De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

Financiëele verhouding van Kerk en Staat.

Het is opmerkelijk, hoe er altijd weer gesold wordt met de Hervormde Kerk in verkiezingsdagen. Dan tracht de een voor den ander het toch maar voor te stellen dat hij (en zijn partij) het tech zoo goed meent met de Hervormde Kerk. En het wonderiijke van het geval is, dat als er geen verkiezingsdagen zijn, men de dingen heel anders ziet en dat men dan ook heel anders durft te spreken.

Zoo met de financiëele verhouding van Kerk en Staat en dan bizonder wat artikel 171, eerste gedeelte, aangaat.

Als er geen verkiezingsdagen zijn en men saam als vroede mannen nuchter en eerlijk de dingen onder de oogen ziet, dan is men het tamelijk wel met elkaar eens en in de notulen van vergaderingen en conferenties en samensprekingen kan het kalm worden vastgelegd, dat het toch zoo goed zou wezen, als de Kerk toch weer haar eigen geld te beheeren kreeg en de Staat toch eindelijk eens ophield als voogd over de Kerk, die feitelijk onmondig is, te spelen. Waarbij het gevaar bovendien zoo groot is, dat een re­volutionaire regeering eventueel de Kerk naakt aan den dijk laat staan ; zoo niet erger.

-• Als echter de verkiezingsdagen er zijn, dan wordt blijkbaar alles ineens anders, en doet men voor niemand onder om te betoogen, dat er niets veranderd mag worden aan die financiëele verhouding van Kerk en Staat naar art. 171 al. 1.

In het rapport van de Confess. Vereeniging heet het zelfs, dat de tegenwoordige regeling er nog aan herinnert, dat de Overheid een taak heeft ten opzichte van de Kerk ; en dat hiermee het onderscheid uitkomt tusschen de Herv. Kerk en de Vrije Kerk.

Men moet maar durven!

Het wordt voor de Herv. Kerk een eere geacht, dat zij als een kind, dat onder voog dij staat, behandeld wordt. Het geld van de Kerk beheert d e S t a a t en de Staat geeft daar aan de Kerk rente van in den vorm van tractementen.

Is dat zoo vereerend voor de Herv. Kerk, dat zij haar eigen geld niet mag en niet kan beheeren ? Is dat de roeping van de Overheid ten opzichte van de Kerk? Noemt men dat zoo'n mooi onderscheid tusschen de Herv. Kerk en de vrije-Kerk ?

Waarom werkt men niet mee, dat aan onze Herv. Kerk de smaad van een voogdijkind te zijn wordt afgenomen en zij haar eigen goed krijgt te beheeren?

Wanneer dan eventueel een regeering kwam die kwaad wilde was de Kerk ten minste bezitster van haar eigen-goed; en zij genoot bovenal de eer als een normaal meerderjarige de vrije beschikking te hebben over haar geld.

Maar de menschen willen bedrogen zijn en nu geldt het wasch-echt Hervormd, om te zeggen : de gelden van de Kerk moeten maar blijven in handen van den Staat.

Gelukkig, dat er ook nog Hervormden zijn die er anders over denken ; en er ook voor uitkomen.

Om de eerepositie der Kerk moet het ons gaan, niet om de Kerk als een voogdij-kind te laten voortleven, niet eens verwaardigd zijnde om haar eigen geld te mogen beheeren 1

Daarom mee spreken wij over de financiëele verhouding van Kerk en Staat in betrekking tot art. 171 al. 1 van de Grondwet, en vragen om een eerlijke, royale nationale oplossing van het vraagstuk.

Hopelooze verwarring.

Pas nog hebben we het kunnen lezen in , .De Geref. Kerk", geschreven door een man als ds. Lingbeek, dat het met de prediking van die Bondsmannen niets gedaan is. Hij schrijft althans : „wanneer wij eens Bondspredikanten hoorden, keerden wij bijna altoos onvoldaan huiswaarts".

Wat dan aangevuld wordt als volgt : „Zij zeggen vele dingen, die waar zijn. Maar men hoort niets van het hart der Waarheid ; van het Evangelie van Gods genade, in Jezus Christus geopenbaard."

Is het niet kras ?

Is het eigenlijk niet verschrikkelijk, niet schandalig, dat zóó gegeneraliseerd wordt en dan zulke krasse beschuldigingen worden neergeschreven, terwijl heel kerkelijk Nederiand het lezen kan, daar het door de N.R.Ct. en andere bladen oogenblikkelijk is overgenomen ?

Wanneer heeft ds. Lingbeek' Bondspredikanten gehoord ? En wie heeft hij gehoord?

Hij schrijft: „wanneer wij eens " Is dat ééns of is dat tweemaal geweest, dat hij bij Bondspredikanten kerkte ?

En dan schrijft hij : „gingen we bijna altoos onvoldaan huiswaarts". Wanneer dus wel en wanneer dus niet ?

Verschrikkelijk om zulke dingen zoo maar in 't algemeen van de Bondspredikanten te schrijven : , , Men hoort niets van het hart der Waarheid." En voorts : „Men hoort niets van het Evangelie van Gods genade, in Jezus Christus geopenbaard."

Wat de vrucht van deze dingen is ? Door lasteren alleriei haat en nijd zaaien en juichensstof geven aan de vijanden ! !

Die schrijven smadelijk : de Confessioneelen, . die reorganisatie wenschen, zullen straks de modernen, de ethischen en-de Bondsmannen buiten de deur willen zetten, om zelf heer en meester te zijn over alles en over allen.

Hopelooze verwarring toch ! Moet dat nu zoo voortgaan en zoo blijven ?

Kerk en Volk,

De Hervormde Kerk, tot welke zoo'n groot deel van onze natie behoort, doopt dikwijls zonder onderzoek naar de geloofsbelijdenis der ouders, laat het eenvoudig maar zitten zonder iets te vragen, ook zelfs zonder de vragen van het doopsformulier te doen, en doopt dan, om den gedoopten kinderen, en straks het gedoopte opkomend geslacht steenen voor brood te geven of het zonder eenig medelijden aan zichzelf over te laten.

In een groot deel van de Hervormde Kerk geschiedt zulks. Noodgedwongen doopt men nog met de bekende doopsformule ; maar als dat niet voorgeschreven was, dan deed men het óók niet eens. Men doopte misschien liefst heelemaal niet. En het catechetisch onderwijs en de prediking zijn dikwijls van dien aard, dat de Kerk zich openbaart als zonder Schriftuurlijke en vaste belijdenis, wat diensvolgens de gedoopte jeugd in onwetendheid doet opgroeien, los van die goddelijke Waarheid, welke van ouds de schat der Kerk is geweest en alleen troost geven kan voor leven en sterven aan een iegelijk die gelooft.

De verwildering van ons volk, de godsdienstloosheid, de vijandschap en de onwetendheid op het terrein van den godsdienst is voor een groot deel de schuld van de Kerk, van de Hervormde Kerk, die zelf niet weet wat zij wil.

Principiëele verandering, grondige reformatie, breede reorganisatie naar uitwijzen van de Schrift is brood, broodnoodig voor de Hervormde Kerk.

Zóó zal zij alleen kunnen blijven bestaan. Zóó zal zij alleen ons volk tot een zegen kunnen zijn.

Nu is zij met haar slap, onderling verdeeld, wispelturig en twistgierig Protestantisme, dat zich losgemaakt heeft van den Schriftuurlijken wortel en bodem, dikwijls oorzaak, dat in eigen kring alle zegen weg is ; en zij wórdt van alle kanten bespot en verdrongen van haar plaats.

Als een Simson, met de haren afgesneden, staat zij daar, arm en ellendig en machteloos.

Wie God verlaat heeft smart op smart te vreezen.

Waarbij de Heere zegt: „Keert weder, gij afvallige kinderen en Ik zal uwe afkeeringen genezen."

Zal héél Israël zalig worden ?

Nog een énkel woord over deze zaak op verzoek.

De Heere heeft aan Abraham een verreikende en véél omvattende belofte gedaan, n.l. dat in hem alle geslachten der aarde zouden gezegend, worden. Abraham is uitverkoren om heil te brengen over alle volkeren der aarde. Zijn geslacht zal meester der aarde worden ; wat de Heere hem nog eens extra belooft, als hij zich een priester Gods heeft betoond bij de offerande van Izak. (Gen. 22), „Een erfgenaam der wereld" noemt Paulus het in Rom. 4:13.

Maar is Abraham degene in wien deze belofte haar rustpunt vindt ?

Immers neen ! Dat is Christus en Christus alléén.

En zoo gaat alles om Christus voor de toekomst, gelijk het in schaduw ook in het verleden om Christus ging.

Vóór Christus' komst erfde Israël, als Abrahams zaad, het beloofde land en den toegezegden scepter. Als schaduwbeeld van wat komen zou.

Maar toen was het niet al Israël wat uit Israël geboren was. In Abrahams huis komt de belofte aan Izaak. In Izaaks huis gaat de lijn door Jacob en van Jacobs zonen treden Juda en Jozef op den voorgrond.

Zoo gaat het nu, in de dagen der vervulling om Christus die het ware beloofde land heeft, die den echten koninklijken scepter draagt; en daarbij gaat het dan, om degenen die Hem door een waarachtig geloof mogen toebehooren.

Die zullen de aarde beërven ; die zullen allen volkeren ten zegen zijn ; die zullen als profeten, priesters en koningen wandelen ; het geestelijk Israël, dat Gode is geheiligd door den Geest.

Gelijk in de belofte Abrahams Christus alles was, zoo gaat het nu in de dagen der vervulling om Christus en Christus alléén. En dat volk, dat Hem mag toebehooren, dat is het Israël Gods. Dat zal zalig worden. Héél dat Israël zal zalig worden, vergaderd uit alle volkeren. Dat is de vervulling van de belofte aan Abraham gegeven. Dat is de erfenis der wereld aan Abraham toegezegd.

Niet het vleeschelijk Israël ; niet het Israël der besnijdenis. Maar het geestelijk Israël, dat de geestelijke besnijding des harten mag kennen ; dat de ware kinderen Abrahams zijn.

En bij de toevergadering van dat geestelijk Israël gaan de heidenen voor. En ook van het vleeschelijk Israël zullen er komen, om te bukken aan den voet van het Kruis en in Christus te vinden den algenoegzamen Zaligmaker.

Eer Abraham was, was Christus. Na Abraham is Christus.

En heeft Abraham verlangend uitgezien naar den dag van Christus, zich daann verblijdend (Joh. 8 vers 56), de yreugdedag Abrahams zal wezen, als gehéél Israël zal vergaderd zijn uit alle geslachten, talen en natiën, voor welke geslachten en volkeren Abraham een zegen mocht dragen ; welke zegen in Christus is vervuld en hoe langs hoe meer haar toepassing vindt overal waar het Evangelie wordt verkondigd en geloovig mag worden aangenomen.

Dat geestelijk Israël moet vergaderd worden.

„Predikt het Evangelie allen creaturen !" — opdat Abraham zich verblijde en opdat Christus verheerlijkt worde ; opdat alle volkeren worden gezegend ; de heiden en óók de Jood.

*** Christelijk Volksonderwijs,

Wij krijgen hulp van onverdachte zijde. Want wij hebben wel eens beweerd, dat onze Hervormde (Geref.) Scholen niet bij Christelijk Volksonderwijs hooren, . daar alles ethisch is wat de klok slaat.

Natuurlijk, dat we van ethische zijde wel eens een tik op de vingers kregen. Want men wil daar graag houden wat men heeft. En — o ! wonderlijk verschijnsel — de ethischen zijn dikwijls zoo benauwd om ethisch genoemd te worden

Nu krijgen we van onverdachte zijde eigen lijk hulp. Want ds. Lingbeek schreef een en ander in de „Geref. Kerk" en haalt er Hoedemaker bij aan — dus zoo onverdacht mogelijk ; zoo zuiver als 't maar kan !

En wat schrijft ds. Lingbeek ? Dit:

„Wij herinneren ons hoe, nadat het stof door de Doleantie opgejaagd, wat was gaan liggen, het dadelijk de vraag werd, of de Christelijke actie bij de niet-Doleerenden dus bij hen die grootendeels waren de orthodoxe Hervormden, zou geleid worden in een algemeen Christelijk of in een Gereformeerd spoor.

Vooral bij het oprichten der Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs ontbrandde die vraag.

Hoedemaker wilde het laatste.

Maar hij kon het niet winnen.

Niet alleen Ethische invloeden stonden tegenover hem ; ook de Confessioneele ds. Malcomesius sloot zich daarbij aan.

En zoo kwam feitelijk „Volksonderwijs" in wat men noemt Ethische handen.

Hoedemaker moest zich terugtrekken : gaf wel een jaariijksche gift aan Volksonderwijs, maar verontschuldigde dat toen hij daarover werd geïnterpelleerd, met een , , wij struikelen dagelijks in vele." Met de leiding kon hij zich niet meer bemoeien.

En zooals het op dat gebied ging, ging het op zoo menig ander.

De Ethischen hadden in de gemeente de meerderheid niet, maar in de Vereenigingen wel. Evenals in de Kerkbesturen. En hoe hebben ze ons, met een vriendelijk gelaat, geboycot.

Daarover is lang gezwegen, maar dit moet nu uitgesproken worden.

En het moet ook anders worden." Als ds. Lingbeek zóó schrijft, nu dan kunnen wij verder wel zwijgen. ***

Bond van Hervormde Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag.

Wij hebben indertijd mee den stoot mogen geven tot de oprichting van een Bond van Herv. Jongelingsvereenigingen op Geref grondslag, omdat we van het nut van Jongelingsvereenigingen overtuigd zijn, omdat we ook gelooven dat een organisatie van Jongelingsvereenigingen nuttig en noodig is, maar in het Ned. Jongelings Verbond achten we dan onze Herv. (Geref.) Jongelingsvereenigingen niet op haar plaats.

Daarom een eigen Bond op Geref. grondslag, waar alles bij het licht van Gods Woord kan worden behandeld, ook wat met de Kerk verband houdt.

Natuurlijk dat we toen ook afstraffingen hebben gehad ; zoowel van ethische zijde alsook van confessioneele zijde. „Afscheidingsbeginselen" waren het, om zich af te scheiden van het Ned. Jongelings Verbond ! Want men mag zich ook zelfs van een ethische Vereeniging niet losmaken, of men is „doleerend" in de oogen van vele confessioneele broeders !

Nu krijgen we ook hier hulp, en wel in het lijfblad der confessioneelen, „de Geref. Kerk."

Althans daar wordt in „de Vragenbus", die onder leiding staat van ds. Lingbeek, het volgende schrijven van een confessioneel jongeling opgenomen :

„Dat is juist mijn groote grief tegen het Ned. Jongelings Verbond. Men is verplicht te zwijgen over de Vaderlandsche Kerk. Het is ook hier : de Kerk er buiten ; d.w.z. de vrije kerk er in. Nu kan men wel op de catechisatie eenigermate hierin voorzien. Maar voor een goed deel worden onze beste krachten gevormd door de Vereeniging. En dus, onze jonge mannen, die later leiding moeten geven in de gemeente, zijn in „het stuk van de Kerk" niet goed onderlegd. In de Jongelingsvereenigingen der Geref. Kerken wordt onder meer ook liefde voor 'de Kerk gekweekt. En dat met goede resultaten. Bij ons noemt men dat „kerkistisch", „partijzuchtig", „eenzijdig."

Alle algemeene secretarissen van het Jongelings Verbond (een gesalarieerd ambt) zijn van één richting. Van tijd tot tijd bezocht een hunner de afdeeling. Het zijn sympathieke frissche figuren. Ik zou echter niet gaarne willen, dat zij onze catechisanten moesten oatechiseeren !

Wanneer men nu tegen zulke eenzijdige benoemingen bezwaren inbrengt, dan krijgt men te hooren dat dit toeval is óf dat bij andere richtingen geen geschikte krachten te vinden waren.

Het gaat op het gebied van de Jongelingsvereeniging zooals het gaat op bijkans elk terrein van Christelijken arbeid. Ik denk aan de Zending, die nu zoo in nood is, en onzen steun vraagt. Maar die als een Zendingsdirector of zoo iets noodig is, altijd weer doet alsof er geen Confessioneelen bestonden.

Niet anders is het gesteld met het Bijbelgenootschap. Het werkt hard in Friesland in de laatste jaren. Maar in het Hoofdbestuur is wel plaats voor Gereformeerden, Doopsgezinden, Lutherschen, de Confessioneelen worden, zoover ik weet, altoos gepasseerd.

Christelijk Volksonderwijs maakt het niet veel beter, al zal nu op de komende vergadering te Zwolle waarschijnlijk een zetel worden ingeruimd voor een Confessioneel man. Voorzitter en secretaris zijn Antirevolutionair. Zoo gaat er geen kracht uit van Volksonderwijs", etc.

Ook hier zwijgen wij nu liever verder. Wat hier geschreven staat spreekt voor zichzelf.

En het is nog niet zoo dom en verkeerd geweest, dat merken we nu wel, om te besluiten tot de oprichting van onzen eigen Bond van Jongelingsvereenigingen. 

*** Het beginsel der Roomsche Kerk.

De Roomsche Kerk heeft naast en boven Gods Woord de traditie. De Kerk heeft het Woord Gods in haar schoot ontvangen, leert Rome. Maar dat Woord Gods is dan deels geschreven in den Bijbel neergelegd en leeft deels ongeschreven in de Kerk voort. Waar nu de Kerk de uitdeelster is van de verborgenheden Gods, komt zij deels met den Bijbel, deels met de traditie, waarover zij met gezag beslist en beschikt. Hierdoor wordt alles en worden allen afhankelijk van de Kerk in hare organen, namelijk de priesters, waarvan de paus de hoogste in macht is. De Kerk — en dat is dan de priester, dus de paus, — beslist ten slotte over wat waarheid is en de Kerk — dus de priester en de paus —• beslist ten slotte over het al of niet ingaan in de zaligheid.

De Roomsche Kerk is zich gaan stellen tusschen God en de ziel. God treedt — zoo leert Rome — alleen met den mensch in gemeenschap door middel van een mystieken tusschenschakel ; en die tusschenschakel is de Kerk, de priester en wat de priester geeft of onthoudt.

Nu hebben de Reformatoren, de Hervormers, van die priesterkerk teruggegrepen naar het Woord Gods.

Uit het dispuut met dr. Eek verklaarde Luther, dat niet de Paus, de priester of het concilie voor hem het hoogste gezag bezitten, maar dat de H. Schrift onvoorwaardelijk vast staat. De H. Schrift is het Woord Gods. Aan dat geschreven Woord moeten wij ons houden. „God spreekt met ons door de H. Schrift". Zij is onfeilbaar en bezit de autoriteit in zich zelf.

Deze gedachte vinden we bij alle Reformatoren terug.

Farel verdedigde tegenover Erasmus, dat Gods Woord alléén genoegzaam is. En in de stellingen in 1524 te Bazel verdedigd predikte hij de noodzakelijkheid van den terugkeer tot de H. Schrift.

„Christus heeft ons in Zijn Woord den volmaaktsten levensregel gegeven en niemand heeft het récht daarvan iets af ot daaraan iets toe te doen."

En Calvijn beziet heel 't leven bij 't licht van de majesteit van Gods Woord. Niet de Kerk beslist over de waarheid, maar alleen God, die in Zijn Woord tot ons spreekt.

Zoo staat Rome met het beginsel, dat de Kerk beslist wat waarheid is en gebruikt Gods Woord, maar stelt daarboven de traditie, waardoor de Kerk, de priester de paus de hoogste autoriteit krijgt.

De Revolutie gaat uit van de souvereiniteit van den mensch ; van het beginsel der rede, waarbij God en Christus worden gelasterd en Gods Woord wordt vertreden en belachen.

Wij hebben te leven uit het beginsel van de souvereiniteit Gods, om ons geloovig en gewillig te voegen naar Gods Woord, dat eeuwig zeker is.

Examen Godsdienstonderwijzer,

Iemand vraagt ons of er niet een schriftelijke cursus is die opleidt vóór het examen van godsdienstonderwijzer.

Zoo'n cursus is er niet ; althans bij ons weten niet.

Of die niet zou kunnen worden georganiseerd ?

Misschien wel. Maar het is niet in den geest van het Regl. voor Godsdienstonderwijs, dat in art. 1.3 zegt, dat de candidaatgodsdienstonderwijzer zich gedurende ten minste twee jaar geoefend en voorbereid moet hebben in alles wat tot het examen behoort onder opz-icht van een of meer leeraren der Hervormde Kerk.

Dat hebben wij tot nu toe altijd zóó verstaan, dat men van een of meer (liefst van méér dan éen) dominé's les ontvangen moet gedurende minstens twee jaar; en dan in de vakken door het Reglement voorgeschreven. Daarvan moet bij de aangifte tot het examen een bewijs worden overgelegd.

Of nu een schriftelijke cursus onder leiding van een of meer predikanten niet toelaatbaar zou zijn naar de letter van de wet ? We weten het niet. Misschien wel, misschien ook niet. 't Zou gevraagd moeten worden aan de hoogere Besturen opdat niet straks misschien iemand die twee jaar een schriftelijken cursus gevolgd heeft niet Jiou worden toegelaten tot het'examen.

Het examen gaat over de vakken : Nederlandsche taal, Bijbelsche geschiedenis, verklaring van de Schrift, Kerkgeschiedenis, geloofsleer, ethiek of zedeleer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's