijke Middelaarswerk heeft verricht. Wij hebben ons wel eens verwonderd, dat de profeet Elia te voet wilde uitgaan voor het rijtuig van een koning als Achab, dat Elia diens voorlooper heeft willen wezen. Wij zouden Achab wel uit de koets willen trekken en Elia op zijn plaats willen zetten.
Maar veel meer reden tot verwondering is er, dat de Koning der koningen de zware diensten van Voorlooper heeft gedaan en nog doet voor diep gezonken zondaren. De Koning der koningen te voet en slaven der zonde rijdende in de koets.
Ook hierin wordt het gepredikt, dat de Heiland niet gekomen is om gediend te wor den, maar om te dienen. Altijd die knechtsgestalte bij Hem, terwijl Hij de Zijnen maakt tot koningen, Op Hemelvaart neemt Hij voor al de Zijnen bezit van het huis des Vaders. Hij is hun Voorlooper. Hij komt aan slechts enkele oogenblikken voor hen om hun komst aan te kondigen. De hemel ontsloot zich voor Hem en nu bereidt de hemel zich voor om die Hem volgen te ontvangen, die Hij Gode gekocht heeft met Zijn bloed. Zijn hemelvaart is profetie van de hunne.
Die Voorlooper is er voor hen, die zichzelf geen pad kunnen banen, voor hen, die zelf de afsluithekken niet kunen openzetten, die zelf de poorten niet kunnen ontgrendelen Ze hebben het wel beproefd. Ze beproeven het nog wel. Ze staan te kloppen en te wrikken aan toegesloten deuren tot in hun bidden toe. Maar die deuren zwaaien niet op haar hengsels ; ze wijken geen duimbreed. Maar als dan die Voorlooper ze voor gaat. Waar hun weg eindigt, begint de Zijne. Als die Voorlooper maar voorgaat, is het zulk een gemakkelijk volgen. Al staan ze voor de zee, al roept die ze een gebiedend halt toe, dan is die zee er niet om ze tegen te houden, doch slechts om ze een doortocht te verleenen en Zijne genademacht te openbaren. Al staan ze voor een muur, met dien Christus is die muur ze niet te hoog.
Welke diepte zou te diep zijn om er uit op te halen voor Hem, die opklom uit het graf ? Welke hoogte zou te hoog zijn om er te brengen, voor Hem die opgevaren is ten hemel ?
De Voorlooper is ingegaan en die smeekt niet, maar Hij eischt op grond van Zijn Middelaarswerk : „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij mij gegeven hebt."
Dat Hij Voorlooper heeft willen zijn, dat zegt zoo alles tot degenen, die er zelf niet kunnen komen. Maar Wee hem, ' die het zonder dien Voorlooper kan stellen ; die vertrouwt op zijn goed liart, op zijn deugden en plichten, op zijn vroomheid en godsvrucht, op zijn bidden en op zijn gestalten Waar de Voorlooper is ingegaan, zullen zij niet komen. Ze zullen geen ontsloten deur vinden, maar een toegegrendelde poort en op hun kloppen zal de deur niet wijken, maar van achter haar zal de stem tot ze komen : ,,Ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend."
Die hier beginnen met buiten te staan, die tot het inzicht komen : „Ik ben er verder af dan ooit te voren", dien is die Christus noodzakelijk en dies wordt Hij dierbaar als Voorlooper.
Ziet een geloovige op zichzelf, dan is hij kind in kracht. Maar hij is een held, als hij op Christus mag zien. Omdat die Voorlooper ze voorging, alleen daarom beklommen de martelaren de ladder naar het schavot als beklommen ze de ladder Jacobs, waarlangs de engelen Gods nederdaalden. Als ze Hem maar mogen volgen met het oog des geloofs, dan keeren ze de zeeën niet, bergen houden ze niet op, ook geen bergen van zonden, woestijnen verslinden ze niet en de dood verschrikt ze niet.
De Voorlooper is ze juist daarom voorlooper, omdat Hij, als ze den reiswagen heb ben te verlaten, bij het uitstappen de helpende hand verleent en Zijn diensten bewijst, zoo dikwerf bewezen in het leven, nu in het sterven.
Jezus de Voorlooper, het zegt zoo ontzaglijk veel voor leven en sterven.
Jezus de Voorlooper om hun uitgang en ingang te bewaren.
Jezus de Voorlooper om ze den weg te wijzen, den weg te banen en op den weg te schragen, Jezus die met Zijne genade en Geest nimmermeer van ze wijkt.
Daarom is het uitzien van een machteloos volk maar naar Hem. Het vragen om Hem. O, zeker, er zijn wel tijden, dat zé niet vragen, dat ze niet uitzien naar dien Jezus. Maar onder dat niet vragen houden ze het niet uit. Het vragen begint weer.
Vraagt maar naar Hem, gij tot water geschreide zielen, voor wie het leven zonder Jezus geen leven, enkel sterven is. Vraagt maar als zielen, die nogd hebt en een onuitsprekelijk heimwee naar God. Vraagt naar den Heere en Zijne sterkte. De Heere houdt het ook onder dat vragen niet uit. Als de eenzaamheid van den weg, de donkerheid in den nacht van uw leven, de bezwaren van de reis, de steilte van uw pad en de menigte van uw benauwers kwellen, als de dood beangst en de hel verschrikt en die Voorlooper fluistert het u toe : „Zie hier ben Ik, zie hier ben Ik", als Hij Zijne diensten als Voorlooper bewijst, dan gaat het niet langs kromme en over hobbelachtige wegen. De Voorlooper, die door vlakke velden rijdt, leidt uit de diepste diepten naar de hoogste hoogten, uit de diepten van de hel naar de hoogten des hemels. Daarom zegt het zoo onuitsprekelijk veel, dat dit woord op Hemelvaartsdag ook ons veel zeg ge, dat Paulus neerschreef tot onderwijzing en vertroosting : „Waar de Voorlooper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's