De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. En die de harten doorzoekt, weet welke de meening des Geestes zij ; dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. Romeinen 8 vers 26b—27.

De zuchtingen des Geestes.

Heel de wereld waarop wij wonen, schuift weg. Daar is een macht, die haar voortstuwt. Zij nadert met der eeuwen wenteling al meer en meer haar einde. Volkomen in onderwerping aan het Schriftwoord : „de wereld gaat voorbij met al hare begeerlijkheden."

Hierin schuilt ongetwijfeld voor den mensch iets weemoedigs. Alles wat hij ziet, daaronder ook waaraan hij met zooveel kracht vasthoudt, het allerliefste wat hij mint, draagt den stempel der vergankelijkheid aan het voorhoofd. Het is voorbestemd om Ie vergaan. Straks zal er nog wel melding van worden gemaakt, maar dan als behoorend tot het verleden. Het is bijgezet in het graf der eeuwen.

Nu is daar niemand, die mij hierin tegenspreken durft. In dit alles schuilt iets ontzettend-weemoedig"s. Het gansche schepsel is der ijdelheid onderworpen, het staat in dienslbaariheid van het verderf.

Dit draagt de mensch niet gewillig, dat kan niet anders ; dan zouden zijne voeten nooit een Paradijsgrond hebben moeten aanraken. Met al de kracht, welke in hem is, worstelt hij hier tegenin. Zijn vleesch onderwerpt zich niet. Al heeft hij dit proces nu eeuwen achter elkander kunnen aanschouwen, al ziet hij het dagelijks rondom zich plaats grijpen, niet zoodra heeft de doorn hem gewond of hij trekt met een zucht zijn voet tot zich. Hij kan er zich niet mee verzoenen, nimmer er aan gewend raken. Vandaar het zuchten in het algemeen.

Want daar wordt wat gezucht, gesteund en geweend. De vroolijkheid, waartoe de wereld zichzelf telkens nog aanzet, gaat even zoo vaak onder in een dissonant.

We zullen niet schetsen de mogelijkheden waardoor een klachte wordt geboren, 't Is hier een graf dat gedolven werd voor een dierbaren doode, daar een geliefd pand, dat wegkwijnt onder de niet loslatende greep van een verraderlijke ziekte. Ginds waar het hoofd zich buigt onder het leed door menschenhand berokkend, daar, waar eigen aanklacht maar altijd komt aandragen met : ge hebt zelf uw lijden er op gelegd.

O, wat een zuchten.

We zouden aan dit kwaad den naam willen geven van het Schriftwoord : het gansche schepsel tezamen zucht.

Daar is evenwel ook nog een ander klagen, van dit algemeene lijden zeer zeker te onderscheiden. Die door de genade Gods kennis hebben gekregen aan hun eigen schuld, zonde en ongerechtigheid, die de eerstelingen des Oeestes hebben ontvangen, zegt de Apostel, zuchten ook. Zij zuchten in zich zelve.

Dit is wel iet of wat anders, dan wat zoo even genoemd werd. Trilt van de lippen der redelooze schepping eene zucht, omdat het der dienstbaarheid onderworpen werd van het verderf, hier is het een zucht, welke voortkomt, die optrilt uit een ander leven. Hier is het een heimwee, dat vooruit grijpt. Het nieuw-geborene is hier in het lichaam der zonde, in deze aan het verderf onderworpen wereld, niet meer thuis. Het kind verlangt naar het vaderhuis, waar het ongestoord en onbelemmerd de diepste toehoeften van het hart kan uitleven. De zonde knelt, het vleesch houdt tegen, vandaar de verzuchting : „ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? " Het verlangen van den morgen is zoo geheel in tegenspraak met de uitkomst van den avond. Het willen en het volbrengen glijden zóó ieder oogenblik bij elkander langs, dat een zucht te voorschijn springt.

Ziet, dit zuchten naar verlossing, dat uit Gods eigen hand werd ingeplant, dat niet anders dan als Gods werk mag worden aangeduid, verkrijgt straks een heerlijke , oplossing. Maar toch kan de loop daardoor nog wel eens bezwaard zijn. Het stof, door de zonde opgejaagd, kan het uitzicht op den hemel benemen. Ziet, dan is dit zuchten zwaar.

Nu ken ik nog een ander zuchten.

't Is met het zooeven genoemde verwant. Werd hier gesproken van de Kerk des Heeren, van de Bruid op aarde, die de eerstelingen des Geestes had ontvangen, thans willen we beluisteren het zuchten van den Geest Zelven. Hiervan leest ge nu in onzen tekst.

Wjj weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, aldus de bekentenis van den Apostel

O wee, die het meent wèl te kunnen ; bi] wien de gedachte oprijst, dat hij het zóó goed heeft gedaan. Het noodzakelijke, dat de Geest des Heeren den bidder te hulp kome, ontglipt. Vandaar dat een enkel woord van toelichting zeker niet overbodig zal zijn.

Hebt ge wel eens lezer, u ingedacht, waarom de Heere gedurende Zijne omwandelingen vaak heele nachten overbleef in den gebede ?

Ge zegt : dat was de omgang met Zijn hemelschen Vader, dit was het liefste Zijner .ziele. Ge zegt een waarheid, maar zou er ook dit niet aan moeten toegevoegd : het was zoo bitter noodig met het oog op Zijne jongeren. Deze voorbede des Heeren kon niet gemist.

Nu, wat de Heere Zelf deed, toen Hij nog op deze wereld met Zijne discipelen rondwandelde, dat is nu opgedragen, op de schouders gelegd van den Geest, Die met den Pinksterdag werd uitgegoten. Deze woont nu temidden van het volk. Deze daalt in de harten Zijner kinderen en neemt nu deze teedere doch niettemin onontbeerlijke werkzaamheden van Hem over. De Geest des Heeren bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.

Hier zijn op deze wereld zoo velen, die nooit meer bidden. Ze hebben naar hun zeggen, daaraan geen behoefte meer. Zij hebben niets te vragen. Of het waar is, is een andere zaak. Zij laten het zich wijsmaken van den vader der leugenen.. Een vreeselijke toestand. Daar zijn toch' immers ook oogenblikken, dat men in benauwdheid vraagt naar eenige hulp, maar de hulpe des Heiligen Geestes kent men niet, om de eenvoudige reden, dat men vreemd staat tegenover den tweeden Persoon van het Goddelijk Wezen. Men kent den - Heere Jezus niet in Zijne betrekking tot arme zondaren. Ziet, wanneer een zoodanige door een of anderen uitwendigen nood in de engte wordt gedreven, zoo kan het gebeuren, dat hij Gods Naam op de lippen neemt, dat hij voor het oog van de wereld een bidder is geworden, maar in den grond is het er verre vandaan. Als ge het goed beschouwt is het een zoeken naar een uitweg, om uit den nood uit te komen. Wat hij op zijn weg zag geplaatst, als een beletsel om nog verder af te dwalen, zocht hij te ontkomen. Hij wilde weer van God af. Dit is een vreeselijk bidden.

Daar is ook nog een soort menschen, die het woord van den Apostel evenmin verstaan. Zij zijn n.l. altijd gereed. Den gebedsriem hebben zij immer bij de hand. Wanneer ge de zoodanigen eens voorhoudt, wat hier door Paulus wordt gezegd, zoo is een blik van verwondering het antwoord : zouden wij niet weten wat wij bidden zullen ? We weten het zeer wèl.

Wat dunkt u, wie zouden hier dan worden gewenkt, anders, dan dat arme soort bidders, die zich maar telkens weer te beschuidigen hebben van biddeloosheid.

Zij kunnen niet, zij hebben geen woorden, vaak zelfs geen gedachten. Als ge hen vraagt hoe het met hen gelegen is ten opzichte hunner zuchtingen, dan moet zelfs deze bekentenis van de lippen : dit kan ik niet eens zelf, dit wordt in mijn hart gedurende o zooveel tijden en oogenblikken gemist, 'k Schaam mij zoo voor den Heere, en wat er ook bij moet verteld : het maakt mij zoo bedroefd. Immers de gedachte ontspringt hier : zoudt gij onder Gods kinderen wel mogen worden gerekend ? Zoudt ge dan niet beter kunnen bidden ?

Och, als hierin uw levensgang wordt geteekend, zöudt gij dan uw oor niet eens te luisteren leggen ? Hier wordt u een Bidder gewezen. Die het kan. Hij stelt zich tegenover u : mag ik het eens van u overnemen, eens doen voor u ?

De Geest des Heeren bidt met onuitsprekelijke zuchtingen. De zuchtingen, door den Geest in de harten der geloovigen gewrocht, zijn niet om uit te spreken. De tong kan de klanken niet formeeren. Pauilus spreekt er ook van als hij zegt in 2 Corinthe 12, dat hij, opgetrokken zijnde, gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mensch niet geoorloofd is uit te spreken.

Ziet hier, het werk dat de Geest nu doet voor en overneemt van Gods kinderen.

Overziet nu eens dit werk, wat de hemel al niet heeft willen doen voor de kleinen. Daar is een Voorbidder voor den Troon, d.i. onze Heere Jezus Christus, en daar is een Voorbidder, Die Zijne verzuchtingen laat hooren op aarde, d.i. de Heilige Geest. En het voorwerp, waarover dat alles loopt, is de zwakke discipel, die niet bidden kan gelijk het behoort. Hij heeft wel .zuchtingen, maar vaak zoo, dat hij zeggen moet, dat het leven er niet in klopt. Het klimt niet op. En temeer klemt dit alles, wanneer daaraan tijden en oogenblikken zijn voorafgegaan, dat hij het anders heeft gekend. Dat van hem gold gelijk van een Saulus : zie hij bidt. Ge kondet toen zoo recht in uw nooden en behoeften inkomen. Ge wist waarheen te moeten vluchten. Ge voeldet toen de hand des Heeren en dat is nu zoo niet meer.

„Niet meer", zoo klinkt nu de verzuchting. Zou het wel echt werk bij u geweest zijn ?

Ziet, tot de zoodanigen komt nu het Woord des Heeren : de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Hij doet het. De zaligheid hangt nog niet voor het allerkleinste deel aan de zelfwerkzaamheid van het schepsel.

Hoe vindt ge dit, arme en ellendige in u zelven ? Daar stijgt een voortdurend zuchten op voor u. Een, Die macht heeft, Een, Die het weet, voegt Zijne volmaakte gebeden bij uwe gebrekkige, uw kleine zuchten worden gedragen op Zijne hemelbewegende verzuchtingen. Ja, hoe tot in alle deelen dit werk der zaliging af is, blijkt uit onze slotgedachte : Die de harten doorzoekt, d.i. de Heilige God in den hemel, weet welke de meening des Geestes is, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. Daar is niets verborgen, geen enkel kwaad, maar ook geen enkel vezelken van het leven. Als daar ooit een zucht heeft getrild van de hemelsdhe harp, als er ooit een blazen van den Geest in de doodsbeenderen werd gespeurd, als er iets van den hemel ingeplant werd, och, wees dan niet langer bevreesid, want deze Geest is met den Allerheiligste één Wezen. Hij weet wat God wil, omdat Hij Zelf God is. Zij verstaan elkander. Die de harten door zoekt en Die voor de heiligen bidt zijn één Wezen. . ;

Welk een zaligheid schuilt weg in deze waarheid. Als gij, lezer, een voorspraak hadt die slechts eigen gedachten kon weergeven, wien het net ging, zooals het u vaak gaan zal, die onder het opzenden uwer gebeden uwe gedachten zaagt wegvluchten, stond het er droevig voor. Maar, Deze weet wat Hij vraagt, Hij vraagt geheel in overeenstemming met Gods heiligst bedoelen.

Daar staat in onzen tekst: dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. Dat wil zeggen : geheel zooals God het begeert. Daar mankeert niets aan. Hemelsche woorden voor een hemelsche zaak. God moet ontvangen de aanbidding.

Wat dunkt u, zoudt gij het hierop durven wagen ? Wat blijft er voor u met al uwe gebreken over, kinderen Gods ? Alleen dit, dat ge op uwe knieën nederzinkt voor zulk een volmaakt werk.

Nu zouden we in gebreke blijven, wanneer een enkel woord, van waarschuwing achterwege bleef.

Die de harten doorzoekt heeft Zijn kinderen willen troosten. Gij, zoo was de lijn van gedachten, zijt in u zelven zoo zwak, ge kunt zoo slecht vragen dat ge deswege bekommerd zijt.

Dat is met alles wat buiten God en Christus leeft zoo niet. Zij zijn niet ontevreden over zichzelven, niet bezorgd. Weet dit, tot de zoodanigen wordt dit waarschuwend woord gesproken : alle plant, die Mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, wordt uitgeroeid. Ge moet een Voorbidder hebben in den hemel en een Voorbidder op de aarde. Vóór den Troon en in uw hart. Ziet, zoo alleen kan worden verstaan dat er gesproken vvordt van heiligen. Door Christus zijn ze geheiligd. De Geest bewaart hen bij deze genade.

Heerlijk zulk een getrouwe God en Zaligmaker te hebben. Hij sprak eenmaal : Vader, Ik weet, dat Gij mij altijd hoort. Dit geldt voor u, die Hem vreest. Nu de Geest wordt evenzoo altijd verhoord. Leg gij uwe zuchten maar neder.

Laat uw harte gelijken op de Aeolus-harp waarin de Heilige Geest blaze. Hij doet Zijn onuitsprekelijke zuchtingen maar hooren.

Zij daarom uw reislied :

Uit duizend bange vreezen Heeft ons de Heer' gered In liefde .nooit volprezen Geantwoord op 't gebed, Al komen dan de zorgen Ook telkens tot ons weer Daar is gestaag verlossing Bij onzen trouwen Heer'.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's