Op Kerkelijk Erf
XIII.
Kerk en Staat.
In de voorafgaande beschouwingen omtrent de benoeming der dienaren en de onderhouding uit de geestelijke goederen treedt dus een eigenaardige tegenstrijdigheid aan den dag in de opvattingen van de verhouding van Kerk en Overheid. Terwijl de Kerkelijken aan de Overheid terecht betwisten de bevoegdheid om de kerkelijke ambtsdragers te benoemen, zoeken zij herhaaldelijk steun bij de magistraten inzake de verzorging der predikanten.
Wij trachtten echter reeds te doen uitkomen, dat in het eerste de Overheid handelde ingevolge de principiëele rechtsbeschouwing van dien tijd, die aan juristen en regenten eigen was, n.l. dat de souvereine macht der Overheid ook ging over de aangelegenheden der religie, terwijl het Calvinisme deze beschouwing even principieel verwierp. Intusschen werd de overheidsbeschouwing gerugsteund door de practijk, die over de grenzen met name in Duitschland werd gevolgd en niet minder door velerlei gebruiken en heerlijke rechten, die reeds onder het pausdom tot een zeker gewoonterecht waren geworden. Dit laatste gold vooral ten aanzien van de geestelijke goederen, aangezien de Overheden in de voorafgaande eeuwen, waarin het verval en misbruik der kloosters en de wederrechtelijke handelingen der monniken niet zelden aanleiding hadden gevonden om in te grijpen en orde te stellen op de zaken. Het ligt dus voor de hand, dat ook onder de „nieuwe leer" de hulp en bescherming van de overheid werd ingeroepen, te meer, daar het beheer der goederen niet opnieuw was geregeld en vaak in handen was van kerkelijk onverschilligen, zooals wij hebben medegedeeld.
Toch is hiermede de toestand niet voldoende opgehelderd, die tot een voortdurend conflict tusschen vroedschap en consistorie aanleiding gaf. Hoezeer ook de oudste acta telkens blijk geven van het vaste streven naar de vrije Kerk, hoezeer ook de vervolging en de oorlog dat streven hebben begunstigd en middellijk oorzaken waren, waardoor de vrijheid der Kerk tot op zekere hoogte werd verkregen door de Gereformeerden, toch ook bleef het niet verborgen, dat ondanks dit alles een zeker overleg met de Overheid noodzakelijk was. Afgezien van alle rechten en gewoonten, die zich lieten gelden en afgezien ook van alle wantoestanden, die aan de vrijstelling der Kerk in den weg stonden, waren er factoren werkzaam in het conflict, die ook bij de volledige erkenning van de vrije Kerk nog om oplossing zouden vragen. Vooral in den reformatorischen tijd deden deze zich gelden. Immers de overgang naar den nieuweren tijd beteekende niet alleen een nieuw kerkelijk leven, dat werd ingeluid door de Reformatie, doch ook op staatkundig terrein bracht de ontwikkeling van het moderne denken verandering. In het proces der losmaking van de Middeleeuwsche Kerk kwam ook de Staat tot zelfstandigheid. In dit licht beschouwd, is het dus ook verklaarbaar, dat de Overheid zich in alle dingen souverein achtte. Staat en Kerk streefden naar zelfstandigheid en moesten derhalve in strijd komen en elkanders gebied afbakenen en tot regel en orde geraken. Uit de saamleving zelf kwam deze drang op, wijl in de verwarde toestanden in de burgeriijke saamleving velerlei om ordening riep. Reeds eerder wezen wij er op, dat vele dorpen ontstonden uit een Kerk-of Kloosterparochie. De namen van verschillende plaatsen herinneren daar nog aan, zooals Monnikendam, Papendrecht, e.a. De Kerk regelde wat wij thans zouden noemen den burgerlijken stand of bleef in gebreke naarmate zij haar invloed inboette en gaf de bevolking prijs aan zedelooze toestanden, terwijl twist en tweedracht en opstand en krijg, de verwarring nog kwamen vermeerderen.
Vooral het huwelijksleven was in diep gezonken staat en in den strijd der Gereformeerde Kerk om den heiligen echt in eere te herstellen, heeft zij herhaaldelijk de Overheid te hulp geroepen. De handelingen der kerkelijke vergaderingen getuigen van de moeilijkheden, die op dit gebied de voortdurende zorg en aandacht der Kerk hebben gevraagd en van het streven om ten aanzien daarvan met de overheid tot overeenstemming te geraken. De graad van verwantschap, de rechten van het kind, oude keizerlijke wetten en kerkelijke gebruiken of misbruiken kwamen hierbij in het geding. Zoo werd op de Dordtsche Synode van 1-578 gevraagd : „Of het houwelick van een persoon die syner huysvrouwe halfve suster nu 20 jaren tot een huysvrouwe ghehadtende kinderen daer bij ghewonnen heeft, voor wettelick te houden ende te lijden is." Het antwoord luidde : Het en is gheen houwelick maef een bloetschande. Ende daeromme salt van gheender werde ghehouden werden. Men sal nochtans de Overheyt bidden, dat na keyseriicke rechten de kinderen voor wettelick ghekent worden, die door oniwetenheyt als het houwelick noch stont gheprocreert syn. ^)
Op de Synode van Middelburg (1581) wordt .gevraagd : , , Oft nyet goet en ware in elcke provincie bij de Overheyt te versoecken dat ordonnantie van houwelick gemaect ende sekere persoonen benoemt worden aende welcke alle voorvallende swaricheden in houwelicksaecken, oyck van echtscheydinge gebracht worden ende bij hen gedecideert, dwelck noodich is overmits de gheestelicke hoven cesseren ende de houwelickxsaecken bijde ordinaire magistraet besonder in cleyne stedekens ende dorpen seer nyew syn, dicwils niet genoecli bewogen, ende lichtelick die echtscheydinge ter tafel ende te bedde-toegelaten wort." - ) Besloten werd om aan te houden bij de overheid om zulk een huwelijksordening in alle provinciën te verkrijgen en het aanstellen van huwelijksrechters. ') Men ziet hieruit niet alleen, dat het zeer noodig was orde en wet te stellen, maar ook, dat de Kerk ook hier als vanzelf werkzaam was om richting te geven aan het burgerlijk recht, waarvan de Overheid een dankbaar gebruik kon maken.
De zestiende-en zeventiende-eeuwers waren nog geen Communisten, zooals wij die tegenwoordig kennen. Vooral door de reformatie kwam het huwelijk weer in eere en begon de Kerk den strijd tegen de zedeloosheid, en zonder twijfel heeft zij daarmede ook het algemeen belang gediend. Terecht wees zij de Overheid op een zaak, die dringend voorziening eischte en als een belangrijke factor mocht gelden om in Kerk en Staat een gezond leven te doen opbloeien.
Behalve het huwelijk waren er tal van aangelegenheden, die voorheen door alleriei oorzaak niet bepaald of niet algemeen door de Overheid werden behartigd en toch op haar terrein thuis behooren. Zoo lezen wij in de acta van de Dordtsche Synode van 1574 een klacht omtrent de begrafenissen. „Het gebeurt bij ons dat men die dooden somtijts soe het arme luyden syn ofte sommige die van de Peste gestorven syn nyet wel en kan tot de begroefnisse crijgen door dien datse nyemant dragen en wil. Item noch soe werden veel lichamen ter aerden gebracht daer nauwelick acht oft thyen personen, somtijts drie oft vier bij syn waer over noodich is een goede Politie verordent te werden."
Ook het schoolwezen bracht Kerk en Overheid menigmaal met elkander in aanraking, doch wij willen dat in dit verband laten rusten. De schoolstrijd hier te lande mag voldoende hebben aangetoond, dat ook in de school de verhouding van Kerk en Staat een machtig woord medespreekt. Het lag slechts in onze bedoeling om aan te toonen, dat ook de vrije Kerk telkens op het terrein van het publieke leven de Overheid ontmoet en omgekeerd de Overheid de Kerken. Dat openbaar verkeer verdient dus wettige regeling. De Kerk moge een geheel eigen karakter dragen en daarom een eigen belijdenis en Kerkorde hebben, zooals ook recht en billijk is, doch zij is desniettemin ook een publiekrechtelijk lichaam, dat ook als zoodanig in relatie staat tot de Overheid en op haar bescherming recht heeft. Zij heeft haar eigen taak en doel, haar eigen rechtsbedeeling of liever censuur, doch buiten de zedelijke kracht van het Woord heeft haar kerkrechterlijke orde geen sanctie. De Kerk kan den onwillige niet dwingen tot gehoorzaamheid, zooals de overheid den overtreder, wijl zij het zwaard niet te vergeefs draagt, tenzij de overheid zulks wel verkiest te doen. Het is bekend, hoe de Roomsche Kerk de overheid wist dienstbaar te maken in tijden van vervolging. In verband met hetgeen is medegedeeld omtrent caesaropapie en pausdom behoeft het ook geen betoog meer, dat zoowel de Kerkstaat als de Staatskerk als vanzelf aanleiding geven tot zulk een optreden der overheid, dat dwingt tot onderwerping aan de kerkorde, doch noch het een noch het ander strookt met de Gereformeerde^^ conceptie van de vrije kerk en beide verhoudingen worden dan ook als ongereformeerd door ons verworpen.
Men zou zich wellicht hiertegen willen beroepen op art. 36 van de Ned. Geloofsbelijdenis, doch afgezien van de verandering, die dit artikel onderging in 1566, kan de practijk leeren, hoe men dacht over het uitroeien van alle afgoderij en valschen godsdienst aan de waakzaamheid der overheid opgedragen. In Middelburg op de Synode van 1581 wordt gevraagd : „Hoe men handelen sal om de ketterijen te weeren." Daarop wordt dan besloten, dat men met consent van de overheid tegen papisten, wederdoopers en andere secten zal disputeeren, overeenkomstig het besluit van de Synode te Dordrecht van 1578. En op de vraag : „oft het nyet noodich is, volgens den voet van de loffweerdige Synoden met voorgaende advys der overheyt, alle ketters tegens de ware leere Christi strijdende tot den generalen Synode te beroepen", wordt geantwoord, dat men bij het boven vermeld besluit zal blijven.
Ongetwijfeld zou de Libertijnsche overheid zich niet hebben geleend tot een vervolging te vuur en te zwaard van de ketters, doch de handelingen der Gereformeerde Synoden geven allerminst grond om de vaderen van zulk een ketterjacht te beschuldigen. Blijkbaar grepen zij naar de macht van het Woord. De vraag doet zich echter voor, hoever de bescherming van overheidswege en de medewerking met de kerk mag worden verwacht. Zoo werd te Dordrecht op de Synode van 1574 besloten, dat de Classes van haar overheden zouden begeeren om het koopen en verkoopen, drinken, arbeiden, wandelen etc. Inzonderheid des Zondags gedurende de prediking te verbieden. ") Van verdere strekking was het voorstel van de classis Walcheren om bij request aan zijn Exc. te verzoeken om een bevelschrift aan alle „officieren" te doen uitgaan, ten einde „dat het v o 1 c k op zekere peyne (boete) op des Heeren dach tot het gehoor des „Godlijcken Woorts gedronghen wort" en eveneens om openbare verkoopingen, herbergen, winkels en handarbeid gedurende de predicatie ook in de week te doen sluiten. ^)
Het ligt voor de hand, dat dergelijke verzoeken een storm van verontwaardiging deden opgaan, zoaals wij in zekere kringen nog kunnen waarnemen als men handelt over Zondagsrust en sluiting van drankhuizen door de Kerkelijken verzocht en nagestreefd. Vrijheidsberooving, zoo wordt ons het eerst voor de voeten geworpen. Nu gaat het verzoek om van Overheidswege tot kerkgang te dwingen zeker te ver en zulks kon dan ook geen gehoor vinden, voor zoover ons bekend, doch wie zal overigens de onbillijkheid van de even vermelde verzoeken uitmaken en der Overheid recht en bevoegdheid ontzeggen om hierin te rekenen met den wensch der Kerken, met name ten aanzien van den Zondag. Een dergelijk overleg zou gevraagd worden in verband met tal van andere zaken, die Kerk en Staat betreffen : vasten-en bededagen, feestdagen, sport en spelen e.d.g. Verschillende van de aangevoerde quaestiën vinden wij dan ook in onzen tijd nog steeds actueel en in het program van de politiek der rechterzijde besloten.
Grooter moeilijkheid ligt er in verband met de positie van de vrije kerk op het gebied van de kerkelijke rechtsordening ingeval van geschil of onrecht, waarbij de overheid wordt betrokken. Het gebeurde b.v. in de oude kerk, dat lieden zich buiten de ordening indrongen in den dienst. Kon men hen echter kerkelijk niet tot de orde brengen of uitsluiten, dan zocht men hulp bij de overheid om niemand toe te laten tot den predikdienst dan die een getuigenis van de Classis hadden. Heel vaak zal scheurmaken en verbrokkeling het gevolg zijn van kerkelijke oneenigheden, doch het kan toch noodig zijn, dat er een bevoegde macht is om in sommige gevallen op te treden als rechter. Zooals men kan weten, werd hierop in het rapport der Staatscommissie, dat dezer dagen werd gepubliceerd, ook gewezen.
AI deze verwikkelingen waren aanleiding dat de vraag reeds in de eerste Synoden ter sprake kwam, of het niet dienstig was, dat de Overheid de artikelen der Synoden met haar autoriteit zou bevestigen en dus ook haar approbatie van de kerkorde werd gezocht. Zelfs kwam men op de Haagsche .Synode van 1586 tot het denkbeeld om een afzonderlijk lichaam in het leven te roepen, een bijzonderen Kerkeraad bestaande uit politieke en kerkelijke p e r s o n e n, om de kerkorde kracht bij te zetten en , , alle voorvallende zaaken te oordeelen en te effectueeren." ")
Het voorstel vond geen ingang, maar 'het wijst een weg , hoewel die wellicht ook in onze dagen groote bezwaren zou geven, al was het alleen slechts de hopelooze verdeeldheid, die op kerkelijk terrein heerscht. Voor iedere regeling zal het echter allereerst noodig zijn, dat de kerk zelf een organisatie heeft, die overeenkomt met haar wezen.
-) Rutgers, Acta. biz. 272. Rutgers, t.a.p. biz. 422. Rutgers, t.a.p. btz. 372. RutgerS; t.a.ip. biz. 144. Rutgers, t.a.p. biz. 213. Rutgers t.a.p. biz 512.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's