Op Kerkelijk Erf
X.
Kerk en Staat.
Zooals uit het voorafgaande moge gebleken zijn werkten verschillende invloeden mede tot de vorming van een Kerkinrichting, die een staatsbemoeienis toeliet, welke met het Calvinistisch beginsel niet overeenkomt. Toch hebben de Calvinistische leidslieden hun beginsel met hand en tand vastgehouden, zooals dit in den strijd om een Kerkorde ook duidelijk aan den dag treedt, doch zij zijn gezwicht voor de libertijnsche inzichten, waardoor de overheid werd geleid. Reeds vroeger werd door ons uiteengezet, dat in de 'beide geestesstroomingen, die in den strijd op den voorgrond kwamen, en die Libertijnen en Calvinisten tegenover elkander stelden, twee verschillende wereldbeschouwingen elkander tegen traden, welker beginselen het gezamenlijk verzet tegen de 'Roonische Kerk hadden geleid, doch die spoedig bleken aan elkander vreemd te zijn en zelfs vijandig.Om niet in herhalingen te vervallen, verwijzen wij naar het betreffend hoofdstuk : Calvinist of Libertijnsch in het nummer van 21 Maart '22.
De Libertijn stootte zich aan het streven der Calvinisten naar een vrije kerk, wijl zij het niet eens konden zijn met de geloofsbelijdenis en derhalve het onderiing verband tusschen confessie en kerkorde niet konden waardeeren. Merkwaardig is het oordeel van Hugo de Groot, die niet nalaat zijn gevoelen kenbaar te maken, dat hij ook zelfs het recht en de waarde van de belijdenis in twijfel trekt, omdat zij niet van overheidswege is goedgekeurd. „Staat ook wel te letten, , , dat noyt voor desen de Confessie, die men „n o e m t de belijdenisse der Nederlandsche „Kercken, bij de Staten van Hollandt en is „met publycque Authoriteyt bevesticht gheweest : waarvan ick meen gheen andere „reden ghegheven te konnen werden, dan „dat de Staten hebben ghemerckt, dat men „de Religie hebbende willen bepalen met een „Confessie, de Confessie noch nauwer socht „te bepalen met interpretatiën, tot beswaernissen van de ghemoederen. Om welcke „difficulteyt te ontgaan, de Staten van Hollandt ende West-Frieslandt, in de Jare „1597 gheconsenteert hebben in 't houden „van een Nationale Synode, midts dat aldaer de voorsz. Confessie soude werden „gheremmeert, ende gelet, hoe men de Kercken best in eenicheydt souden moghen , , houden : verhoopende de Heeren Staten, „dat in die resumtie soude gelet werden, om „alle Persoonen, die bekommert waren over „'t verstandt van de selve Confessie, te gheven contentement, met vermijdinghe van , , alle onnodighe decisiën." ^)
Blijkens Hugo de Groot zelf hebben „eenighe Kerckelijke Persoonen" zioh tegen deze bemoeiing der Staten onmiddellijk verzet en er op gewezen, dat het aan de Synode en niet aan de Heeren Staten Generaal was om de wenschelijkheid van herziening der belijdenis uit te maken. Hierdoor en door meer andere acten is gebleken het verscheiden inzicht van de „oude Regierders' van 't Landt", (n.l. die aan het bewind waren voordat Maurits de wet heeft verzet) en van de kerkelijke personen , , trachtende de , , Kerckelijken tot decisie ende definitie, de „Overheden tot accomadatie, ende redelijcke „verdraeghsaemheyt : Die den ingangh tot „de Kerck willende engh maken, door bepalinge van vele disputabele Poincten, dese „de Kerck soeckende open te setten, sooveel doenlijck was, voor alle Christenen „van een onbesprooken leven." - )
Een rechtsgeleerde van zoo groote bekwaamheid als Hugo de Groot, was aldus van meening, dat de belijdenis der Kerk haar sanctie behoefde van de overheid en zelfs twee eeuwen later prijst de historieschrijver de wijsheid der regenten, , , die „geene zwarigheid maakten, over de besluiten der kerkelijken te oordeelen, derzelver „werkzaamheden en maatregelen te onderzoeken, alles met hun gezag te bekrachtigen, of het af te keuren en te verbieden. „Zij maakten geene zwarigheid, wetten voor „te schrijven, die geen ander doel hadden, „dan de goede orde in de kerk te bewaren, „en derzelver welzijn te bevestigen. Zij , , maakten geene zwarigheid, in de gemeenten, brave, bekwame, leeraars aan te stellen, of te zorgen, dat zulke wierden aangesteld, die verstand en wil hadden, om „het Evangelie te prediken tot algemeene „stichting." ») Het behoeft dus geen betoog, hoe geheel en al nieuw het streven naar een vrije kerk in den reformatorischen tijd moet hebben aangedaan en welk een tegenstand dat heeft ondervonden.
De naaste oorzaak van den strijd tegen de Calvinistische Kerkorde en confessie lag ongetwijfeld in de persoonlijke overtuiging, die zich daartegen verzette, doch dat men desondanks .geen ruimte liet voor een vrije kerk van Calvinisten, was niet het minst te wijten aan het feit, dat niemand het juiste begrip van een vrije Kerk schijnt gehad te hebben. De juiste afpaling tusschen de rechten van de Kerk en de rechten van den Staat kon trouwens niet worden gesteld wegens den algemeenen staatsrechtelijken grondslag, en hierin volgde men de geschiedenis van voorheen. Wel zag men duidelijk in, dat de vrijheid van geweten niet mocht worden geknot, zoodat zelfs bij de overheidsbemoeienis inzake de religie de persoonlijke vrijheid werd geëerbiedigd. Bij de Unie van Utrecht, die de beschikking omtrent de religie aan de souvereine macht van de verschillende gewesten overlaat, werd uitdrukkelijk bepaald, dat men niemand ter oorzake van. de religie zal mogen achterhalen en onder-zoeken volghende de Pacificatie van Gent. ') In 1590 bevelen de Staten van Utrecht, dat Zijn Excellentie Prins Maurits „sal onderhouden, ende doen onderhouden de oprechte C h r i s t e 1 ij k e Evangelische R e I i g i e, volgende de O r-d o n n a n t i ë n daarop b ij de Staten van de Landen van Utrecht aireede gemaeckt, ende noch te maken, etc... Sonder dat nochtans op yemandts consciëntie g h e ï n q u i r e e r t, ofte in y e m a n d ts huysingheondersoeckghedaan sal moghen werden, ten ware met kennisse ende believen van de Staten, ofte hare Ghedeputeer den, ofte dat yemandt ter s a a c k e van s ij n g h e 1 o o f, — dewijIe hetselve een Gave G o d t s is — e e n i gem o e y e n i s se, i n j u r i e, ofte overlast sal aangedaen werden. ")
Het persoonlijk recht van de vrijheid des geloofs aldus duidelijk erkend en beschermd had er toe behooren te leiden, ook de vrijheid van de groep, kerkelijke gemeenschap, te eerbiedigen, en tooh is dit niet geschied. Dit hangt trouwens saam met de gesteldheid van het sociaal bewustzijn van den tijd, dat er naar streeft den wil van de groep algemeen te doen eerbiedigen, en dat zoowel Libertijnen als Calvinisten eigen was, zoodat zij in .botsing kwamen. Hierbij kwam nog, dat de overheid geen afstand kon doen van de beschikking over de rehgie, wijl deze beschikking gold als een der voornaamste stukken der souvereine macht. De souvereine macht berustte bij de Gewestelijke Staten, zooals de Groot aantoont en derhalve hadden die de zaken der religie te regelen en moest het als een schennis van hun majesteit worden aangezien, als een kerk hun die macht ging ontzeggen.
Van kerkelijke zijde echter was het niet alleen te doen om vrije beschikking in kerkelijke aangelegenheden met name inzake van kerkorde en belijdenis, maar ook daar ging men door op het oud verband van soucrciniteit en religie en schoon men zich wars van alle overheidsbemoeiing in de kerk, daartegen te weer stelde, verlangde men toch van de overheid zoodanige bescherming en begunstiging van de Calvinistische beginselen, dat zij krachtens haar wezen ook aan dien drang onmogelijk kon toegeven. Naar den geest des tijds achtte de overheid zich gerechtigd en verplicht uit te maken welke religie openbaar zou mogen worden uitgeoefend, en dus van harentwegen „gemainteneert ende beschermt", doch de , , Kerkelijken" achtten zich geroepen om te waken voor de zuiverheid van leer en kerkorde en eischten van de Overheid een gedragslijn overeenkomstig de besluiten en inzichten der kerkelijke vergaderingen.
Hieruit vloeit dus onmiddellijk voort, dat de belijdenis in het geding kwam, want wilde de overheid de kerkelijken toegeven, dan moest zij allen onderwerpen aan een „zoo en zoo" belijdende Kerk, dus aan de belijdenis zelf en daartegen verhief zich een storm dergenen, die uit andere beginselen leefden of althans met de belijdenis der Kerk strikt genomen niet meegingen, terwijl anderzijds de Magistraat juist terwille van den vrede in 't openbare leven de religie, die de souvereine macht meende te moeten mainteneeren en beschermen, niet al te nauw wenschte af'te perken, opdat velen dharonder zouden kunnen worden saamgebracht Dit laatste nu moest den tegenstand der kerkelijken opwekken, die vasthielden aan de belijdenis der vaderen. Hier schuilt dus een verwarring van bevoegdheid en rechten, die van meet af, toen de oorlog tegen Spanje begon moeite heeft gebracht tusschen Kerk en Overheid. Hugo de Groot teekent dit geschil als volgt : , , Soo van , , oudts, als in onse tijden, in meest alle Landen heeft men gihemerckt een groot verschil tusschen de Politycquen ende tusschen de Kerckelijke Persoonen, onder de „Theologische questiën : alsoo de Theologanten alle saecken van Religie hoogh ghewoon zijn te weghen, als waer in haer wetenschap en de uytnementheydt boven andere Persoonen bestaet. De Overheden ter „andere sijde, lettende op de rust van de „Republyque, meenen, dat in vele van die „baecken, sonder Verbreeckingh van Godes , , Wet, eenighe redelijcke accommodatie kon , , vallen : waeruyt dan dickmael ghebeurt, „dat de Theologanten de Regierders uyt „krijten, als Luydan dien de Goddelycke „waerheydt niet ghenoegh ter harte en gaet; , , De Regierders ter contrarie den Kerckelijken als onghevoechelijcke Persoonen." ") De Groot is zich welbewust, dat die verschillende beschouwingen teruggaan op Eras m u s eenerzijds en C a 1 v ij n aan den anderen kant, zoodat ook het woord , , Reformatie ofte Ghereformeerde Religie" bij de Politieken in anderen zin wordt genomen dan bij de Kerkelijken. ')
De voorstelling van de Groot, dat de Overheid dus de zorg heeft over .de religie en zelfs meent gezag te mogen verieenen aan een kerkelijke confessie en het streven der Gereformeerden of liever kerkelijken om zich het politiek gezag dienstbaar te maken tot voordcel van de Kerk, stonden de organisatie van een vrije kerk in den weg. Hierbij kwam nog een bezwaar in de gewestelijke souvcreiniteit, waarop H. de Groot sterk den nadruk legt, zoodat ieder gewest voor zich zelf had te bepalen, welke de .openbare religie zou zijn in het gewest, zoodat daarin een aanleiding lag tot vorming van gewestelijke kerken. Het streven der Calvinisten ging verder blijkens de oudste kerkvergaderingen, die de eenheid des geloofs van de „gemeenten onder 't kruis" in deze landen en mede die van het buitenland telkens uitspraken en overeenkwamen in de belijdenis des geloofs, zoodat daarin tot uiting kwam, dat zij als Kerk een andere autoriteit erkenden, dan de wereldlijke souvereine macht. Ook in het pogen om een nationale synode saam te roepen openbaarden de kerkelijken zich zelfstandig tegenover de politieke grenzen der gewesten.
Ook in dit streven echter moesten zij in conflict komen met de Magistraten, wijl men meende, dat het houden van een nationale synode de goedkeuring der Overheid moest wegdragen en de Staten Generaal, die slechts konden geven, .indien de souvereine gewestelijke staten eenstemmig waren. Overal dus dezelfde botsing tusschen politieken en kerkelijken.
Daar ligt een zekere onmondigheid in geheel deze verwarring, waardoor zij tevens wordt verklaard. En politiek èn kerkelijk zocht men een vrijheid, die men zelf niet verstond, wijl men die nooit had genoten en zich vooral op politiek terrein toetste aan de historie, die evenmin vertoonde, wat men zocht. Op staatkundig terrein blijkt de verlegenheid der Staten, zoodra hun van God gegeven leidsman in den Prins van Oranje is weggevallen. In het stout bewustzijn der vrijheid hadden zij den Koning van Spanje afgezworen en de soavereiniteit in eigen hand gehouden, die feitelijk reeds den Zwijger was op de schouders gelegd. Doch toen hij was gevallen door verraderiijken sluipmoord, zag de Unie om naar een gekroond hoofd om de souvereine macht der gewesten te dragen. Eerst de droeve ervaring, die men zich op den hals haalde onder vreemde landvoogden, heeft geleid tot zekere bewustwording van de verkregen vrijheid en tot politieke onaiihankelijkheid van het gemeenebest.
Ook de kerkelijken zagen naar vreemde souvereinen om en verwachtten hulp van vorsten iom de zaak der religie te dienen,
Het is bekend, hoe de Calvinisten hoopten niet onder de voogdij van Leicester een kerkorde naar hun inzicht ingevoerd te zien, terwijl zij in Friesland niet zonder verdriet van den edelen graaf Willem Lodewijk heul zochten bij de Engelsche vorstin. Doch, schoon de Staten het beheer krachtens eigene souvereiniteit ook in eigen hand namen. de kerk bieef gebonden aan de Overheid, en moest zelfs zich laten welgevallen, dat deze niet weinig invloed behield op de beroeping der kerkelijke ambtsdragers, inzonderheid van de dienaren des Woords. Vooral de verdediging, die Hugo de Groot aanvoert op dit belangrijke punt, bewijst, dat hij zijn uitgangspunt neemt in de historie en geenszins met de Gereformeerde Theologanten in de Heilige Schrift. Aan de caesaropapie van het verleden ontleent hij ook voor de Kerk der reformatie de gronden voor een caesaropapistische regeering in zijn tijd. Reeds eerder merkten wij op, dat de inzichten door Hugo de Groot verdedigd, gedeeld werden door velen en inzonderheid door de régenten der republiek. Derhalve werden de Nederlandsche Kerken gedrukt door een ongereformeerde bemoeienis der Overheid, die mede moest werken tot haar diep verval, althans een gezond kerkelijk leven heeft belemmerd. De invloed van die Libertijnsche regeering der kerk bleef niet zonder gevolgen ook in onze dagen, wijl de Hervormde Kerk nog steeds een organisatie heeft, die haar werd opgelegd door een overheid, die ofschoon brekende met de caesaropapie, bij wijze van uitzet haar een Kerkorde meegaf, die haar gebonden houdt aan het oude stelsel. Juist hieruit blijkt, dat het beginsel, waardoor de overheid werd geleid, niet uit het wezen der Kerk is opgekomen. De beginselen der Revolutie huldigden een staatkunde, die de vrijheid van godsdienst decreteerde en brak m.et de leer door Hugo de Groot van de Romeinen overgenomen, dat de souvereine Staat de religie verzorgt. De Kerk behoort vrij te zijn, in dat opzicht bracht de Revolutie voordeel, doch haar vrijheid werd van stonde aan gebonden door een Kerkorde, die niet uit haar wezen werd geboren, daarin ligt haar doódelijke krankheid.
Ons volk heeft zich daarvan bewust te worden en zich te bezinnen op het wezen der Kerk om, gehoorzaamheid aan het Woord van haar Koning, ook haar welwezen te bevorderen en de les der historie niet te veronachtzamen.
V e r a n t w. blz 35.
t.a.p. blz. 33.
Ypey en Dermout. Geschiedenis d e r N e d. H e r v. K e r k. I. blz. 383.
Zie : H. de Groot. V e r a n t w. blz. 15
Zie V e r a n t w. blz. 16/17.
t.a.p. blz. 29.
t.a.p. blz. 30.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's