Over de oplossing van het kerkelijk vraagstuk.
IV.
We hebben in ons vorig artikel getracht aan te toonen, dat het geloof, dat God de Ned. Herv. Kerk als zoodanig nog eens 2al oprichten en lierstellen, gansch wankel staat, wijl geen schriftuurlijke gronden daar voor zijn aan te voeren.
Allerminst wenschen we daarmee te zegden, dat God de Heere niet machtig daartoe zou zijn ; evenmin zeggen we met beslistheid, dat God het niet doen zal. De gave der profetie wenschen we ons op deze noch andere wijze aan te matigen. Maar wel zeggen we, dat de geschiedenis, die ons toch ook spreekt van de leidingen Gods, ons vermaant voorzichtig te zijn, zoodra we groote verwachting van de toekomst gaan koesteren en dat we ons in geenerlei wijze door dergelijke verwachtingen in onzen handel en wandel mogen laten richten en leiden, wijl ze al te dikwijls illusies blijken te zijn, Luchtkasteelen door onze wenschen en begeerten voor ons geestesoog opgeroepen, ijdel, wijl zonder grondslag in de Schrift.
Daarom bevreemdt het ons, dat zoovelen aan dit ideaal, beter gezegd aan deze illusie van een volkomen herstel der gansche Herv. Kerk b1ijven vasthouden en daarop alle kerkelijke actie tot daadwerkelijk herstel laten doodloopen.
We willen echter trachten een verklaring voor deze houding te vinden. Des te gemakkelijker zal ons dat vallen, wijl dit stand punt ons zelf niet geheel vreemd is geweest en men het aan alle plaatsen bij tal van Gemeenteleden tegenkomt, zoodat men daar door telkens in de gelegenheid is de innerlijke en diepere motieven van deze beschouwing na te speuren.
Eén van de voornaamste gronden, waaruit deze zienswijze opkomt, achten we te bestaan in een h a r t s t o c h t e 1 ij k e liefde voor de Ned. Herv. Kerk. We spreken bepaald van 'n liefde voor de Ned. Herv Kerk en niet van liefde voor Christus' Kerk. Voor den gedachtengang van hen, wier beschouwing we toetsen, dekken deze beide elkander ; ze zien hierin niet alleen geen tegenstelling maar zelfs geen verschil ; doch wie nauwkeurig toeziet, ontdekt ras dat de Ned. Herv. Kerk hier het primaire is en Christus' Kerk het secundaire. Door zijn geboorte en opvoeding in het midden der Herv Kerk en door tal van andere beweegredenen daarmee verbonden, heeft men die Kerk lief gekregen (we ontkennen natuurlijk de waar de daarvan allerminst) en voor het bewustzijn is deze liefde gerechtvaardigd door de erkenning, dat de Ned. Herv. Kerk een ware Kerk, volgens velen zelfs de ware Kerk is. Zoo gaat het in zekeren zin een ieder. Maar wie de roerselen en uitgangen van zijn eigen hart heeft leeren naspeuren, dien kan 't niet ontgaan, dat het vaak meer banden des bloeds dan banden des Geestes zijn, die het hart aan de Herv. Kerk binden en dat de liefde tot haar volstrekt niet altijd daaruit voortkomt, dat men Christus' Gemeente in haar heeft ontdekt. Integendeel het gaat vaak juist omgekeerd. Daarom acht men de Herv. Kerk dé Kerk van Christus omdat men de Herv. Kerk lief heeft gekregen uit den grond zijns harten en deze liefde tot haair dringt om in haar Christus' Kerk te zien.
Natuurlijk vindt men dit verschijnsel in alle Kerken. Zooals de Hervormde de Herv. Kerk liefheeft, zoo hangt de Gereformeerde en de Christelijk Gereformeerde zijn Kerk aan. En allen worden daardoor gedreven om aan te toonen, dat hun 'Kerk de ware Kerk is.
Toch is het blijkbaar, dat de Gereformeerde en Christelijik Gereformeerde nooit zoo tegenover zijn Kerk kan staan als de Hervormde tegenover de Herv. Kerk. Omdat bij den laatste motieven werken, die de eersten niet 'kennen, motieven, die als ze in werking komen, om zoo te zeggen het bloed sneller in de aderen doen stroomen en tot ongekenden en hartstochtelijken ijver kunnen prikkelen. Een der voornaamste is zeker wel gelegen in de historische continuïteit. De Herv. Kerk is voor het hervormd bewustzijn de Kerk der vaderen. Ze is een historische grootheid. Op het bloed der martelaren acht men haar gegrondvest. Voor den opbouw en uitbreiding dier Kerk hebben de vaderen alles overgehad. Door tal van vijandelijke machten in het verleden belaagd, mocht ze telkens het hoofd weer opheffen. God behoedde haar temidden der stormen. En voor den eenvoudigen lidmaat, die met zijn gedachten niet altijd zoover in het verleden teruggaat, is ze toch altijd de Kerk, waarin hij gedoopt is, waartoe ook zijn vader en grootvader behoord, hebben en op menig dorp zit men in de kerk op dezelfde plaats, waar het eigen geslacht van ouds af gezeten heeft.
Men moet de kracht van dergelijke motieven niet onderschatten. Banden, in en door de historie gelegd, zijn sterke banden. Daar om is het volkomen verklaarbaar, dat niet alleen de afscheiding, maar bovenal de doleantie het hervormd bewustzijn met kracht deed ontwaken. Velen, wier kerkelijke liefde geheel aan het verkoelen was, begonnen plotseling weer belangstelling in de Kerk te toonen, omdat haar positie in gevaar kwam. Zooals het nationaal bewustzijn krachtig opwaakt als een vijand de grenzen nadert, , zoo het hervormd bewustzijn toen de Herv, Kerk door afscheidingen bedreigd werd in haar bestaan.
We moeten de kracht dezer motieven niet onderschatten, maar we mogen deze motieven met haar ontzaglijken invloed evenmin veroordeelen. Wie meent, dat dergelijke motieven minderwaardig zijn en daarom tracht ze uit te schakelen of op te heffen, dwaalt. Hij doodt het leven en komt ten slotte met zijn actie buiten de werkelijkheid van het leven te staan. Al is de Gemeente van Christus een geestelijke grootheid, een werk des Heiligen Geestes, ze staat nooit buiten het natuurlijke leven, maar is er ten nauwste mee verbonden en samengeweven. Daarom moet datgene, wat uit het natuurlijke leven opkomt, niet gedood worden, wat trouwens onmogelijk is, maar men moet het dienstbaar trachten te maken aan een hooger doel en er op die wijze een goed gebruik van zien te maken. In het kerkelijke leven werken immer natuurlijke en geestelijke motieven door elkander. De eerste behoeven niet veroordeeld te worden, Wanneer ze slechts in goede baan worden geleid en aan de geestelijke motieven ondergeschikt worden gemaakt. Dan kunnen ze zelfs van groote beteekenis zijn voor de uitbreiding van het Koninkrijk Gods.
Het bezwaar, dat wij tegen sommige Confessioneelen (en eveneens tegen velen uit de gescheiden Kerken hebben, is, dat ze deze natuurlijke motieven den voorrang verleenen en daaraan vaak de geestelijke ondergeschikt maken. Daardoor heeft men igeen oog voor het werk des Geestes in alle Kerken. Men ziet alleen de Herv. Kerk, want dat is de Kerk van Christus. De verborgen zelfliefde, waardoor men die Kerk liefheeft, omdat men zelf tot die Kerk behoort, wordt niet ontdekt, maar met een geestelijk gewaad omkleed. Zooals de discipelen meenden, dat het liefde tot Gods Koninkrijk was, toen ze hen die duivelen uitwierpen zonder tot den engeren kring van Jezus' leerlingen te behooren, dit wilden verbieden en ze zagen niet, dat Gods weg dus was om hen de ware zelfverloochening te leeren en Gods Koninkrijk niet aan menschelijke grenzen te binden. Daarom bezien velen afscheiding en doleantie zelden anders dan vanuit het ééne en eenzijdige standpunt : „de Herv. Kerk, d.i. Christus' Kerk in gevaar !" en de uitdrukking „de Ned. Herv. Kerk de wettige openbaring van Christus' lichaam" doet ver staan, dat men eenigermate tegenover aodere Kerken staat als de Roomsche Kerk tegenover hetgeen buiten haar instituut zich bevindt.
Juist omdat hier de natuurlijke motieven de geestelijke overheerschen, is dit standpunt bizonder geëigend om kerkelijke hartstochten op te wekken. In de practijlk van het Gemeenteleven is dat duidelijk na te gaan. Men kan afscheiding en doleantie niet scherp genoeg veroordeelen. Wie dit alles schetst als duivelsvrucht, als werk van hoog moedige farizeën, is in het oog van menig hervormde een godsgezant, die in getrouwheid recht doorgaat en geen mensch ontziet. Door dezen kerkelijken hartstocht wordt de ware liefde en de zelfverloochening uitgeroeid en gedood, en haat, vijandschap, onverdraagzaamheid waken op. Veler liefde voor de Kerk mist daardoor alle kenmerken der ware Christelijke liefde en is vol van werken des vleesches. Het optreden der Roomsche Kerk in het verleden en heden kan ons dat duidelijk leeren. Maar al is het in zwakkere mate, dit optreden zal in beginsel allen eigen zijn, die hun natuurlijke liefde voor eigen Kerk vereenzelvigen met de ware liefde voor Christus' Kerk. Wij veroordeelen de natuurlijke liefde voor eigen Kerk niet, maar ze heeft alleen waarde, wanneer ze ondergeschikt gemaakt is aan de ware liefde voor Christus' Kerk, die aan geen instituut gebonden is noch door eenigen vorm besloten wordt; waarom Augustinus in zijn dagen, die nog niet wisten van een verscheuring der Kerk, als nu gezien wordt, reeds zeide : „vele wolven binnen en vele schapen buite n." Christus' Gemeente en een zichtbare Kerkformatie zijn grootheden, die elkander niet dekken. Wie ze ook slechts eenigermate vereenzelvigt, loopt gevaar hetgeen vleeschelijk is, voor geestelijk aan te zien, zooals de geschiedenis der Joodsche en Roomsche Kerk ons treffend leert. Wij zijn Abrams kinderen, zeiden de Joden ; en het was-waar. Toch stonden ze buiten het Koninkrijk Gods. Niet kennend de Schriften noch de kracht Gods achtten zij dat Koninkrijk gebonden aan het vleesoh en zagen niet, dat het alleen opkomt uit den Geest. Door n a t u u r 1 ij k e banden van liefde en toegenegenheid verbonden te zijn aan de Kerk der vaderen, is niet genoeg, voor ons evenmin als voor de Joden.
Hoezeer bij sommigen deze natuurlijke motieven overheerschen, blijkt het best uit de opgerichte Hervormde Staatspartij. Het eigenaardige, dat de Joden van den ouden dag kenmerkte, zien we daar opnieuw te voorschijn komen. Nationaal zelfbewustzijn paart zich dusdanig aan godsdienstigeri ijver, dat het een eigen godsdienstig karakter krijgt. In het program van beginselen, wordt Nederland zelfs het Israël van het Westen genoemd. Zulk een uitdrukking, te waardeeren in een g.e d i c h t van den Christen-Jood Da Costa, getuigt in een z a k e 1 ij k stuk als een program van beginselen van een zekere ontaarding van het nationaal bewustzijn in een godsdienstig gekleurden nationalen trots, waardoor men den God der gansche aarde in het bizonder als den God van Nederland erkent. Daarom noemt men de Herv. (Geref.) Kerk gaarne de V a d e r 1 a n d s c h e Kerk. Nu willen wij geenszins ontkennen, dat de opkomst der Geref. Kerk in deze landen ten nauwste samenhangt met de grondvesting van onze nationale zelfstandigheid, maar we zijn aan de andere zijde verzekerd, dat zij, die de nationale gevoelens, welke zoo diep in ons volk geworteld liggen, een kerkelijke kleur trachten te geven om ze zoo in dienst te stellen van den opbouw der Kerk, gevaar loopen een ijver te ontketenen, die met den waren ijver des Heiligen Geestes niets te maken heeft.
Het valt wel te betreuren, dat de oprichters van de Herv. Staatspartij, voor het meerendeel leerlingen van dr. Hoedemaker, o.i. zoo weinig de kern der gedachten van hun begaafden leermeester hebben gegrepen. Eenzijdig als hij vaak is, vooral wanneer hij, hetgeen hij als met zienersblik zag, in de practijk wil toepassen, hebben zijn volgelingen juist op deze eenzijdigheden voortgeborduund en worden daardoor oorzaak, dat hij steeds minder begrepen en gewaardeerd wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's