Uit het kerkelijk leven.
De prediking van de Bondsmannen,
Sedert men in de Confessioneele Vereeniging mr. Schokking op stal heeft gezet, door de z.g.n. Amsterdamsche actie van ds. Oravemeijer en ouderling Hagen, is in „De Geref. Kerk", het Orgaan der Confessioneele Vereeniging als hoofdredacteur opgetreden ds. Lingbeek van Reitsum. Eerst was deze alleen redacteur van „de Vragenbus", maar nu is hij hoofdredacteur en verzorgt naast , , de Vragenbus" ook het eigenlijke redactioneele gedeelte, zij 't dan met hulp van anderen.
Het stille Reitsum geeft ds. Lingbeek schoone gelegenheid het breede terrein van het kerkelijk leven te overzien en dit heeft zich nu voor ds. Lingbeek vastgezet, dat hij bizonderlijk „De Waarheidsvriend" en , , de Bondsmannen" in de gaten moet houden.
Dat hooren we en bemerken we niet voor 't eerst nu. Al is 't dan dat we het nu, nu ds. Lingbeek hoofdredacteur is geworden, méér en beter nog merken dan toen hij alleen in „de Vragenbus" van leer trok.
Eensdeels verblijdt ons dit.
Ook ds. Lingbeek merkt wei, dat de invloed van den Geref. Bond eer toe-dan afneemt en „De Waarheidsvriend" vindt hoe langs hoe meer ingang in tal van gemeenten van Friesland tot Limburg.
Ware dat niet 't geval, dan zou ds. Lingbeek onzen Bond wel stil laten liggen. Aan een cadaver geeft een mensch, die méér te doen heeft in de wereld, doorgaans niet zooveel aandacht.
In zooverre is de attentie welke ds. Lingbeek onzen Bond bewijst voor ons dus een feit van verheugenis. Maar anderzijds bedroeven we er ons over.
Want wat komt nu week aan week duidelijk uit, hoe men ons haat en hoe men er in alles Qp uit is, om ons te belasteren en te bekladden, om, zoo mogelijk, de Bondsmannen toch maar te teekenen als schurftige schapen, die men van de kudde vèr verwijderd moet houden of waar ze al binnenslopen, moet trachten verwijderd en uitgeworpen te krijgen.
Nu maken wij ons hierover niet zoo héél ongerust. Want dit is een onfeilbaar middel, om de Bondsmannen in tal van gemeenten ingang te doen krijgen. Er zijn vooral onder de confessioneelen menschen die gaan zeggen : laten we het toch met die stumperds van Bondsmannen maar eens pro'beeren. En soms gebeurt het dan zelfs, dat die gesmade Bondsmannen nog beter bevallen, dan die uit den treure aangeprezen confessioneelen, die van den schedel tot den voetzool confessioneel zijn.
Toch is en blijft het een treurig teeken des tijds, dat strijdbare helden als ds. Lingbeek daar hun leven aan hebben verpand, om week aan week van de Bondsmannen het slechte uit te bazuinen.
Zoo dachten we, toen we het laatste No. van „De Gereformeerde Kerk" ontvingen en daar zagen, dat ds. Lingbeek een stukje tegen ons geschreven heeft inzake de prediking van de Bondsmannen.
We dachten, dat we het nu zoo goed gezegd hadden. Maar z'iet, het is weer glad verkeerd. En ds. Lingbeek gaat het uitbuiten, om maar weer eens — voor de hoeveelste maal ? — de prediking van de Bondsmannen af te kammen.
Wej hadden dit geschreven : „Gereformeerd is evenwel om niet öf het een of het ander altijd naar voren te brengen. Gereformeerd is het volle licht te doen uitstralen, waarbij uitkomt de algeheele verlorenheid van den mensch en het werk, dat de Vader door den H. Geest werkt in Zijne kinderen, 't alles nemend uit Christus, om Gods kinderen in alle waarheid te leiden met droefenis en vreugd".
Op het tweeërlei element dat in de prediking uitkomen moet : de armoede in ons zelf en de rijkdom in Christus, wat droefenis en vreugd geeft, wezen we.
En nu gaat ds. Lingbeek in plaats van ons nu eens een complimentje te geven, een artikel schrijven, waarin hij uiteenzet, dat wij dus geheel negeeren het werk van den gezegenden Verlosser voor den mensch volbracht en dat wij geheel negeeren de sacramenten.
Wie nu ons artikel over Gereformeerde prediking leest en dan deze opmerkingen van ds. Lingbeek hoort slaat natuurlijk de handen in elkaar en zegt : maar hoe hebben we het nu ?
Waarbij voor ons het antwoord op die vraag geenszins wegschuilt in het duister.
Want voor ons is het antwoord : hier hebt ge het bewijs dat ds. Lingbeek tegen geen enkel middel meer opziet, om de Bonds mannen tegenover de Vereenigingsmannen zwart te maken en liefst alles doet wat maar mogelijk (ook oorbaar ? ) is, om den Bondsmannen in den lande een kwaden naam te bezorgen.
Hebben wij niet gesproken, van het werk door den gezegenden Verlosser volbracht ?
Maar wat is dan de rijkdom en de vreugd van Gods kinderen ?
Dit, dat als zij zich zelf door de ontdekkende werking des H. Geestes arm en ellendig weten en dat met droefheid doormaken, dat de Vader door den H. Geest dan aan de harten Zijner kinderen komt voorstellen wat Jezus Christus voor Zijn Sion gedaan heeft en voor Zijn gunstgenooten is voor leven en sterven beide.
In den mensch niets. In Christus alles.
Wat de Vader, door den H. Geest alles uit Christus nemend. Zijnen kinderen te mid den van hun armoede en ellende komt openbaren, wat dan juichensstof geeft ook in den nacht.
Verstaat ds. Lingbeek dat niet ?
En had hij over dit stukske van onze hand niet kunnen zwijgen ? of als hij er over wilde schrijven, had hij dan niet met instemming het artikel kunnen weergeven ?
Nu hij niet heeft willen zwijgen, maar 't zóó heeft willen bespreken, proeven wij daarin verblinden haat en pure vijandschap belust op kwaadspreken en lasteren aan het adres van de Bondsmannen.
Wat is een oprecht geloof ?
Het wordt veelszins over 't hoofd gezien, dat èn de Catechismus èn het Kort Begrip er den nadruk op legt, dat wij in onze verdorven-en verlorenheid vastgemaakt moeten worden door den band des geloofs met Christus, in Wien van den Heere voor al Zijne kinderen gegeven is wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing.
„Maar zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, (namelijk) die in Zijnen Naam gelooven, welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn" lezen we in Joh. 1 : 12 en 13.
Op dat „uit God geboren worden" en „door den H. Geest Christus als Borg en Middelaar leeren aannemen", komt het voor ons persoonlijk aan. In Christus is het leven en de zaligheid.
Maar dan staat er : „Die in den. Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem" Joh. 3 : 36.
Er gaat dus van nature een daad van ongehoorzaamheid uit van den mensch en zoo blijft de toorn Gods, waaronder hij van nature als kind des toorns ligt, besloten. Doch nu moet er door de wederbarende kracht des Geestes een veranderende daad aan den mensch geschieden, waardoor hij als een arm, verloren zondaar, den Christus Gods in al Zijn genade en heerlijkheid leert zien en hem leert aanhangen en liefhebben in den geloove.
Dat wil de Heilige Geest werken in den weg van Gods Woord, waarbij de gangen des Heeren in het heiligdom zijn.
Zoo leert de ziele zich dan zetten op het Woord des Heeren, om dat niet alleen in alles voor waarachtig te houden, maar om in dat Woord te vinden alles wat God in Christus aan Zijn Sion komt toezeggen en alzoo vervuld te worden met het vaste vertrouwen, dat „niet alleen aan anderen, maar ook aan mij persoonlijk vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade, alleen om de wille van de verdienste van Christus." (Zooals de Christ-geloovige dat zegt in antwoord 21 van den Heidelbergschen Catechismus. Zie ook vraag en antwoord 19 van het Kort Begrip).
Dat wil de Heere ook leeren door de Sacramenten. Want wil de Heere het geloof in onze harten werken (en versterken) door de verkondiging van het heilig Evangelie, Hij heeft in de Sacramenten nog een bizonder middel gegeven tot versterking van het geloof, wanneer n.l. deze Sacramenten in den geloove mogen worden gebruikt.
Want „de Sacramenten zijn heilige, zichtbare waarteekenen en zegelen, van God ingezet , opdat Hij ons door het gebruiken derzelve de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegele ; namelijk, dat Hij ons, vanwege het eenig slachtoffer van Christus, aan het Kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt." (Zondagsafd. 25).
Zoo moeten Woord en Sacrament in de hand des Geestes saamwerken, om onze ziele met een hartelijk en vast vertrouwen te vervullen, dat in Christus al onze gerechtigheid ligt.
Over welke samenwerking van Woord en Sacrament de Catechismus ook flog afzonderlijk spreekt in vraag en antwoord 67, waar gezegd wordt, dat beide, het Woord en de Sacramenten, daartoe verordend zijn, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het Kruis wijzen, als op den eenigen grond onzer zaligheid.
Of zooals in het antwoord dan nog wordt herhaald „de Heilige Geest leert ons in 't Evangelie en verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het Kruis geschied is. •
Zoo wil de Heilige Geest een arm en in zichzelf verloren en verdoemelijk volk in Christus komen inzetten èn door de prediking des Woords èn door het gebruik der Sacramenten ; en zoo is en blijft voor de geloovigen Jezus Christus, de Algenoegzame Zaligmaker, het een en het al.
Nedergedaald ter helle.
Men komt nog eens terug op hetgeen we schreven over de prediking van het Evangelie aan de dooden. Men gaat accoord met onze uitlegging, dat Christus in de dagen van Gods lankmoedigheid, door Noach gepredikt is aan zijn tijdgenooten, waarbij de arke der behoudenis een teeken was.
Maar nu vraagt men, wat beteekent nu dat artikel in de Apostolische geloofsbelijdenis , , nedergedaald ter helle ? " en men informeert of de verklaring van onzen Heidelbergschen Catechismus wel houdbaar is.
Laat ons maar weer in 't kort een paar opmerkingen maken. Bedoeld artikel is een van de moeilijkste artikelen. Er zijn verschillende opvattingen en uitleggingen van. Men heeft gezegd : in de Apostolische geloofsbelijdenis volgt op elkaar „die gekruist is onder Pontius Pilatus, gestorven, begraven, nedergedaald ter helle", waarbij dat nedergedaald in de hel dan moet beteekenen, gestorven en begraven en nedergedaald in het d o o d e n r ij k. Dat wil zeggen : Jezus' lichaam bleef in het graf en Zijn ziel ging naar de plaats waar de zielen der afgestorvenen verkeeren ; om dus aan te geven, dat Jezus als waarachtig mensch, het lot des menschen in en na den dood gedeeld heeft. In dat doodenrijk of in die onderwereld (Hebreeuwsch „Sjeool"; Grieksch , Hades") zijn dan twee plaatsen, het paradijs, Abrahams schoot, de plaats der gezaligden èn de hel, de plaats der rampzaligen. Daar wachten de zielen tot den opstandingsdag, ^m dan met het lichaam vereenigd te worden en met ziel eh lichaam eeuwige heerlijkheid en zaligheid óf eeuwige smart en rampzaligheid te ontvangen.
Wie dus het bewuste artikel van de Apostolische geloofsbelijdenis zóó leest : nedergedaaJd in het doodenrijk, wil dus zeggen : dat Jezus waarlijk is gestorven en dat Zijn lichaam in het graf was en Zijn ziel in het paradijs. Terwijl dan aan den morgen van den derden dag ziel en lichaam weer vereenigd zijn geworden, om verheerlijkt ten hemel te varen 40 dagen na de opstanding.
Tegen deze verklaring is, op zichzelf genomen, niets in te brengen.
De groote (presbyteriaansche) Westminster-Catechismus zegt hiervan : , , De vernedering van Christus na den dood bestond daarin, dat Hij begraven werd en in den toestand der dooden en onder de macht des doods tot den derden dag bleef; wat ook zeer goed met deze woorden is uitgedrukt : nedergedaald ter helle."
Olevianus, een van de opstellers van den Catechismus zegt : , , Zijn ziel rustte niet in het graf, dwaalde ook niet rond op aarde, maar zoodra zij van haar lichaam gescheiden was is zij d a a r h e e n gegaan, waar de zielen der geloovigen, die van hun lichaam verlost zijn, in vreugde en zaligheid leven, namelijk in het paradijs."
Zwingli zegt : „Als Christus niet gestorven en begraven was, wie zou dan gelooven, dat Hij een waarachtig mensch was ? Daarom hebben de Apostolische vaderen in het s.ymbool ingevoegd *: „nedergedaald ter helle." Zij bedienen zich van deze uitdrukking als een omschrijving om den waarachtigen dood te kennen te geven. Want in het doodenrijk zijn, wil zeggen gescheiden te zijn uit het menschenleven."
Op deze wijze zit dus in dat „nedergedaald ter helle" een bevestiging, dat Jezus waarlijk gestorven is, den tijdelijken dood gedragen heeft, waarlijk dood geweest is tusschen Zijn sterven aan het Kruis en Zijn opstanding aan den morgen van den derden dag.
Maar zooals men weet, heeft onze Catechismus het laten slaan op het helsche lijden dat reeds vóór den dood begonnen is en dat ons bewijs is, dat Jezus den eeuwigen dood gedragen heeft voor allen die in Hem gelooven. Dan doelt het dus op dat lijden der lielle, dat zijn' eigen tijd heeft gehad, met zijn hoogtepunten in Gethsemané en op Golgotha, om daarna weer af te nemen, te verminderen en eindelijk geheel te verdwijnen.
Zóó vat onze Catechismus het dieper op, dan wanneer men het alleen doet slaan op het verkeeren in den toestand des doods ; en aangezien we in de Apostolische geloofsbelijdenis reeds hooren, dat Jezus is gestorven en begraven — wat ziet op den tijdelijken dood — maar niets van de overwinning van den geestelijken en eeuwigen dood — het eeuwig gescheiden zijn van God door de zonde — is ons de uitlegging van den Catechismus déarom zoo lief, dewijl we daarin krijgen de bevestiging dat Jezus den eeuwigen dood heeft gedragen en overwonnen, tot troost voor allen die in Hem gelooven en om der zonde wil het eeuwig straf lijden in de hel verdiend hebben.
In dezen zin vatten de Gereformeerde uitleggers dan ook de woorden „nedergedaald ter helle" op ; gelijk b.v. Calvijn zegt in den Catechismus van Geneve : Welke beteekenis heeft de bijvoeging : „nedergedaald ter helle? " Dat hij (Christus) niet alleen den natuuriijken dood geleden heeft, die bestaat in de scheiding van lichaam en ziel, maar ook de smarten des doods, zooals Petrus 2 vers 24 ze noemt. Onder deze uitdrukking versta ik den vreeselijken angst, waardoor Zijn ziel werd aangegrepen."
Volledigheidshalve laten we hier nog volgen wat onze Heidelbergsche Catechismus in de 44ste vraag eh het antwoord zegt: Vraag : Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle ? Antwoord : Opdat ik in mijne hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganschelijk vertrooste, dat mijn Heere Christus, door Zijne onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helsche kwellingen, in welke Hij in Zijn gansche lijden, maar inzonderheid aan , het kruis, gezonken was, mij van de helsche benauwdheid en pijn verlost heeft."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's