De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

Een roepstem uit het verleden.

Welk een voorrecht, indien de Heere onder een volk nog wachters bestelt ; wachters, die niet zwijgen zullen al den dag en aI den nacht ; die niet ophouden met vermanen en waarschuwen, maar die ook ter rcchtertijd een woord van bemoedi;ging weten te brengen.

Aan zulke wachters deed de Heere het Zijn oude bondsvolk Israël niet ontbreken. Wei waren Iraëls zonden groot, wel kwamen er perioden van diep verval, waarin de stem cier profetie scheen te zwijgen, maar clan opeens verhief ze zich weer op des te verrassender wijze.

Ook toen de glans van Salomo's heerschappij al lang was verbleekt en de ster van Israels heerlijkheid was ondergegaan in den donkeren nacht der ballingschap, was de stem der profetie nog niet verstomd Ook over de terugkeerende ballingen wilde de Heere zich ontfermen. In Haggaï en Zacharia schonk Hij hun mannen, die het ontleedmes in de zonden des volks durfden te zetten, maar die ook troost en bemoediging wisten te brengen in dagen van moedeloosheid, als alles den ballingen tegen scheen.

Bij een woord van een dier beide godsmannen wenschen we u te bepalen ; bij het begin van Zacharia's profetie. Dan zal het u blijken, dat ook zijne profetie, het Woord des Heeren, een draagkracht heeft voor alle eeuwen. Ja, 'het is ooik tot waarschuwing van onzen tijd, zoowel als tot bemoediging van allen, die den Heere leerden vreezen.

»In de achtste maand, in het tweede jaar vam Darius, geschiedde het woord des Heeren tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende :

De Heere is zeer vertoornd geweest tegen uwe vaders.

Daarom zeg tot hen : Alzoo zegt de Heere der heirscharen : Keert weder tot Mij, spreekt de Heere der heirscharen, zoo zal Ik weder tot ulieden keeren, zegt de Heere der heirscharen.

Weest niet als uwe vaders, tot welke de vorige profeten riepen, zeggende :

Alzoo zegt de Heere der heirscharen : Bekeert u toch van uwe booze wegen en uwe booze handelingen ; maar zij hoorden niet en zij luisterden niet naar Mij, spreekt de Heere.

Uwe vaders, waar zijn die ? en de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven ?

Nochtans mijne woorden en mijne inzettingen, die Ik mijnen knechten, den profeten geboden had, hebben zij uwe vaders niet getroffen ? zoodat zij wederkeerende zeiden : Gelijk als de Heere der heirscharen gedaoht heeft ons te doen naar onze wegen, en naar onze handelingen, alzoo heeft Hij met ons gedaan.«

Zacharia 1 vers 1—6.

„Een roepstem uit het verleden", zoo meenden we met recht boven deze verhandeling te mogen schrijven. Geen korter, kernachtiger inleiding had Zacharia kunnen schrijven om een begin aan zijne nachtgezichten te maken. In die eerste zes verzen , .grijpt hij terug naar het verleden. Neen, hij is de ballingschap nog niet vergeten. De indruk dien de smadelijke ballingschap en de verwoesting van stad en tempel op hem gemaakt hadden, was meer dan een morgenwolk en als een vroegkomende dauw, die henengaat. Indien er één uit den smeltkroes der beproevingen gelouterd was te voorschijn getreden, dan was het Zacharia.

Hij had in de vreeselijke rampen, die zijn volk getroffen hadden, een Godsgericht gezien. Het waren Israels zonden die Je'hova hadden vertoornd. Het was onmogelijk dat de straf had kunnen achterblijven, want ondanks alle vermaningen had Israël den nek verhard. Toen waren de rampen elkaar snel opgevolgd. Koningstelgen uit Davids huis waren in ketenen geklonken. De schoone tempel van Salomo was verwoest. Ver weggevoerd van de heilige stad, die aan de verwoesting was prijsgegeven, had Israels nakroost aan de rivieren van Babel in smadelijke ballingschap van droefheid zijn harpen aan de wilgen gehangen. Hoe zou Israël ook een lied des Heeren hebben kunnen zingen in een vreemd land I

Onvergetelijk bleef immers voor hen Jeruzalem. Eer zou hunne rechterhand zichzelf hebben vergeten, dan dat de gedachte aan de heilige stad uit hunne herinnering zou zijn weggevaagd.

Maar in den toorn was de Heere weer des ontfermens gedachtig geweest. Na eene loutering van zeventig jaren had Hij ze wederom doen terugkeeren. De oordeelen hadden zegeningen afgeworpen. De groote massa des volks mocht er dezelfde onder zijn gebleven, er zullen er toch ook geweest zijn, die met Daniël hebben geleerd om voor de open vensters naar Jeruzalem, belijdenis hunner overtredingen te doen.

Doch ook de natuurlijke mensch uit Zacharia's dagen miste het recht gezicht in al die wereldgebeurtenissen. Op de vragen, waarom en waartoe, werden meestal natuurlijke oorzaken als antwoord gezocht. De buitengewone machtsontwikkeling van den vijand en de wisseling van de overwinningskansen waren voor de groote massa genoegzame redenen ter verklaring van de rampen des volks.

Zacharia wist, dat de meesten nog blind waren voor de leidingen Gods. Daarom was het zijn begeerte dat zijn volk toch een oog mocht hebben voor de heilige bedoelingen des Heeren.

Als hij dan ook de goddelijke boodschap heeft over te brengen, dat Israël wederkeere tot den Heere der heirscharen, opdat ook Hij weder tot hen zou keeren, dan is het met verwijzing naar dat leerrijke verleden.

„Weest niet als uwe vaders, tot welke de vorige profeten riepen, zeggende : Alzoo zegt de Heere der heirscharen : Bekeert u toch van uwe booze wegen en uwe booze handelingen ; maar zij hoorden niet en zij luisterden niet naar Mij, spreekt de Heere."

Het is, als wilde de profeet tot hen zeggen : , , Bedenkt, wat u te wachten» staat, zoo ge u niet tot den Heere wendt. Hetzelfde lot zou u wachten wat uwe wederspannige vaders trof, die zich ook niet wilden laten gezeggen. En de Heere, 'die ondoorgrondelijk is in Zijn trouw, is ook onveranderlijk in Zijn recht en heiligheid."

En om aan zijne vermaningen kracht bij te zetten, wijst hij er op, dat de Heere het ook vroeger niet bij bedreigingen heeft gelaten, maar dat Hij gedaan heeft, gelijk als Hij gesproken had. .

„Uwe vaders, waar zijn die ? en de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven ? " Neen, zoowel vaderen als profeten waren door den engel des doods weggemaaid. Allen moesten ze bukken voor de majesteit van den dood. Maar wat ook veranderd mocht zijn, des Heeren Woord bleef bestaan. Dat Woord blijft bedreigen en vermanen alle eeuwen door. Dat Woord laat zich niet bespotten. Het werd bewaarheid reeds aan zoovele geslachten.

Ook uwe vaders, zoo wil de profeet zeggen, hebben het smartvol ervaren toen de woorden en inzettingen des Heeren hen hebben getroffen. Met ootmoed bekleed, hebben de terugkeerende vaderen moeten belijden : „Gelijk als de Heere der heirscharen gedacht heeft ons te doen naar onze wegen en naar onze handelingen, alzoo heeft Hij met ons gedaan."

Kunt ge het nu niet begrijpen, lezer, waar om de profeet zoo met allen ernst tot die teruggekeerde ballingen heeft gepredikt, dat ze zouden wederkeeren tot den Heere ?

Wij schreven boven, dat Gods Woord een draagkracht heeft voor alle eeuwen. Inzonderheid geldt dat ook van de overdenkingswoorden van dezen tekst. Des profeten woord is ook vermanend voor onze eeuw. Helaas, reeds in het paradijs heeft de mensch zich van God afgekeerd. De ziel des menschen is van den Heere af-en naar de wereld toegewend. En de Heere kon tot ons allen zeggen : „O, menschenkinderen, wat zijt gij door de zonde ver van Mij weggestormd !"

O, welk een zegen, dat de Heere zich over het afzwervende menschenkind nog ontfermen wilde. Indien 'de Heere de mensch held had overgelaten aian zichzelf, ze zou met hoe langer hoe grooter vaart zich voor altoos van den Heere hebben afgewend. Het is immers een vliegen naar het eeuwig verderf. Maar ook nu laat de Heere het op onzen weg ons nog toeroepen uit Zijn Woord en Getuigenis, dat we tot Hem zouden wederkeeren.

Wat al handwijzers staan er op ons levenspad, waarop staat geschreven : ., Keer toch weder."

Als de Heere de conscientie opent en de schellen van de oogen laat vallen, zoodat we het met schrik ervaren, dat we door de zonden met gedachten, woorden en werken bedreven, ons steeds verder van den Heere afwenden in de richting van den afgrond, dan zal het met een schreeuw des harten moeten worden uitgeroepen : O God, genade en geen recht, breng mij nog weder terug van den weg die ten verderve leidt, opdat ik mij tot U moge .wenden en U moge vreezen.

Met hoevele roepstemmen komt de Heere tot elk mensch in het bijzonder, maar ook tot ons volk in zijn geheel. Ook in het verleden liet de Heere het aan waarschuwingen niet ontbreken. In ons vaderland had de Heere zoo menigen wachter op de muren gesteld, die niet heeft gezwegen al den dag en al den nacht. Zoo menige stem van nu godzalige predikers heeft weerklonken om te getuigen tegen de schrikkelijke zonden die de Westersche (zoogenaamde) beschaving met zich bracht.

Ze hebben gepredikt, dat de vruchtgevolgen van het toenemende ongeloof, de zedeloosheid, de sabbatsontheiliging en het offeren aan den Mammon enz. enz., niet zouden achterblijven.

De Heere behield ook in ons vaderland nog getrouwe dienaren over, die tegen den geest van den nieuweren tijd, die den mensch verheerlijken wil, het durfden te prediken, dat wij verdoemelijke schepselen zijn, die moeten wederom geboren worden, zullen we ooit het Koninkrijk Gods zien.

Ja, er zijn er overgebleven, die tegen de lijfspreuk van het moderrnsme : „God, deugd en onsterfelijkheid", durfden blijven spreken van zondekennis, genade en geen recht; die hebben gepredikt, dat het verlaten van de oude paden der zuivere leer de vreeselijkste vruchtgevolgen met zich zou brenggen.

Zoo staat het voor ons vast, dat men het net uitwerpt aan de verkeerde zijde, indien men bij het zoeken naar oorzaken, die al de tegenwoordige ellende hebben teweeggebracht, niet uitgaat van deze grondgedachte, dat het de Heere was, die de zonden der Europeesche volkeren kwam te bezoeken met oorlogen en een nasleep van allerlei andere jammeren, die schier even erg zijn als de oorlogen zelf. Om slechts één voorbeeld te noemen : zou Rusland in den vuurbrand der revolutie er niet veel erger aan toe zijn dan in den tijd, toen het den krijg naar buiten voerde ?

Lijdt ook ons vaderland niet geweldig onder den economischen druk ? Begint de waarheid, die men eens heeft verworpen, thans niet schaars te worden en is daardoor de massa niet overgeleverd aan eene prediking, die het tegengestelde bedoelt van God te verheerlijken en het schepsel te vernederen ?

Voorwaar, het volk des Heeren, dat oogen kreeg om te zien en een hart om op te merken, zal met smart moeten getuigen : Gelijk als de Heere der heirscharen gedacht heeft ons te doen naar onze wegen en naar onze handelingen, alzoo heeft Hij met ons gedaan

Vindt gij dat niet treffend dat wij lezen „naar onze wegen" en „naar onze handelingen" en niet „naar hunne wegen" ?

Het behoeft u niet te-verwonderen. Genade leert toch allereerst eigen zonde en schuld te kennen en ziet eerst daarna anderer schuld.

Als we alzoo op de leidingen zien, die de Heere met de menschenkinderen van deze eeuw houdt, dan hebben we te vreezen. De afval wordt steeds grooter. Met God wordt steeds minder gerekend. De waarheid struikelt op de straten, ook daar waar overigens nog eigengerechtige godsdienst en vroomheid gevonden wordt, omdat men nu eenmaal wars is van de leer der vrije genade om niet. Zwaar drukt de straffende hand des Heeren.

Met nog zwaarder straffen hebben de godsmannen de menschenkinderen van de laatste dagen bedreigd. Oorlogen, hongersnood en pestilentiën zouden nog maar een beginsel der smarten wezen.

Hoe weinig verootmoediging onder al die oordeelen ook onder ons volk I Hoe zullen de oordeelen ophouden ? Dat is schier onmogelijk, tenzij men aan de roepstem om weder te keeren gehoor mocht geven, de zonde verlaten mocht en zich nog tot den Heere zoude bekeeren.

Maar hoe zal een volk in zijn geheel wederkeeren, indien de enkeling niet wederkeert. Daarom komt ook tot u, o menschenkind, eene persoonlijke roepstem om toch weder te keeren.

Bedenk het toch o lezer, ook gij gaat sterven. Uwe vaders waar zijn die ? Vele uwer verwanten, waar zijn ze ? Een wonder mag het heeten, dat gij er nog zijt; dat de dood ook u niet wegrukte. Het is Gods sparende goedheid.

Dat de roepstemmen om weder te keeren nimmer tegen u getuigen mochten, maar u nog tot bekeering leiden ; nog zijt gij in het heden der genade, hetwelk spoedig kan wor den afgesneden.

God laat geen woord vallen, van al wat Hij gesproken heeft. De bezoldiging der zonde is en blijft de dood ; eeuwige zielsverwoesting voor een ieder, die tot God niet wederkeert.

Maar zalig de mensch, die leerde wederkeeren.

De overdenkingswoorden bevatten niet enkel bedreiging maar ook vertroosting.

Keert weder tot Mij, spreekt de Heere der heirscharen, zoo zal Ik weder tot ulieden keeren, zegt de Heere der heirscharen.

Is het de Heere, die den voortijlenden zondaar tegenhoudt en hem tot stilstaan brengt en hem ontdekt aan zonde en schuld, het is ook de Heere, die tot vertroosting wederkeert.

En dan de booze wegen en de booze handelingen ? En dan de bedreigende straffen ?

Hebt gij nooit gelezen.van Hem, van Wien Jesaja zegt, dat de Heere ons aller ongerechtigheid op Hem heeft doen aanloopen ?

Zalig de mensch, die als een hulpelooze door 's Heeren recht verschrikt, smeekend tot Hem wederkeerde, om het te ervaren, dat ook de Heere nog tot den mensch wil wederkeeren, hem niet aanziende in zichzelf, maar in den Zoon van Zijn eeuwig welbehagen, die gekomen is, om verlorenen te genezen van hunne booze wegen en hunne booze handeUngen.

Dat wederkeeren moet plaats grijpen telkens weer opnieuw, zelfs na ontvangene genade. Wie toch zal de afzwervingen tellen ?

 „Wie zal de afdwalingen verstaan. Reinig nlij van mijne verborgene afdwalingen", zoo riep eeuwen geleden de godzalige zanger uit

Zoo blijft 't tot den doodssnik toe. Dan een wederkeeren voor eeuwig; God in Christus met een arm zondaar verzoend.

Dan geen scheiden meer, maar eeuwig verbonden door banden des Geestes.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's