De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op Kerkelijk Erf

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op Kerkelijk Erf

10 minuten leestijd

XI.

Kerk en Staat.

Een der voornaamste geschilpunten tusschen de kerkelijken en politieken rees omtrent het „begheven van de kerckelycke ambten." Hugo de Groot getuigt zelf van het standpunt der predikanten, die zich „in dese materie pleghen te fonde(e)ren op Godts Woordt, willende daer uyt besluyten, dat de Verkiesinge tot kerckelijcke Ampten toekomt de kerckelijcke, dat is, haer ende de Ouderlingen, die gemeenlijck van haer depende(e)ren." ^)

De Groot maakt daartegen bezwaar. Hij vreest kennelijk een te grooten invloed der predikanten of althans van de kerkelijken in het algemeen blijkens de laatste toevoeging : die gewoonlijk van hen dependeeren (afhankelijk zijn). Doch hij meent bezwaar te kunnen maken tegen den door de predikanten aangewezen weg, wijl hij meent dat die soort van ouderlingen, die in vele Gereformeerde Kerken gebruikt worden, in de Heilige Schrift onbekend is. ^) In ieder geval meent hij, dat de wet van hun verkiezing niet vaststaat. Veeleer acht hij, dat de eenige regel schijnt te zijn : alles te doen met „goede ordre", en tot stichting, naar gelegenheid van tijden en plaatsen. Bij het leven der Apostelen zijn de kerkelijke ambten veelal vergeven door openbaring van den Heiligen Geest, doch bij hun afwezigheid en ook na hun dood» geschiedde de verkiezing veeltijds door de gansche gemeente, zooals dit ook in vele steden van Azië en Griekenland met politieke ambten placht te gebeuren.

Zooals wij zien, ontleent dus deze zegsman de gewoonte van gemeente verkiezing aan hetgeen op publiek terrein werd gevonden. Vervolgens deelt hij mede, dat de Synode van Laodicea deze wijze van verkiezing heeft verboden, zoodat de bisschoppen veelal de dienaren der kerk hebben verkoren, met dien verstande, dat zij hun namen aan de gemeenten voorstelden, om te zien, of iemand eenige reden had om daartegen te spreken. Ook wat de keuze der bisschoppen aangaat wijst hij op de verschillende wijzen waarop die in de practijk is tot stand gekomen en ten slotte beroept hij zich op de historie, sedert de keizers en koningen de Christelijke religie aangenomen hebben, waaruit kan worden geleerd, dat de Vorsten met of zonder Synoden orde hebben gesteld op de kerkelijke zaken en zelfs de ambtsdragers hebben verkozen, zij het dan ook, dat de examinatie en approbatie, het recht van onderzoek en goedkeuring door handoplegging aan de kerkelijke opzieners werd toegekend. De gemeente kon dus een benoeming ook afkeuren.

In het licht van wat omtrent de verhouding van Kerk en Overheid door ons reeds werd naar voren gebracht, springt het vanzelf in het oog, dat het voor iemand, die het recht der Overheid inzake de religie wil vindiceeren, niet moeilijk is zijn stelling door tal van historische voorbeelden toe te lichten. Dooh ook door een veelvuldige toepassing van dit beginsel wordt de juistheid daarvan niet aangetoond, zelfs niet, als ook theologen als getuigen voor de opvatting van de Overheidsrechten volgens Hugo de Groot kunnen worden aangevoerd. Zooals de geschiedenis leert worstelt de Overheidsbemoeiing in de zaken der religie en der Kerk in de heidensche staatsinrichting, zooals wij die vooral in het Romeinsche rijk hebben gezien'. Die dus ook met betrekking tot de Christelijke Kerk de rechten der Overheid wil bepaald zien door de gedachte, dat aan den Staat ook de souvereine macht in de regeling en verzorging der religie toekomt, stelt de Christelijke Kerk op één lijn met alle religie en ontkent haar bijzonder karakter. Juist krachtens haar eigen wezen heeft de Kerk als openbaring van het lichaam van Christus ook een geheel eigen karakter, dat zich behoort uit te spreken in haar ambten en geheel haar regeering. In haar eerste openbaring heeft zij dit dan ook ongetwijfeld tot uiting gebraoht, zoodat het niet aangaat haar daarvan te berooven op grond van latere practijken, die misschien op allerlei gromden kunnen worden verklaard en verdedigd, doch desondanks in strijd blijven met de Schrift.

Dit werd dan ook door de Gereformeerden gezien, zoodat zij reeds in de dagen der Reformatie ook op het gebied der kerkregeering zich moesten verzetten tegen een caesaropapistische kerkregeering, zooals dit uit verschillende handelingen van Kerkvergaderingen blijkt. Hugo de Gioot geeft daar van trouwens zelf getuigenis, zooals-wij zooeven met zijn eigen woonden hebben medegedeeld. Ten spijt van de Reformatie kon hij echter ook in de landen, waar de Hervorming krachtig doorwerkte voorbeelden te over noemen, van de handhaving der z.g.n. souvereine rechten. Ook in de aanstelling van kerkelijke dienaren van wege de Overheid en ook ten onzent meenden de Staten, dat zij daarom geen afstand mochten doen. Zoo schreven zij in 1585 aan den Prins: Dat in ghene Steden ofte Plecken eenighe Collegien ofte Consistorien sullen werden onderhouden dan met advijs, nominatie ende instellinghe van de Staten, ofte van de Magi-straten. ^)

De kerkelijken konden dit standpunt niet aanvaarden, doch wilden „dit heele Recht aan haer trecken : gelijk te sien is, soo bij andere Synoden, als bij de Nationale Synode van den Jare 1586. Dit wil niet zeggen, dat de kerkelijken elke bemoeienis van Staatswege zouden willen uitsluiten, doch zij verzetten zich ten eenenmale tegen een recht der Overheid in de inwendige regeering en regeling der kerkelijke aangelegenheden. Daarom eischten zij de verkiezing der ambtsdragers geheel voor de Kerk zelf op en zulks zeer terecht. Voor de Overheid lieten zij de bevoegdheid om indien er aanleiding mocht wezen de kerkelijke verkiezing van zekere personen te weerspreken, n.l. dat men van haer sou de moghen vernemen of sy des borgherlijken wandels halven eenighe wettelijcke oorsaack hadden te wederspreken. Inderdaad heeft dus Grotius gelijk, als hij zegt, dat daarmede de Overheid geen grooter recht was gegund dan aan ieder gemeentelid toekwam.

Het laat zich dus verstaan, dat de regenten, die meenden, dat zij het recht der benoemingen hadden te handhaven, met zulk een bescheiden deel in' de regeering der Kerk niet konden tevreden zijn en derhalve tegen de Kerkorde van Leicester bepaalden, dat het „recht ende gebruyck nopende het aannemen ende afstellen der kerckendienaren' bij de Overheid zou blijven. Zij deden slechts een enkele concessie aln de kerkelijken, n.l. dat geen kerkedienaren zouden worden aangenomen, zonder dat zij waren onderzocht op leer en leven en daarin , , suyver ende reyn' bevonden waren. ^)

Het ligt voor de hand, dat juist in het benoemen der kerkelijke ambtsbekleeders een zoo voorname uiting van souvereine macht werd gezien, dat de worsteling om de souvereiniteit, eenerzijds van de Kerk om souvereiniteit in eigen kring en anderzijds van de Overheid om te behouden, wat zij meende rechtens te hebben, zich hier op het scherpst moest openbaren. De gedachte van een Kerk, die als zoodanig een gemeenschap is, gansch en al van den Staat onderscheiden, was als het ware nieuw en het streven naar haar verwezenlijking moest dus met name in den geest der regenten tegenstand vinden. En die werd gesterkt door de geleerden, die hen voorlichtten en die zich getrouw achtten aan de historie, zooals wij hebben aangetoond.

De zelfstandige geest van het Calvinisme, dat op grond der Schriftuurlijke conceptie streefde naar de vrije Kerk, zonder te vervallen in de Doopersche dweeperij en zich krachtig te weer stellend tegen eiken vorm van caesaropapie, komt hier des te schooner tot openbaring. De Emdensche Synode van 1571 bepaalde het volgende : Art. 13. De Dienaren des Woorts sullen van den Consistorie met het oordeel ende goet duncken der Classischer versamelinghe, ofte twee ofte drie Ministers uyt de genabuerde Kercken vercooren worden.Vercooren sijnde sullen sy der Ghemeente voorghestelt worden, opdat sy, ofte door stilswijghen der Ghemeente aenghenomen worden, ofte soo daer yet ware daerom die Ghemeente in de Verkiesinghe niet verwillighen en wilde, dat binnen 15 daghen onghevaerlijck voortghebracht werde. Nochtans of eenighe Kercken, daier de Verkiesinghe bij 't Ghemeene volck staet achteden, dat hare ghewoonheyt niet te veranderen en ware, die sullen ghedraghen worden ter tijt toe, dat het door die Alghemeene Syra> dale versamelinghe anders sal verordent zijn. *)

Hieruit blijkt dus duidelijk het beginsel der Gereformeerden, dat de verkiezing der predikanten geheel aan den kerkeraad brengt onder medewerking van Classis of naburige Kerken. Als regel wordt vastgesteld, dat de verkozen dienaar aan de gemeente wordt voorgesteld en zoo er geen klachten inkomen, wordt aangenomen. Naast deze practijk, die dus de voorkeur had verworven, bestond nog een tweede, waarbij de geheele gemeente ter verkiezing opkwam. Deze zou geduld worden tot nadere orde der Algemeene Synode.

Volgens art. 14 van de Synode van Embden, zal men Ouderiingen en Diakenen op dezelfde wijze verkiezen, doch daarbij behoeft niet gevraagd naar het oordeel der Classis. Hierin staat dus de plaatselijke gemeente geheel en al zelfstandig. De Kerkeraad verkiest Ouderlingen en Diakenen, en stelt ze der gemeente voor. ^)

De Dordsche Synode van 1574 hield aan deze beginselen vast, zooals o.a. blijkt uit de handelingen van den 16den Juni, art. 12 en 27, waarbij tevens wordt medegedeeld, dat de broeders besloten dat de verkiezing vart Dienaren door de geheele gemeente moest worden verworpen „om die confusie ende verwerringhe te vermijden, die uit de verkiesinghe des ghemeijnen volx ontstaen mochte." ")

Geheel overeenkomstig deze bepalingen werd ook op de Nationale Synode, eveneens te Dordrecht gehouden in het jaar 1578, de benoeming der Dienaren omschreven : „De benoeminghe der Dienaren sal gheschieden van den 'Kerckenraet, met bijvoeghinghe dor Diaconen ende het oordeel der Classe, soo de selve te samen koemen kan, ende soo niet, van twee ofte dry naestgheseten Dienaren der selver." ")

Ditzelfde artikel bepaalt ook, dat de dienaars aldus beproefd en verkoren zijnde, „sullen der ghereformeerde Overheyt aanghegheven, ende voorts der Ghemeente der tijt van veerthien daghen voorghestelt worden." Hier wordt dus de bevoegdheid van de Overheid, voor zoover zij gereformeerd is, inderdaad ap één lijn gesteld met die der gemeenteleden : zij kan in tijds haar klachten bij den Kerkeraad inzenden.

Merkwaardig is in dit verband ook artikel 8 van hetzelfde hoofdstuk, waarbij de Synode bepaalde, dat ook de dienaren, die aan het Hof van Vorsten of andere Heeren den dienst des Woords bedienen, ordentlick ende wettelick" gelijck andere beroepen zullen worden.

De volgende Nationale Synode die te Middelburg plaats vond in 1581, hield zich omtrent de verkiezing der Dienaren geheel en al aan het bepaalde op de Synode van 1578. Ook de Kerkorde der Nederlandsche Gereformeerde Kerken „ghestelt in den Nationalen Synode, te samen beroepen ende ghehouden bij last van Zijn Excellentie, in 's Graven Haghe den 20 Junii Anno 1586", week daarvan niet af en bepaalde dezelfde bevoegdheid der Overheid als de Synode van 1578. Deze Kerkorde werd provisioneel goedgekeurd door de Staten van Holland, echter onder voorbehoud, zooals wij reeds bij Hugo de Groot hebben gevonden, dat de Overheid omtrent aanstelling en bedanken van kerkelijke dienaren het recht en gebruik van zich handhaaft. »)

Deze moeilijkheden werden in 1591 opgelost door een bemiddelend voorstel, waar bij de verkiezing van de dienaren kwam aan een College van Gedeputeerden voor de helft uit den Kerkeraad en voor de andere helft van de Overheid. Deze weg werd evenmin algemeen, maar bleef een strijdpunt. Zelfs de Synode van 1618 is er niet in geslaagd de verkiezing geheel overeenkomstig de oude acta te bepalen, doch voegt in Artikel 4 van de Dordtsche Kerkorde toe, dat de verkiezing wel geschiedt door den kerkeraad, „doch niet zonder goede correspondentie met de Christelijke Overheid." Dat is derhalve meer dan de eenvoudige approbatie van vroegere Kerkeraden, schoon ook de benoeming als zoodanig voor de consistorie is.

_^

J. S.

1) Verantw. biz. 75. 2) t.a.p. biz. 75, ») Verantw. biz. 78. ') F. L. .Rutgers, Acta, 's Gravenhage 1889, b!z. 61. •"> ) Zie Rutgers t.a.p. biz. 62. ") Zie Rutgers t.a.p. biz. 136. •? ) Zie Rutgers t.a.p. biz. 235. ") Zie Rutgers t.a.p. biz 625

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Op Kerkelijk Erf

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's