Uit het kerkelijk leven.
De a.s. Classicale Vergadering.
De laatste Woensdag van Juni — dit jaar dus Woensdag 28 Juni a.s. — is de dag van de Classicale Vergadering.
't Is eigenlijk wel een beetje bespottelijk, dat de classis maar ééns per jaar samenkomt. Zijn er dan geen gemeenschappelijke belangen voor de gemeenten in dezelfde classis gelegen ? Ja, natuurlijk wel. Maar zoo zijn nu eenmaal onze kerkelijke manieren. En als de classis dan ééns per jaar samenkomt is het nog niet eens op een wijze, dat het uitkomt dat er classicale belangen zijn. We leven los naast elkaar en een ieder doet wat goed is in zijn eigen oogen. Het eenige wat uitkomt is : we hebben een Classicaal Bestuur en we zijn Synodaal !
Zoo gaat onze Hervormde Kerk er kerkelijk niet op vooruit. Hoe lang zal onze Hervormde Kerk nog in dat keurslijf zitten, dat met haar wezen in strijd is en haar welstand schaadt?
Zou er dit jaar nog iets terecht komen van de plannen tot verandering van de Synode en wat daarmee samenhangt ?
We zullen het hopen.
Woensdag 28 Juni' is het dus Classicale Vergadering.
Dan krijgen we eerst bestuursverkiezingen. Waarbij we hopen, dat zooveel mogelijk nieuw bloed in de besturen komen zal en dan vooral, dat de balans hoe langs hoe meer naar reöhts mag overslaan. Want met rechts is er altijd nog meer te hopen op verbeteringen in den middellijken weg, dan met links. Och, och, wat zitten er toch vreeselijk veel conservatief-liberale elementen in die Besturen en wat zou 't heerlijk zijn, als er eens meer mannen zitting kregen, die weer terug willen naar de oude paden, die zijn naar Gods Woord en in overeenstemming met onze kerkelijke belijdenisschriften. Dat is óók een conservatisme ; maar een vasthouden aan Gods Woord, om zoo in den modernen tijd de Kerk te sturen in wegen die waarlijk tot een zegen kunnen zijn voor land en volk.
Dus aan de bestuursverkiezing wordt overal voldoende aandacht geschonken ? Men houde voeling met geestverwanten, om te kunnen bereiken wat er te bereiken is. Het kan, onder 's Heeren zegen, onze Kerk grootelijks tot zegen worden.
En dan de Synodale wetsvoorstellen waar over het oordeel van de Classicale Vergadering gevraagd wordt.
't Zijn er 6 in getal ; waarvan het eerste zéér onschuldig lijkt, daar het slechts gaat om de verandering van enkele woorden, maar waarmee niets meer of minder dan het vrouwenkiesrecht aan de orde wordt gesteld. Er wordt voorgesteld in art. 3* alinea 1^ Algem. Regl. en in art. 2 alinea 1 van het Synodaal Reglement op de benoeming, het woord „m a n s lidmaten" te vervangen door , ; lidmaten." Wordt dit voorstel aangenomen, dan is het actieve stemrecht aan de vrouwelijke lidmaten toegekend. Dan mogen de vrouwen, met de mannen saam, mee stemmen. Want dan staat er : „Stemgerechtigde lidmaten eener gemeente zijn alle lidmaten, die onder haar ressort wonen, den ouderdom van 23 jaar bereikt hebben enz."
De vrouwen zullen dan ook benoembaar zijn tot leden van het kiescollege. (Zie art. 6 Regl. op de benoeming, waar staat, dat de leden van het kiescollege door en uit de stemgerechtigden, zijnde dan mannen én vrouwen, benoemd moeten worden.
Om nu evenwel af te snijden, dat de vrouwen ook in het ambt kunnen worden gekozen (predikant, ouderling, diaken) heeft de Synode voorgesteld in art. 17 alinea 1 van het Algem. Reglement en in art. 3 alinea 4 van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden het woord „lidmaten" te veranderen in „manslidmaten." De ambtsdragers kunnen dus alleen u i t de mannelijke lidmaten worden gekozen, waartoe de vrouwelijke lidmaten dan mee hun stem mogen uitbrengen als ze lid van het kiescollege zijn.
Men wil dus de dames half toelaten en half buiten de deur houden.
Wij, voor ons, gelooven, dat we in den geest van Gods Woord handelen als we aan de vrouwen niet het stemrecht geven en de vrouwen tot het ambt toelaten, zou heelemaal verkeerd zijn.
Daarom hopen we dat de meerderheid op de Classicale Vergaderingen tegen de wijzigingen van art. 3* Algem. Reglement en art. 2 van het Synodaal .Reglement op de benoeming zullen stemmen. En dat alleen vóór zullen stemmen als eventueel de wijzigingen in art. 17 Algemeen Reglement en art. 3 alinea 4 van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden aan de orde worden gesteld. Eerst dus tegen, omdat we tegen het vrouwenkiesrecht zijn ; en daarna vóór, omdat we vóór de uitsluiting van de vrouw uit het ambt zijn.
Voorstel II handelt over het predikant-Kamerlid zijn en bedoelt door wijziging van art. 3 van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden het mogelijk te maken, dat een predikant die tot lid van een der Kamers der Staten Generaal of van Gedeputeerde Staten gekozen wordt, die benoeming kan aannemen en dan toch niet behoeft te bedanken als predikant. Sinds 1907 — na beruchte verkiezingsdagen — is de bepaling geldig : de predikant die Kamerlid wil worden moet z'n ambt neerleggen. Denk aan ds. Schokking, ds. Van 'der Voort van Zijp, ds. Kruyt.
Men wil 't nu zóó maken, dat men predikant kan blijven, maar onder bepaalde voorwaarden, die bedoelen er voor te vrijwaren, dat de gemeente, waar de predikant staat, verwaarloosd wordt en er op alle manieren schade door lijden zou.
De eerste conditie is, dat de Kerkeraad der Gemeente, waarin de betrokken predikant werkzaam is, daartoe zijn toestemming geve. Deze toestemming mag de Kerkeraad absoluut weigeren, .maar niet absoluut verleenen. Hij mag zijne toestemming alleen verleenen, wanneer aan een der twee volgende voorwaarden is voldaan :
a. dat het mogelijk gemaakt zij, een hulpprediker voor een zekeren tijd te beroepen. Deze beroeping geschiedt op dezelfde wijze als het predikantsberoep ; d.w.z. : waar Kiescollege is door den Kerkeraad, op aanwijzing van het Kiescollege ; waar geen Kiescollege is door den Kerkeraad ;
of wel er moet voldaan worden aan :
b. dat de betrokken predikant belast wordt met bijzondere werkzaamheden en vrijstelling krijgt, geheel of gedeeltelijk, van de gewone ambtswerkzaamheden.
Het Classicaal Bestuur moet toezien, dat aan deze bepalingen, getrouw de hand wordt gehouden. Daarom wordt de toestemming van dat Bestuur voor die regelingen gevraagd
Heel makkelijk zal het dus eventueel nog niet gaan om predikant-Kamerlid tegelijk te zijn. En als het gaat, zal het Kiescollege (of Kerkeraad) een hulpprediker aanwijzen en beroepen, die natuurlijk door den betrokken predikant moet worden betaald.
Wij voor ons zullen tegen deze reglementswijziging stemmen. Want waarlijk die twee zware en beteekenisvolle functies zijn niet te vereenigen. Men moet óf het een óf het ander. En de Kerk zal verstandig doen, om nü deze wijziging niet te aanvaarden, daar de gemeenten er eventueel de dupe van worden.
Voorstel 111 . bevalt ons beter. Men wil het mogelijk maken dat godsdienstonderwijzers, die, b.v. in de veenstreken, een Gemeente hebben gevormd en opgebouwd, in zoo'n nieuwe gemeente als hulpprediker kunnen blijven werken. Het voordeel is dus, dat, als een nieuwe gemeente zelfstandig is geworden, mee door den trouwen arbeid van een godsdienstonderwijzer, die godsdienstonderwijzer niet plaats behoeft te maken voor een dominé, maar als hulpprediker in die zelfstandige gemeente kan blijven werken. Als eisch wordt dan gesteld, dat de godsdienstonderwijzer ten minste 10 jaren in die gemeente werkzaam is geweest. En als hulpprediker zal hij dan bizonderlijk zijn geroepen om in de gemeente den prediikdienst en den herderlijken en catechetischen arbeid te verrichten. Voor den dienst der Sacramenten is hij niet aangesteld (hij mag wèl een huwelijk inzegenen) en kan dus ook niet als dominé beroepen worden naar een andere gemeente.
Wij zullen vóór voorstel III stemmen.
Voorstel IV is vrij onschuldig. Tot nog toe kon en mocht een kerkelijk hoogleeraar niet benoemd worden tot gewoon hoogleeraar of buitengewoon hoogleeraar. Men wil dat nu, onder goedkeuring steeds van de Synode, mogelijk maken. Wil men dus een der kerkelijke hoogleeraren benoemen om in een of andere bijzondere tak van wetenschap onderwijs te geven, b.v. kerkelijke kunst, dan kan men het nu doen. Tenminste als deze wetswijziging aangenomen is.
Voorstel V. De vijfde wijziging stelt den datum, waarop een afschrift van de diaconierekening moet gezonden worden aan het Classicaal Bestuur, vast op een der dagen, vallende vóór den eersten Mei. Tot nu toe stond er : „Uiterlijk twee maanden na vaststelling".
Een vrij onschuldig voorstel dus. Maar toch is het weer een bewijs, dat onze Synodale organisatie in veel opzichten zoo pietpeuterig is. Waarom moeten zulke kleine dingen door zoo'n groot en eerwaardig lichaam worden behandeld ? Kan men dat in eigen d. i. in classicalen kring niet regelen ?
Voorstel VI. De zesde wijziging betreft art. 2 van het reglement op de predikantstractementen. Zooals dit artikel thans luidt, kan geen enkele Gemeente, met uitzondering van die minder dan 100 zielen tellen, een beroep uitbrengen, zoo niet het minimum traktement is gewaarborgd, d. i. f 2500.—. De wijziging wil het mogelijk maken, dat Gemeenten, die deden wat zij konden, maar 't minimum niet bereikten, toch kunnen beroepen. Hiermede hangt samen een wijziging van art. 41 Reglement op de Vacatures.
De verdere wijziging van dit reglement is van louter administratieven aard. Zij beoogt de uitbetaling der predikantstraktementen en kindergelden zoo coulant mogelijk te maken. Nu kan dit bijv., voorzoover het den Raad van Beheer betreft, niet geschieden per giro ; dat zal met deze wijziging wèl mogelijk worden.
De Volkskerk en de gedoopte natie.
Tusschen het Nederlandsche volk en de Ned. Geref. Kerk is onder Gods voorzienig bestel een hechte band gelegd in de 16e eeuw en door den doop werd het Nederlandsche volk met die Gereformeerde Kerk verbonden in de geslachten. Niet de Roomsche, ook niet de Luthersehe of Remonstrant sche Kerk, maar de Gereformeerde Kerk was hier in Nederland d e Kerk. De Geref. Kerken vond men dra overal ; spoedig in geordend kerkelijk leven zich openbarend, naar de beginselen neergelegd in de Dordtsche Kerkenorde van 1619.
Sinds is er veel gebeurd met de Kerk èn met het volk ; vooral in het laatst van de 18de en in het begin van de 19de eeuw. Toch bleef de Herv. of Gereformeerde Kerk nog lang d e Kerk en het Nederlandsche volk bleef in meerderheid met die Kerken verbonden.
Er is kentering gekomen in deze.
Rome zet zich uit. De Geref. Kerken zijn gekomen met de Christ. Gereformeerden daar nu naast. En de Herv. Kerk is aan 't afbrokkelen ; de natie ontvalt haar ; door dat er duizenden zijn die hun lidmaatschap opzeggen ; doordat de kinderen niet meer gedoopt worden ; doordat geen huwelijken meer kerkelijk worden ingezegend, enz.
Wat is de oorzaak in hoofdzaak daarvan ?
De Herv. Kerk vertoont alle kleuren van den regenboog en omsluit allerlei richtingen, met allerlei belijdenissen en beginselverklaringen, met verzaking van Gods Woord en verwaarloozing van 's Heeren geboden.
Dat is haar zonde, haar zwakheid ; haar ondergang straks geheel en al.
En zoo omvat ze nog wel een zéér groot deel van ons volk, dat een gedoopte natie is. Maar het volk verstaat den doop veelszins niet en de Kerk leert het volk zijn doop niet kennen, niet leerende alles wat de gedoopten als discipelen van Jezus hebben te onderhouden naar 't geen Hij geboden heeft (Matth. 28 : 19).
Zoo hebben we nog wel gedoopte Nederlanders. Maar hoe weinigen komen uit als discipelen van den Heere Jezus, ook niet geleerd hebbend wat Hij hun geboden heeft. Noch de ouders, noch de kinderen hebben 't van de Kerk gehoord. De Kerk doopt wel, maar de Kerk leert den doop niet verstaan. Zij zelf bekommert zich als Kerk veelszins niet om deze dingen en zoo bekommeren duizenden die gedoopt zijn, zich natuurlijk óók niet om haar, noch om de dingen van Gods Koninkrijk.
Volkskerk wil de Herv. Kerk zijn, maar zij laat het volk aan zichzelf over en zij verliest hoe langs hoe meer het volk.
Zoo doet zich het feit voor, dat men spreekt van een gedoopte natie, terwijl zij niet is een natie die wandelt in den weg des Heeren naar Zijn Woord. Zij schittert niet uit in het stuk der gehoorzaamheid en der liefde en der dankbaarheid.
En dat moet een gedoopte natie toch. Daartoe moet de Kerk onderwijzen en doopen, opdat het volk den Naam des Heeren zal belijden en zal leven uit Christus. Voor Hem te buigen en Hem van ganscher harte en met alle krachten liefhebbend — dat is de eere van een gedoopte natie.
Maar zoo is het nu onder ons niet. Omdat de Hervormde Kerk, die Volkskerk is, in haar onderwijs tekort is geschoten en wel doopt alles wat in het doophuis ingebracht wordt, maar er zich niet om bekommert of het verbond Gods heilig gehouden wordt en ook niet spreekt van een nieuwe gehoorzaamheid.
Wat de Kerk deed en leerde was niet met kracht ; was niet naar Gods Woord ; was niet uit het geloof en niet uit waarachtige liefde tot God en den naaste.
En zoo is men ook niet gekomen tot de nieuwe gehoorzaamheid, n.l. om dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aan te hangen, te betrouwen en lief te hebben van ganscher harte, van ganschen gemoede en met alle krachten.
Zoo is alles scheef geloopen.
Door de verslapping in de Kerk ; door haar inzinking; door haar ongehoorzaamheid.
Zoo is gekomen de inzinking, de afval, de ongehoorzaamheid der natie.
De Hervormde Kerk, die Volkskerk wil zijn, heeft Gods Woord verworpen, heeft de Gereformeerde Waarheid gehaat, heeft Gods volk benauwd, heeft te vuur en te zwaard vervolgd die voor de eere Gods beefden. En allerlei wind van leer duldde zij. Een Gereformeerde Kerkregeerimg, passend bij het wezen der Gereformeerde Kerk, stond zij tegen. En een anti-Gereformeerde bestuursorganisatie vertroetelde zij.
Dat heeft gevolgen gehad. •
En ja, nog is de meerderheid van ons Nederlandsche volk Protestantsch. Maar hoe ? De meerderheid is niet-Roomsch ; niet-Luthersch ; niet-Remonstrantsch of Doopsgezind. De meerderheid zegt Protestantsch te zijn ; Hervormd met name.
Maar weet men ook wat het is Protestant te zijn ? Dat het iets positiefs is; iets waar men voor is ; om te getuigen van de waarheid, die naar Gods Woord is (protestari pro veritate) ?
De Kerk, met name de Hervormde Kerk, heeft nagelaten dengenen die in haar midden thuis hooren te leeren wat waarheid is ; wat de Schriftuurlijke waarheid is.
En zoo, heeft de Kerk zelf haar eigen protestantsch karakter geweld aangedaan. Zij is zelve ontaard en ontvallen aan het kloeke Gereformeerd-protestantisme, dat zoo helder wist te spreken naar Gods Woord.
Denkt men nu, dat de Heere dat straffeloos kan gedoogen. Hij, Die in den hemel woont en alle dingen ziet en weet?
De Kerk is vervallen en zij wil niet genezen worden.
Het volk is ontadeld. Wee over de Kerk, die het volk in zich wH opnemen door den doop en die de gedoopten wegstoot, loslaat, misleidt, verwaarloost ?
Wee over de Kerk, die'het verbond Gods ontheiligt.
Indien zij zich niet bekeert en haastiglijk wederkeert tot den Heere in den weg Zijns Woords, dan zal een ander haar plaats innemen en haar woonstede zal woest gelaten worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's