Op Kerkelijk Erf
Kerk en Staat.
XII
Kerk en Staat. In het voorafgaande werd aangetoond, dat de Overheid op principieele gronden recht meende te hebben om de kerkelijke ambtsdragers te benoemen, terwijl de kerkelijken haar dit recht eveneens uit kracht van beginsel moesten ontzeggen. Toch is ook in dezen beginselstrijd een factor werkzaam geweest, die de overheid kan hebben versterkt en de kerkelijken verzwakt .l. de quaestie van de geestelijke goederen. mmers vele van deze goederen waren steeds onder den vroegeren toestand, laat ons zeggen in den Roomschen tijd, wat het vruchtgebruik aangaat, bestemd voor godsienstig gebruik en werden daartoe door zekere colleges b.v. van kerkvoogden beheerd, waarin soms ook de pastoor zitting had. Het spreekt vanzelf, dat aan verschilende goederen een nieuwe bestemming moest worden verleend tengevolge van de Reformatie. Men denke b.v. aan kloosters en kloostergoederen, die als zoodanig niet werden gehandhaafd in de gereformeerde religie. Ook heeft men zich in te denken, dat in den tijd van overgang niet al het oude verdween, doch, dat de beheerscolleges hun rechten niet plotseling lieten varen en veelal kerkvoogden, rentmeesters en administrateurs bleven. Bovendien bestonden er zoovele voorrechten en privilegiën van Vorsten en Heeren, ambachtsheerlijke rechten edg., waaraan men gehecht was en vasthield, zoodat nog in den tegenwoordigen tijd daaran de kenteekenen en overblijfselen worden aangetroffen, zooals blijkt in rechten van collatie en electie.
En het bepalen van de nieuwe bestemming èn die verschillende rechten brachten dus de overheidsbemoeiing met zich mede niet alleen in de aanstelling, maar ook in de onderhouding van de predikanten, althans in de beschikking van de gelden daar voor, in zooverre die uit de geestelijke goederen voortvloeiden.
Over de bestemming der geestelijke goederen in het algemeen zijn de kerkelijken zich zeer wel bewust geweest. De Haagsche acta van 1568 zijn niet onzeker. Art. 22 van de „Instructiën van de ter Synode gedeputeerden" luidt als volgt : „Ende dewijle het meer dan reddick is dat de Dienaren des Woordts • eerlick onderhouden weerden, waertoe de kercklicke goederen nominatelicken gegheven ende gedestineert zijn, soo wort eendrachtlicken bij den kercken van alle provinciën geproponeert, dat de stipendia der Dienaren daerop sy met haere . familiën qualick konnen doorkomen verbetert mochten worden, al waer in int particulier te bedencken sullen sijn de walsche kercken in dese landen verstroyt, Item de kercken van Arnhem ende Sluys, Item dat versorgt worden de Oude, vervolgde, ende gebreckelicke Dienaren, als oock de weduwen ende weesen der afgestorven Dienaren". 1)
Dit beteekent allerminst, dat men het onderhoud op de kerkelijke goederen liet aankomen, zonder de gemeente daarvoor verantwoordelijk te stellen. Integendeel, juist de oudste acta schijnen inzonderheid op de roeping der gemeente gewezen te hebben en naast de diakenen zocht men een college van uitgelezen mannen des geloofs te belasten met de zorg voor de verzameling van het onderhoud der Dienaren en van wat verder voor den dienst des Woords noodig was. (Wezdsche Artikelen, van de diakenen art. 12.) De Synode van Embden van 1571 bepaalde zelf, dat behoeftige gemeenten, die haar Dienaar niet konden onderhouden, daarin moesten worden ondersteund door naburige kerken. (Art. 40). Herhaaldelijk wordt er in de kerkelijke vergaderingen trouwens op gewezen, dat de gemeente gehouden is haar Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, doch niet minder veelvuldig zijn de klachten omtrent deze aangelegenheid. Die in de kerkelijke actie geen onbekende is, weet dat ook de Kerk der vaderen haar roeping in dit opzicht slechts matig heeft verstaan.
Reeds om deze reden werd wellicht het oog gericht op de kerkelijke goederen en overigens zeer terecht, doch ook hierdoor werd de Overheid gemoeid in de kerkelijke zaken. Uit de Acta der Dordtsche Synode van 1574 blijkt dat Taffinus met den Prins heeft gehandeld over de onderhouding der Dienaren „ende goede hope ghecreghen heeft." - ) Door bemiddeling van denzelfden Taffinus en zijn broeder werd de hulp van den Prins ingeroepen om onderhoud van den Dienaar van Tergouw te verkrijgen op den Rentmeester van de Regulieren.
De nood drong en ook in dezen weg werd geen voldoende voorziening getroffen, aangezien de goederen niet steeds behooriijk werden beheerd en aan hun bestemming dienstbaar gemaakt, veelal ook door partijstrijd en godsdienstige onverschilligheid Droef is het beeld, dat ons wordt geschilderd in de Acta van de Dordtsche Synode van 1574. Wij laten het geheel hier volgen, zooals de Classis van Voorne, Putten en Overflakkee het geeft :
„Op dat Gods woordt loape ende onverhindert sijnen wasdom oft vruchtbaerheyt vercrijge, 1st ten Eersten noodich seecker ordene te houden int seynden beroepen ende onderhouden der Predicanten ende wat sulcks aencleeft. Want wij vinden in onse Classe (gelijck wij vermoeden dattet oock op veel andere plaetsen generalick geschiet) dat die Dienaers der Kercken qualick onder houden synde in grooten armoede leven, haer weduwen ende kinderen nae hen overlijden desolatdick blijven sitten. Wij sien dat die vrome Dienaers in peryckd staen om met schande uit haren dienst gestooten ofte andersints uitgehongert te werden, soe datse van noodtswegen moeten verloopen ende den huyrlingen ende buyckerts plaetse geven. Dat men oock veel Kercken daer den dienst des Woordts noodich is woest vindt leggen, waer door alle vervremdinge van
Godsdyenst, godloovicheyt ende vleyschelicke wulpsheyt is wassende. Dat de omleggende Kercken malcanderen gheen hulp int besorgen des Kerckelicken dyentes en connen bewijsen. Men can oock het 40 aitikel des Embdischen Synodi (zie boven) nyet te pas brengen om dusdaniger saecken wille. Welcke dyngen alletesamen uit dese fonteyne spruten datmen de voedinge der Predicanten soecken moet bij den ghenen die vianden Gods ende syns Woordts syn, Libertinen, Hoereerders ende Dronckaerts syn, Ende haer recht van Predicanten aen te nemen ende af te stellen sonder advys van eenige andere Kercken aenveerden ende eygentlicken toeschrijven. Wert gevraecht wal remedie datmen hier toe vinden sal." Wijze van beroepen en onderhouden worden hier alzoo scherp veroordeeld. Over het eerste is reeds in het voorafgaande genoegzaam gesproken, doch het tweede dient ditmaal nog nader beschouwd. De klacht van de Classis Voorne etc, bewijst, hoezeer de gemeenten nalatig waren, doch tevens zien wij hierin, dat ook de afhankelijkheid van beheerders, die kerkelijk onverschillig waren, als een oorzaak van het kwaad wordt aangemerkt. Immers men moest de voeding der predikanten zoeken bij vijanden Gods. Het beheer was niet in goede handen. Ook op de Synode van Middelburg is hieromtrent gehandeld, naar aanleiding van een vraag van Overijssel o.a. : Of het niet goed zou zijn bij de generale staten aan te houden, dat de geestelijke goederen in een bijzondere rentmeesterschap gebracht en „ad usus ecclesiasticos" behouden worden, n.l. tot onderhoud der dienaren des Woords, kosters, kerkenlasten, scholen, studenten, armen, weduwen en weezen en andere behoeftige personen. '-')
Hierop werd besloten om een request in te zenden bij den Prins en Van Aldegonde om de geestelijke goederen tot het rechte gebruik te brengen. De gelden die er waren werden dus niet gebruikt voor het doel, waartoe zij eens werden geschonken , n.l. tot „vroom gebruik" en de vraag om die goederen onder een bijzondere administratie te stellen, bevestigt de klachten over het beheer, dat vaak in handen was van menschen, die , vijanden ende spotters" werden geacht van predikanten en religie. Tengevolge van het wanbeheer door Kerkmeesters en officieren (d.w.z. Overheidsambtenaren) kwamen Kerken, pastorieën en schoolgebouwen in verval en werden niet zelden misbruikt tot „perdestallen, soldaten, ende Vagabunden Logisen."
Men zocht derhalve recht bij de Overheid, schoon ook deze te worstelen had met allerlei privilegiën en voorrechten van derden. Deze verwikkelingen, alsook verschillende kerkelijke en publieke aangelegenheden als de openbare zedelijkheid, de regeling van 't huwelijk, de viering van Zonen feestdagen brachten voortdurend onderhandelingen van Kerk en Overheid mede, die de inmenging van deze ook in kerkelijke zaken zeer heeft bevorderd. De Kerkelijken eischten daarbij een bescherming van Overheidswege, die veel verder ging dan overeenkwam met een werkelijk vrije Kerk en de Overheid hield vast aan haar souvereine rechten, die naar de voorstellingen van den tijd ook over de religie gingen. Wederzijdsche belangen kwamen hierbij in voortdurend conflict. Wel streefden de Gereformeerden naar vrijheid op kerkelijk erf, vrijheid in de kerkelijke vergaderingen en hun samenstelling en samenroeping, vrijheid in het stellen van een Kerkorde naar de beginselen van de belijdenis, doch zij verlangden daarbij een bescherming van de Overheid, die niet alleen de rechtspositie der Kerk regelde als openbaar lichaam, maar ook haar verordeningen door een sterken arm zou handhaven. De Overheid gevoelde zich hiertoe weinig geroepen en wilde in stede van dienaresse der Kerk eer haar souverein zijn en haar beschouwen als een instituut voor maatschappelijk belang.
In den nood der tijden en door de heerschende verwarring van denkbeelden en tijdsomstandigheden, kwam het niet tot afdoende maatregelen en helderheid van inzicht. Wij zagen reeds vroeger, dat ook de Dordtsche Synode aan de Overheid een plaats moest laten, waartoe de Gereformeerden niet genegen waren. Behalve den invloed op de keuze der predikanten, moest zij goedkeuren, dat de vroedschap haar vertegenwoordigers zond in den Kerkeraad, indien zij zulks verkoos, om aan te hooren en mede te delibereeren. (Dordtsche Kerkorde, Art. 37). Allerminst kwam het tot een nieuwe regeling der administratie van de kerkelijke goederen, waaraan zoo zeer de behoefte werd gevoeld. Gewestelijke verdeeldheid , partijzucht, rechten en heerlijkheden stonden daaraan in den weg. Tot op heden bleef de quaestie der kerkelijke goederen hangende en een vorm van beheer in stand, die nog steeds om verbetering vraagt. Nog bleef ook een verbond van Kerk en Staat, dat mede ontstaan tengevolge van financiëele verhoudingen, niet past aan een vrije Kerk en met de zaak van het beheer der goederen remmend werkt voor de oplossing van het kerkelijk vraagstuk.
In het huidig kerkelijk leven heeft de hernieuwde klacht, dat de gemeenten haar roeping ten opzichte van het onderhoud der predikanten verzaakt hebben, onder den druk der tijden ook deze oude quaestiën opnieuw in het licht gesteld, niet het minst door de poging der Synode om verbetering in den toestand te brengen op een wijze. die velen om allerlei oorzaak niet begeeren.Voor de Gereformeerden wordt de regeling der Synode naast de technische bezwaren, die haar aankleven, vooral door principieele bezwaren gedrukt. Schoon de klacht van oude tijden, niet ten onrechte vaak, werd vernieuwd ook in onze dagen, zonder ook de rechten prijs te geven op de kerkelijke goederen, die tot den dienst des Woords zijn gedestineerd, blijft de oude regel spreken en het dient ook met allen nadruk herhaald, dat de verzorging der predikanten is aan de plaatselijke gemeente.
Van ouds is daarop door de vaderen gewezen en wanneer een gemeente in gebreke bleef , door armoede gedrongen, waren naburige kerken verplicht haar te ondersteunen, volgens het besluit van Embden. Kon dit niet of was de gemeente onwillig, zoo was het aan de Classis om de zaak te onderzoeken en zoo noodig en gewenscht den Dienaar des Woords te verplaatsen.'*) En niet ^alleen den Dienaar, die diende. maar ook den uitgediende heeft de gemeente te verzorgen. De Haagsche Kerkorde van 1586 bepaalde daaromtrent het volgende in art. 11 : „So het gheschiet dat eenighe Dienaers door ouderdom, sieckte ofte andersins onbequaam worden tot oeffeninghe hares Dienstes, soo sullen sy nochtans des niet te min de eere ende den name eens Dienaers behouden, ende van die Kercke die sy ghedient hebben, eerlijcken in haren nootdruft (gelijck ook de Weduwen ende Weesen der Dienaren in 't ghemeen) versorghet worden."
Deze zelfde beginselen werden ook vastgehouden door de Dordtsche Synode van 1618—'19, zooals omschreven in artt. 11 en 13, en behooren nog steeds in verband met de rechten van de plaatselijke Kerk tot grondslag van een regeling te worden gesteld.
Rutgers, Acta, biz. 547.
Rutgers, biz. 137.
Rutgers, biz. 425.
Zie Acta, Haagsche Synode 1586,
Rutgers, biz. 490.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's