Op Kerkelijk Erf
IX.
Kerk en Staat.
De geschiedenis der Reformatie kan ons een indruk geven, hoe diep het ideaal van den Godsstaat op aarde in den menschelijken geest zijn wortels heeft ingeslagen, daar toch welhaast in alle landen waar de reformatorische beginselen nieuwe toestanden teweegbrachten, de invloed van dat ideaal op de verhouding van Kerk en Staat nawerkte. Toch zou men krachtens het beginsel der Reformatie verwachten, dat alom de scheiding van Kerk en Staat ware doorgetrokken. Immers in de leer der Schriften van de reohtvaardigmaking door het geloof alleen, die als het ware opnieuw werd ontdekt, lag een geheel andere beschouwing ten grondslag dan die waaronder men was opgevoed onder het pausdom. Zij toch bracht aan het licht, dat het waarachtig geloof in den Christus door verborgen omgang van den Heiligen Oeest geleerd, den zondaar in persoonlijke betrekking stelt met den levenden God en deel heeft aan de schatten en gaven van den Middelaar. Hierdoor openbaart zich dus ook het bijzonder geestelijk karakter der Kerk van Christus en wordt het verzet tegen de Roomsche hiërarchie wakker geroepen, die de priesters inschuift tusschen God en de ziel.' Het priesterschap der heiligen Gods wordt opnieuw gekend. De reformatoren hebben dit allen gezien en kwamen spoedig tot de onderscheiding van een onzichtbare en een zichtbare Kerk. In het algemeen bedoelde men met de onzichtbare Kerk de gemeenschap der heiligen, die verborgen geestelijke Kerk der kinderen Gods, die wij niet kunnen zien met het lichamelijk oog, doch die desniettemin het ware lichaam van Christus is. In de zichtbare Kerk op aarde, de vergadering der gemeente, openbaart zich dan het lichaam van Christus in zichtbaren vorm, hoewel dat niet zeggen wil, dat de zichtbare en de onzichtbare Kerk dus met elkander overeenkomen. Er zijn toch schapen en wolven binnen de Kerk vereenigd en het kan zijn, dat er ook schapen buiten het kerkelijk verband omdolen.
Het bijzonder geestelijk karakter der Kerk werd eenzijdig op de spits gedreven door de Wederdoopers, die een vergadering van louter geloovigen wenschten te verzamelen en zich in alles trachtten af te scheiden van de wereld. Dit streven kenmerkte zich in de practijk als een dwaze geestdrijverij, die noch met het wezen vam de Kerk op aarde, noch met de realiteit van het leven rekening hield en haar eigen doodvonnis medebracht. Desondanks leeft ook een dergelijk streven telkens weer in de geschiedenis op en veelal loopt het op hetzelfde oordeel uit. De overgeestelijkheid betuigt haar ongezonde natuur in een antinomiaansche losbandigheid, die het gewoonlijk niet nauw neemt met de goede zeden en niet zelden in ontucht versterft.
De reformatorische geest stelde zich van meetaf tegenover dergelijk drijven en gevoelde den nood aan orde en tucht in de zichtbare Kerk. Het kenmerk der ware Kerk werd gesteld in de zuivere bediening des Woords en Calvijn vooral wees ook op de noodzakelijkheid van een kerkelijke tucht overeenkomstig den eisch van het Woord. In de hoofdzaken waren de Reformatoren het in het algemeen genomen eens. Zij hadden eenzelfde gedachte omtrent den weg der zaligheid, kwamen overeen wat het wezen der Kerk aangaat en evenzeer wat betreft de erkenning van het gezag van Gods Woord. Daaruit zou men toch mogen verwachten, dat zij ook als één man zouden zijn opgekomen voor de vrijheid der Kerk. Inderdaad maakt ook Luther onderscheid tusschen het gebied van den Staat en het erf der Kerk, doch zijn onderscheiding bracht geen scheiding bij de kerkelijke organisatie in het Duitsche Rijk, integendeel kwam daar een inrichting der Kerk tot stand, die heenleidde naar een caesaropapie, welke bij die van Constantijn den Groote niet achterbleef.
Calvijn kwam met groote beslistheid op voor de vrije Kerk en heeft ook door zijn persoonlijken invloed en strijd te Geneve zijn ideaal vrijwel tot werkelijkheid gebracht, doch in de landen, waar de Gereformeerde beginselen tot bloei kwamen zelfs, heeft men weinig van een vrije Kerk gezien. Dit is te meer inconsequent, wijl de Gereformeerden in het leerstuk der praedistinatie bovendien een grond hadden om te streven naar de vrije Kerk. Er moeten dus geheel andere oorzaken hebben medegewerkt bij de organisatie van de reformatorische Kerken, die algemeen een caesaropapistisch karakter verkregen. Deze moeten dan ook ongetwijfeld worden gezocht in de heerschende beschouwingen van den tijd en invloeden, die in het proces der reformatie werkzaam waren, doch van buiten af waren ingekomen of opgelegd.
Vooreerst dient men niet te vergeten, dat het geslacht der Reformatie Roomsch was opgevoed, zoodat heel de sfeer der gedachten daardoor was bepaald. Onder het pausdom was men gewoon geworden aan een wederkeerige inmenging van Staat en Kerk, zoodat men die twee ternauwernood kon onderscheiden. Vele burgerlijke gemeenten waren gegroeid uit een kerk-of kloosterparochie, verschillende sociale instellingen droegen een kerkelijk zegel en bovendien enkele eeuwen van macht en aanzien van het pausdom hadden een universeele Kerk gegrond in het Westen, zoodat ondanks alle orden of vereenigingen, ondanks verschil van taal en volk, tooh ieder mensch, vorst en onderdaan, behoorde bij die ééne, zaligmakende Kerk. Derhalve kon men de overheid niet anders denken dan als Christelijke overheid en haar taak in velerlei opzicht met die van de Kerk vereenzelvigd. Men kon zich blijkbaar niet indenken, dat de overheid uit een geheel andere wereldbeschouwing zou kunnen leven en regeeren, dat de beginselen van staatsrecht zelfs het Christendom vijandig zouden kunnen worden. Steeds had men het oog op de vestiging van een Godsrijk op aarde en zoo is het verklaarbaar, dat velen in de jaren der Reformatie nog innerlijk verknocht waren aan de Roomsche Kerk, die het ideaal streelde. Eveneens is het verklaarbaar, dat ook na het doorbreken der Hervorming in de verschillende landen dat ideaal bleef werken en op de 'nieuwe organisatie invloed had. Men wenschte iheel den staat en heel de kerk als één lichaam, die wel onderscheiden in recht en macht, doch één verbonden in doel, n.l. de bevestiging van het Koninkrijk Gods op aarde.
In Duitschland was de Staatskerk reeds in 1555 door den Augsburgschen godsdienstvrede officieel. Nu verstond men onder overheid zeer zeker een Christelijke overheid, zooals wij hebben opgemerkt, maar ook als zoodanig kende de Reformatie aan de overheid veeltijds rechten toe, die geheel en al aan de Kerk hadden behooren te blijven. Zoo meende men, dat de overheid had te waken voor de zuivere leer en zelfs alle valsche leer had te bestrijden. Alleen in de zaken, die de ziel betreffen, meende men de kerk vrij te moeten laten, doch het is duidelijk, dat de uitgebreide macht aan de overheid .toegekend, ook in dit opzicht de kerk niet meer ongemoeid liet. Ten onzent waren de Gereformeerden oorspronkelijk van anderen geest, doch de toestand werd hier inderdaad niet veel anders en over den toestand in Engeland behoeft geen woord gerept. Van den beginne af bleef men kerkelijk vrijwel Roomsch ingericht, alleen de Koning stelde zich aldaar aan het hoofd van de Engelsche Kerk.
Er moeten dus sterke drangredenen gewerkt hebben, die de practijk zoover afvoerden van het reformatorisch, meer in het bijzonder Gereformeerd bewustzijn. Behalve de Roomsche opvoeding werd dit ook in de hand gewerkt door een beweging van geheel anderen aard dan de Reformatie, die aan haar gepaard ging in den tegenstand tegen Rome, althans tegen de autoriteit van den pauselijken stoel, maar die overigens in alle .opzichten een ander karakter droeg. Reeds eerder hebben wij er op gewezen, hoe ook de wetenschap onder de vleugelen van het geestelijk opzicht zuchtte naar vrijheid. Men eischte ook daar een terugkeer naar de bronnen en terwijl dit zoeken en zuchten steeds meer toenam door velerlei omstandigheden, waardoor het werd aangewakkerd, werd de val van Constantinopel oorzaak, dat de geleerde wereld van het Oosten een goed heenkomen zocht naar het Westen en vooral in Italië welkom werd begroet en een vruchtbaren bodem vond. voor wat zij aan kunst en wetenschap der oude Grieken mede bracht. Hierdoor ontstond dus een nieuw leven in het Westen en men zocht door zelfstandig onderzoek van natuur en geschiedenis wetenschap te vergaderen en eischte volkomen vrijmaking van den mensch. Het karakter dezer beweging was derhalve principieel onderscheiden van de Reformatie. De Renaissance, zooals de algemeene gisting der geesten wordt genoemd, werd in hoofdzaak geleid door de classieke wijsbegeerte en - schoon die Grieksche erfenis wel eenigermate gechristianiseerd was, bleef zij toch naar aard en wezen heidensch en openbaarde dit ook door de volgende ontwikkeling der cultuur. Een humanistische strooming ging door alle reformatorische landen heen en zocht aan de hand en onder de hoede van de godsdienstige drijfkrachten haar invloed te doen gelden en het publieke leven te beheerscben. Deze strooming wordt dus vrijwel algemeen door de regenten aangehangen, terv/ijl de reformatie in de kerken heerscht. Zoodra die beide richtingen met elkander overleggen over de verhouding van Kerk en Staat, is de vrede en eensgezindheid van den gezamenlijken uittocht uit de Roomsche Kerk gebroken en vinden zij elkander strijdige belangen, zooals dat uit de onderscheiden oorsprongen, waaruit zij opborrelden, ook niet kon uitblijven.
Bedenkt men nu, dat de leidslieden van den Renaissancegeest uit het Rijk van Constantijn kwamen, dan zal het duidelijk zijn, dat zij ook bij de oplossing van de toenmalige kerkelijke vaagstukken in de richting van een Staatskerk heenstuurden. Zoo vinden wij dus de caesaropapie van het Oosten en het iideaal voor den Kerkstaat in het Westen saam in de worsteling om de vrije Kerk. De Kerk was nog niet afgestorven van Rome, de Staat hield vast aan haar ouden invloed over de religie en in den strijd, waarin dus de leidende beginselen der eeuwen met elkander in aanraking werden gebracht om den voorrang te .bevechten, werd het pleit gewonnen door de caesaropapistische neigingen der vorsten en regenten krachtens een humanistischen geest, waardoor zij geleerd waren. De vrije Kerk bleef een illusie.
In ons land vonden wij dezelfde geesten in het strijdperk, zooals wij die reeds in den aanvang hebben geteekend in de Libertijnen, die voor den invloed der overheid op de religie ijverden en beducht waren om een vrije Kerk over te laten aan een volk van Calvinisten, dat zich zoo krachtig en met taaie volharding had geopenbaard in de worsteling om de vrijheild van het geweten. De strijd der beginselen, die in de volgende eeuwen den gang van het proces zouden beheerschen, openbaarde zich in de jaren van de opkomst der Republiek der Vereenigde Gewesten in de geschillen omtrent Kerkorde en Confessie, die op de Synode van Dordrecht op een wijze werden beslecht, dat zij in het kerkelijk leven konden voortwoekeren tot ontbinding-en stagen achteruitgang, zonder dat de Kerk middelen kon aanwenden tot bestrijding van het kwaad, wijl zij aan de overheid was gebonden. Zelfs in Holland, waar het Calvinisme zooveel kracht heeft ontplooid, zijn bloed heeft gestort en de vaan der vrijheid geplant, is het niet gelukt een vrije Gereformeerde Kerk te organiseeren naar het beginsel der belijdenis, dat er toe drong.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's