Uit het kerkelijk leven.
Ondermijning der Waarheid.
De Kerk is geen disputeergezelschap, waar men saam redeneert en disputeert, om saam zoo te zoeken naar een onbekende godheid en naar een verborgene leer der godzaligheid.
Die zóó de Kerk opvatten beleedigen den God, die Zichzelf heeft geopenbaard en ons door Jezus Christus en de Apostelen is gepredikt.
Die zóó disputeeren en redeneeren verachten en verwerpen Gods Woord. Die zóó de Kerk opvatten staan met hun leervrijheid de ware Evangelieprediking tegen en berooven de vrije en rustige Evangelieprediking van haar glans en van haar lieflijkheid en van haar inhoud.
Die brengen steen voor brood, ondermijnen de Waarheid, verwoesten de Kerk.
Niet hetgeen na 19 eeuwen nog ontdekt moet worden, maar wat de Gemeente des Heeren nu 19 eeuwen als haar erfgoed heeft gekend en erkend moet van kansel tot kansel worden gepredikt: één in geloof, één in doop, één in hoop.
Eén in Hem, die den eenigen Naam draagt onder den hemel tot zaligheid.
Eén in den Christus der Schriften. De Kerk mag niet van een belijdende Kerk tot een zoekende en niet-wetende Kerk gemaakt worden.
Zij heeft als een licht op den kandelaar te staan en als een pilaar en vastigheid der Waarheid in het midden des volks.
Sabbathisme.
Iemand vraagt ons waarom wij den eersten dag der week, den Zondag, vieren als rustdag en niet den zevenden dag, als sabbath, gelijk de Sabbathisten doen. Hij vraagt oï de Sabbathisten eigenlijk niet meer in hun recht staan dan wij, daar we wel in de Schrift een gebod hebben : eert den zevenden dag als sabbath na zes dagen werken, maar in de Schrift komt niet voor het. bevel : rust op den eersten dag der week met uw geziin.
De Sabbathisten roeren zich en gebruiken allerlei groote woorden. Wie den Zaterdag niet als rustdag viert, kan niet zalig worden
Maar hoe wordt de mensch zalig ?
Onder 't oude Verbond moest de mensch er telkens aan herinnerd worden, dat hij met al zijin werken slechts door genade, door een' offer, door een Verlosser en Plaats bekleeder kon zalig worden. Hij leefde onder de Wet en de Wet joeg hem voort van dag tot dag, om op het eind van de werkweek bij het altaar uit te zien naar het Lam Gods, dat tot verzoening Zijn bloed zou uitstorten en vrede geven zou aan al de Zijnen.
In het graf van den Heiland is die rustdag der schepping en des werkverbonds geëindigd. En toen is bij het geopende graf aan den morgen van den eersten dag der week een nieuwe bedeeling begonnen. En daar heeft de Christelijke Kerk haar Rustdag geproclameerd.
Zoo staat de Kerk des Nieuwen Testaments met haar Christelijken rustdag, zijnde de eer ste dag der week, de dag van Jezus' opstanding uit de dooden, als het symbool van herstelde rust.
De Christelijke Kerk heeft den grooten, den beteekenisvollen Rustdag. De dag des vredes, door het geloof in' Jezus Christus.
Komt dus op den zevenden dag, na al ons werken, de vloek der-wet op ons af, om ons uit te drijven tot Christus, op den eersten dag der week komt de prediking : zoo is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn.
Dat is de Rustdag ; de Vredesdag. Daar is de wijnstok, de levensboom, onder welks schaduw ruste is voor het volk van God.
De blik mag voorwaarts zijn op den eersten dag der week om Christus' wil en met een voorsmaak in het harte is die dag de profetie van den grooten en eeuwigen Rustdag die Boven is voor al de gezaligden. Op dien Nieuw Testamentischen Nebo is er een inblikken in het hemelsch Kanaan. Dan zien Gods kinderen Jezus Christus met eere en heerlijkheid gekroond. En — er blijft een ruste over voor het volk van God !
Neen, wij geven den Christelijken rustdag niet prijs voor allerlei eenzijdige, wettische redeneeringen der Sabbathisten.
Wij doen zooals de discipelen aanstonds na Christus' opstanding begonnen te doen : wij eeren den eersten dag der week als den dag des Heeren, den dag des levens, 'den dag van blijde hope.
En gelijk we in het Nieuwe Testament lezen, dat men op den eersten dag der week samenkwam, omdat Jezus op dien dag was opgestaan en aan Zijn discipelen wilde verschijnen, zoo doen ook wij met héél de Christelijke Kerk van alle landen, in Duitschland, Engeland, Frankrijk, Amerika, ja, overal waar de Heere Zijn Kerk vergadert en vrede schenken wil door het geloof in Jezus Christus.
Dit is de dag dien de Heere gemaakt heeft. De dag des Heeren. Dan moeten we tot de gemeente komen, tot den dienst des Woords, der gebeden en der Sacramenten. Dan ook moet bij voorkeur Christelijke handreiking worden gedaan. En dan moeten we den Heere door Zijn Geest in ons laten werken en alzoo den eeuwigen sabbath in dit leven aanvangen.
Laat ons dan in het voetspoor van de discipelen en van de eerste Christengemeenten wandelen en rusten op den eersten dag der week. Zie o.a. Matth. 28 : 1 ; Luc. 24 : 36 ; Joh. 20 : 19, 26 ; Hand. 2 : 1 (de dag van het Pinksterfeest was de eerste dag, zie Lev. 23 : 15 en dus is ook de Heilige Geest uitgestort op den eersten dag der week, evenals Jezus op den eersten dag der week uit het graf is opgestaan) Hand. 20 : 7 ; 1 Cor. 16:2; Openb.1 : 10.
Zooals 't Avondmaal voor den Paaschmaaltijd en zooals de Doop voor de besnijdenis in de plaats gekomen is, zoo is de eerste dag der week als rustdag gekomen in Christus' Kerk in de plaats van den Oud-Testamentischen zevenden dag.
Zij 't ook voor ons, door Gods genade, een onderpand van de eeuwige ruste, welke er overblijft voor het volk van God, dat alle gerechtigheid en vreugd kent in Jezus Christus, den grooten Silo, Die zegt : Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven.
Een eisch aan de Kerk gesteld.
Is het voor de derde maal dat een wereldcrisis nu is gekomen ? Eerst bij het indragen van het Evangelie van Jezus Christus in de wereld, waardoor de gedaante der wereld is veranderd ; toen bij de Reformatie, waardoor het wereldaspect is gewijzigd en nu, na de oorlogsjaren, nu er weer nieuwe dingen naar voren dringen, om de wereld iets nieuws te brengen ? Dan mag de Kerk, en in ons land met name de Hervormde Kerk, wel acht geven.
En is het dan zoo verkeerd gezien van de Gereformeerden, dat zij vragen dat ophouden zal die allerellendigste leervrijheid in de practijk ; wel door de kerkelijke wet verboden doch helaas ! tegelijk met opzet in de hand gewerkt?
Is het zoo dwaas, dat de Gereformeerden niet zwijgen en aldoor betoogen, dat, zal de Ned. Herv. Kerk den crisistijd kunnen doormaken en nog, een belangrijke rol spelen in het midden van ons volksleven, die Kerk zelve zal moeten staan op het fundament der apostelen en profeten ?
Ja, dat is de eerste eisch aan de Herv. Kerk te stellen, juist nu in dezen crisistijd, dat zij zal leven uit en zal handhaven ook, die waarheden, die gansch de Schrift door, als de grondslag, de pit en het merg der goddelijke openbaring aan een afgevallen menschengeslacht, worden voorgesteld. Die waarheden, waarbij de Patriarchen, Profeten en Apostelen hebben geleefd. Die waarheden, die de gansche Christenheid van alle plaatsen, daarna lief zijn geweest. Die waarheden, die de ziel en het leven hebben uitgemaakt der groote beweging in de 16de eeuw. Die waarheden, die nog steeds begeerd worden door al het Gereformeerde volk, als zijnde naar Gods Woord, dat eeuwig zeker is.
Veel moet gewijzigd worden in ons Hervormd kerkelijk leven.
Maar alles houdt verband met die goddelijke, heerlijke, onveranderlijke Waarheden, van ouds in haar Confessie zoo kloek beleden, in haar Catechismus zoo buitengewoon fijn en schoon uitgestald, in de Leerregels van Dordt daarna manmoedig verdedigd en gehandhaafd.
Kerk, keer terug tot het belijden, tot het beleven, tot het prediken, tot het verdedigen en handhaven van die waarheden en gij zult sterk staan in dezen crisistijd en land en volk iets goeds kunnen brengen in 's Heeren Naam.
Maar zoo niet — uw plaats zal woest worden en eem ander zal uw plaats innemen gaan.
Nog eens : de Doopsbediening.
Wat wordt er toch dikwijls geredetwist over dingen waarin men het, als 't er op aankomt, eigenlijk met elkaar eens is. Maar men vat de zaak ieder dan van een anderen kant aan en holt in z'n redeneeringen maar door, om zoo te maken dat men mijlen ver van eikaar komt te staan.
Zoo met de kwestie van de Doopsbediening in onze Herv. Kerk waarover wij schreven en waarover ds. Lingbeek ons capittelt.
Ds. Lingbeek bindt zich zelf een blinddoek voor de oogen.
Want hij weet — moet althans weten — hoe de kerkelijke toestanden onder ons zijn. Door de ongelukkige regeering der Kerk, die wij hebben ; het gemis van het volle ambtelijk werk; het ontbreken van kerkelijk handelen overeenkomstig Gods Woord, moet de toestand wel treurig zijn, van geslacht tot geslacht.
De tucht, de geestelijke, gezonde tucht ontbreekt onder ons. Over leeraars en gemeenteleden is geen tucht. En zoo ligt alles kris kras door elkaar. De leeraars zijn vrij in hun evangelie-prediking — want hoewel wettelijk gebonden beschermt de wet de grootste bandeloosheid ! — en de gemeenteleden krioelen door elkaar met hun geloofsovertuigingen 'Of hun ongeloofstheorieen of hun totale onbekendheid met en onverschilligheid voor de geestelijke dingen ; dikwijls van geslacht tot geslacht zich met woord en daad als ongeloovigen en goddeloozen openbarend.
De Kerk zwijgt tegenover de leeraars.
De Kerk zwijgt tegenover de leden der gemeente. Behoudens misschien bij een enkele bizondere aangelegenheid.
En daar staat de doopsbediening midden in. Bediend door leeraars, die misschien het formulier niet lezen, de vragen niet stellen en noodgedwongen de Bijbelsche doopsformule gebruiken.
En bediend aan de kinderen van die ouders, die krachtens woorden en daden, door de Kerk niet als geloovigen mochten worden aangesproken ; ja, al sinds lang ernstig hadden moeten worden vermaand ; en bij volstandige ongehoorzaamheid gecensureerd hadden moeten worden.
Het eerlijk belijdenis doen en erkennen van de waarheid — voorwerpelijk genomen •— ontbreekt met de daad.
En dat weet men. Dat ziet men.
Dat weet men van leeraars; dat weet men van gemeenteleden, die keer op keer als geloovige doopouders — voorwerpelijk genomen — worden toegesproken en behandeld.
Wij zeggen deze dingen niet voor ons plezier. We zeggen het niet graag, omdat we de Herv. Kerk lief hebben, ten spijt van al haar gebreken en zonden.
Maar dat de ziele van velen er telkens op reageert en dat we gaan spïeken van ontheiliging van Gods Verbond en dat we dat doen met een schreeuw, om te roepen om ingrijpende, principieele veranderingen wat ons kerkelijk leven betreft, is het wel zoo vreeselijk in ons te laken en moet men zich daarover zoo boos maken ?
Moeten we ons zelf maar weer een blinddoek voorbinden en moeten we maar blijven schrijven en spreken over de Volkskerk en over ik weet niet wat nog meer, om den schijn te wekken, dat het met onze doopsbediening eigenlijk aardig in orde is ?
Al deze dingen kunnen slechts bevorderen dat men links voortdut en wegzinkt en aan de Kerk ontvalt ; terwijl men rechts elkaar klop gevend voor eigen oogen aanschouwt, dat er honderden heengaan, heengaan naar alle kanten, naar secten, naar de Geref. Kerk, naar de Chr. Geref. Kerk enz.
Dat we het saam mochten bekennen, dat er gevaar, groot gevaar dreigt en dat we saam mochten ijveren, in 's Heeren kracht, naar Zijn Woord, om te komen tot verandering en verbetering ; tot een algeheele reformatie, opdat de Herv. (Geref.) Kerk weer kwam te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid in het midden van ons volk.
De Vrijzinnig Hervormden.
De Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden heeft dezer dagen haar jaarvergadering gehouden te Leeuwarden en uit het breed verslag in de N.R. Courant blijkt, dat het met de Vrijzinnige actie in het midden van de Hervormde Kerk nu juist niet zoo heel voorspoedig gaat. - Er zit geen groei in, blijkbaar.
't Begon al met die mismoedige ontboezeming bij de avondsamenkomst in de Groote Kerk te Leeuwarden, toen de heer Eisma van Bolsward wees op den achteruitgang van het kerkbezoek en zei : „Ware men in onze kringen niet zoo onverschillig voor kerkgang, dan zou het er met de positie der Vrijizinnigen in onze Kerk ook veel beter voorstaan."
Den volgenden dag deed de secretaris op de vergadering verslag van den toestand der Vereeniging. En dat ziet er nog niet zoo kwaad uit. Want tot de Vereeniging worden gerekend 164 gemeenten, 14 kerkvoogdijen, 30 kerkeraden, 130 af deelingen, 28 correspondentschappen, 2 afdeelingen van den Prot. Bond en 4 vrije Vereenigingen.
Een mooie organisatie ! Onze Gereformeerde Bond kan er een voonbeeld aan nemen ! Het aantal leden der Vereeniging bedraagt 850. Dat zou men nu anders verwachten. Want als al die gemeenten en afdeelingen er elk een paar geven, heeft men al gauw een aardig getal. En daarom, dat valt tegen. De organisatie is mooi, maar de inhoud kon beter zijn !
Ook met het Weekblad staat het niet zoo gunstig. 130 afdeelingen kunnen nog geen 1300 abonné's aanbrengen. Het getal is maar 1172 en „nam een weinig af", zegt het verslag. „De financiëele toestand van het Weekblad is niet gunstig", wordt verder mee gedeeld. En we dachten, dat het weekblad zoo'n reuzen-verzameling advertenties had week aan week. Vrijzinnige doodkistenmakers en vrijzinnige zilversmeden en vrijzinnige koekfabrikanten en vrijzinnige logementhouders adverteeren er bij hoopjes in ! Betalen die dan niet ? IJdel vertoon ?
Eigenlijk hebben wij er niets mee te maken. Maar het verslag doet ons die vragen aan de hand. Want we lezen verder : „Over de colportage voor advertenties ontstaat eenige discussie. Men begrijpt niet, waarom er zoo weinig baten voor het Weekblad overblijven."
Heel leuk volgt dan : „De voorzitter geeft inlichtingen."
Welke ? Ja, dat vermeldt de historie niet. Vervolgens wordt over de Studiekas gesproken. Ook al niet rooskleurig. „De Studiekas gaat langzaam achteruit. Er komen weinig giften en collectes."
Da's niet zoo heel mooi.
Maar er is toch nog eéh batig saldo van ongeveer f 450.—. Dan zullen de uitgaven zeker ook niet zoo heel royaal zijn. Weinig ontvangen en dan nog over houden — dat geeft minder dan weinig uitgeven.
Er worden toch 14 studenten en 2 gymnasiasten gesteund. Maar dan komt weer een klacht: „Slechts één nieuwe aanvrage kwam in."
Geen animo om Vrijzinnig Hervormd predikant te worden ?
We kunnen het begrijpen. Vooral als we het mooie berichtje lezen uit 's Gravenzande inzake de ervaringen aldaar van den modernen dominé Post, van Rijswijk (Z.H.) „Ware men in onze kringen niet zoo onverschillig, dan zouden er wel meer menschen dan stoelen en banken ter kerk komen" — zou de heer Eisma kunnen zeggen. Maar men is nu eenmaal in vrijzinnige kringen onverschillig voor kerkgang.
En dat maakt de positie voor de vrijzinnigen, die niets positiefs hebben en altijd met het negatievekomen, ook zoo hopeloos zwak in het midden van onze belijdende Kerk
. Men wil zich kunstmatig nog wat op de been houden. Dat blijkt uit wat verder in het verslag Citaat. Er zijn , bedreigde classes" ; d.w.z. classes waar de macht van de vrijzinnigen ondergaat, dikwijls door laksheid van de modernen, maar ook soms door dat de modernen zelf mee werken om in de plaats van een vrijzinnig predikant een orthodoxen dominé te krijgen. Dan is er tenminste kans, dat de gemeente er weer wat boven op komt !
Zulke „bedreigde classes" zijn voor de „georganiseerde" vrijzinnig Hervormden 'n stuk levenssmart. Is er niets aan te doen, om die „bedreigde classes" nog te redden ?
Ja. En wel dit middel — onlangs uitgevonden en in het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden gepubliceerd — dat vrijzinnige candidaten en predikanten het beroep moeten aannemen naar gemeenten in „bedreigde classes." En een commissie zou er voor benoemd worden, om den dominé's en den candidaten die beroepen werden, daaromtrent instructies te geven.
Wel aardig bedacht.
-Men zou de dominé's en de candidaten we! „sturen." De commissie zou er voor zorgen. Roma locuta, causa finita : Als Rome gesproken heeft, is de zaak uit !
Maar, ja wel. Wat zegt nu het verslag ? , , 't Plan schijnt mooi. Maar er zijn bezwaren." Kijk, dat hadden we nu heelemaal niet gedacht. Men moet voor de goede zaak toch wat over hebben ? En wie zou nu niet een beroep willen aannemen om een classis te redden ?
Doch er schijnen werkelijk bezwaren te zijn.
„'t Is reeds eerder (om N.-Holland, Groningen, Friesland, Drenthe te redden!) in deze richting geprobeerd. Echter zonder resultaat. Ook zou zulk een commissie weinig gezag hebben. Ze kan toch een predikant niet ergens heen zenden. Bovendien is te vreezen, dat het kerkgevoel (wat raar gevoel mag dat zijn ? ) bij de meeste predikanten niet sterk genoeg is, om alleen ten bate van zijn stem in de Classicale Vergadering naar een plaats te gaan die hem overigens niet aanlokt."
Dat kunnen we begrijpen.
Om een beroep aan te nemen naar een gemeente, om enkel op den laatsten Woensdag van Juni een stem uit te brengen op een modern collega ter verkiezing in een Classicaal Bestuur — 't zou gekkenwerk zijn. Als men zóó dominé moet zijn en als zóó gemeente en predikant bij elkaar moeten komen en als men zóó de classis en daardoor de Kerk redden moet — nu, laat men dan liever boomkweeker worden. Of voor een spaarkas werken. Dat is prettiger arbeid waarschijnlijk, dan zóó modern dominé te zijn !
Zooals we boven reeds zeiden, ten opzichte van de actie der Vrijzinnig Hervormden zijn de berichten nu niet bepaald moedgevend voor hen. De fut gaat er een beetje uit. En de tegenwoordige omstandigheden in onze Hervormde Kerk maken 't niet beter voor hen. Ze verdwijnen straks. Aan hen is niet de toekomst in onze Hervormde Kerk...
En ónze roeping ?
Te werken als het zuurdeeg, stil en gestaag. Zóó zullen alle maten meels straks de werking van het zuurdeeg ondergaan. Ook in N.-Holland, in Friesland, in Drenthe, in Limburg
Intusschen is dr. C. J. Niemeyer als voorzitter van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden afgetreden en men heeft hem een mooi diploma meegegeven. Van 1905— 1914 is hij voorzitter geweest van het Centraal Comité der Vrijz. Hervormden. Van 1914—1922 is hij voorzitter van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden geweest en van 1907—1921 is hij hoofdredacteur van het Weekblad geweest.
En mooie staat van dienst en wel een diploma waard!
De redactie van het Weekblad is nu in handen van dr. Iterson van Nijmegen en dr. Bleeker van Dronrijp.
Tot voorzitter van de Vereeniging is benoemd dr. B. ter Haar, tot voor ikorten tijd rector van het Gymnasium te Delft en uit den aard der zaak ons dus niet heelemaal onbekend.
Met 30 van de 31 stemmen is hij tot voorzitter gekozen. Mooier kan het al niet. Een pracht begin !
Voordat we van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden afscheid nemen, moeten we nog vermelden, dat de Vrijzinnige geloofsbelijdenis, door dr. Niemeyer ontworpen, door de vergadering niet is geaccepteerd. Van alle kanten viel men dit stuk aan en hoewel de voorzitter er op stond, dat het in stemming zou worden gebracht, is er een motie aangenomen, om deze „beginselverklaring" op zij te leggen.
Men is bang voor een belijdenis en voor dogma's.
En zoo gaat men zonder belijdenis en zonder dogma's verder.
Met dr. B. ter Haar aan 't hoofd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's