De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Wederom is het koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat, in den akker verborgen, welken een mensch gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven, gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt dien akker. Mattheus 13 vers 44.

Een verborgen schat.

Deze gelijkenis wil ons in de eerste plaats wijzen op den rijkdom der geestelijke goederen, die de Heere aan Zijn Gemeente geeft Het gaat ook in deze gelijkenis om een hoofdzaak, een belangrijke waarheid die de Heiland naar voren brengt. Als wij dit vergeten, zouden wij gedachten kunnen inleggen, die door den Heere niet bedoeld zijn, gaan vergeestelijken dat daarvoor niet-is aangewezen, of ook wij zouden op groote moeilijkheden stuiten. Wij komen er al onmiddellijk vóór te staan, als wij hier denken aan een schat, die expres in den grond verborgen is, opdat hij aan aller oog onttrokken zal zijn. Ja, dat dit in het natuurlijke leven gebeurt dat begrijpen wij wel.

Daar was iemand bijvoorbeeld die uit vrees voor rooven en stelen zijn geld in eene kist deed en haar in den grond verbergde. Nieimand wist er van. De eigenaar is echter gestorven zonder zijn geheim aan anderen bekend te maken. Maar nu mogen wïj hieruit niet afleiden, dat de Heere den schat der genade met opzet verborgen houdt. Juist het tegendeel is waar. De Heilige Schrift is de Openbaring Gods, waarin de Heere Zich in Christus bekend maakt. En dit woord „openbaring" zegt ons meer dan genoeg.

Evenals de zon haar licht in overvloedige mate uit zichzelf doet uitgaan om alles met haren rijkdom te zegenen, zoo is het ook met de kennis van den levenden God. Van den Heere Zelf gaat zij uit. Hij maakt Zich kenbaar. Door de werken der natuur. En alle schepselen zijn als letteren, als een open boek. Gods eeuwige kracht en goddelijkheid is er in te lezen. Toch zullen wij, zooals Calvijn zegt, de Schrift noodig hebben als een bril. Daardoor lezen wij die oneindige deugden Gods. Niet omdat de Heere Zich verbergt, maar omdat wij door de zonde verduisterd zijn. Des te heerlijker is daarom de openbaring Gods door Zijn Woord. Alles wat tot zaligheid van den mensch noodig is, wordt ons daarin helder en klaar geopenbaard.

Als wij dus het Evangelie der genade een verborgen schat noemen, is het niet omdat God dien schat verborgen houdt. Dit klemt nog des te meer, als wij bedenken dat het Evangelie gepredikt moet worden aan alle creaturen. Geen volk mag er zijn, of de boodschap des heils moet er aan verkondigd worden. De Heere Zelf zegt: wendt u naar Mij toe, alle einden der aarde ! De banier des Kruises moet overal geplant worden. En de Gemeente des Heeren heeft de heilige roeping om te zijn eene stad op een berg, eene kaars op den kandelaar. Het is alles openbaarheid en bekendmaking. Vrijgevig en mild. Opdat niemand te verontschuldigen zou zijn.

Wat wij wèl uit onze gelijkenis mogen afleiden, is, dat het Koninkrijk der hemelen een schat is. Het maakt een mensch onnoembaar rijk. Het schenkt aan al zijn onderdanen een onmeetbaar geestelijk goed. Wat geen oog heeft gezien, geen oor gehoord heeft en in geen menschenhart is opgeklommen, heeft de Heere bereid aan hen die Hem liefhebben ! Tot dat geestelijk goed behoort de vergeving der zonden, de rechtvaardigmaking door het geloof. O, wat is die mensch rijk, die met het oog op zichzelf mag zingen : Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven. Zeker, het is bij de wereld niet in tel, de natuurlijke mensch vraagt er niet naar, maar een die aan zichzelf ontdekt is, zal er onstuimig en met smartelijk verlangen naar begeeren. Wat is de rijkdom in Christus groot ! Alle schuld is uitgedelgd ; en dat niet alleen, maar de gerechtigheid van Christus wordt een zondaar toegerekend. Zonder dat deze er iets voor doet. Zonder dat er iets van hem in aanmerking komt... God heeft Zichzelf gegeven, in Zijnen Zoon. Wat dunkt u, mijn lezer, zou iemand dan niet rijk zijn, die dezen God tot zijn deel en tot zijn eeuwig goed mag hebben, zooals Asaf er van zingt? Geloof het, er is geen wereldling die zóó gelukkig met zijn goederen kan zijn als een kind des Heeren met zijn God. Vandaar ook dat niemand wil ruilen, als het moge­lijk ware, het minste van 's Heeren geeste­lijke zegeningen tegen alle schatten der wereld. Dan heb ik toch nog maar liever de genade des Heeren, met het kruis dat ik hier h op aarde moet dragen, dan dat ik een leven zou hebben zonder leed, maar ook zonder den Heere. Het zijn rijke menschen die den Heere vrezen en die gelooven dat er eens een opstanding des vleesches zijn zal en een eeuwig zalig leven, o dan is het geen wonder dat het Koninkrijk der hemelen met een schat vergeleken wordt. Maar een verborgen schat. Hij ligt niet zoo voor het grijpen. Hij ligt niet aan de oppervlakte van den akker. Zooals de gelijkenis zegt : in den akker verborgen. De daglooner die misschien al jaren lang den akker bearbeidde, zal wel telkens vlak bij den schat geweest zijn, maar hij had er toch niet het minste vermoeden van. Zoo kan de mensch zijn geheele leven lang in de nabijheid der geestelijke goederen geleefd hebben, en toch kan de schat voor hem verborgen zijn. Dit ligt niet aan den Heere. De zonde maakt scheiding tusschen God en den mensch, tusschen de geestelijke goederen en hem voor wien zij bestemd zijn.

De Heere Jezus weende over Jeruzalem. Hij zag de zware schuld dier stad. Maar dan zegt Hij ook : dat gij nog in dezen uwen dag mocht bedenken wat tot uwen vrede dient, maar nu is het verborgen voor uwe oogen.

Wat den mensch tot vrede dient is hem verborgen. De natuurlijke mensch kan de dingen des Geestes niet verstaan ; hij is vervreemd van de kennis des Heeren. Het Evangelie der genade kan met ijver verkondigd worden, met gloed verdedigd worden, het baat niets, als God Zelf de oogen niet opent. Het is een verborgen schat. Het kan wel gebeuren dat iemand veel kennis van den Bijbel heeft, terwijl toch de zegeningen der genade hem geheel, vreemd zijn. Een verborgen schat. Hij is verborgen voor de wijsheid der wereld. Het meest ingespannen denken brengt er niet toe. Hierom niet, omdat de peinzende geest des menschen zich nooit aan de zonde ontworstelen kan.

Het Evangelie is eene verborgen wijsheid. Het spreekt ook van een verborgen gerechtigheid. Laat de mensch zijn krachten inspannen om zoo rein en deugdzaam als mogelijk is te leven, hij zal nooit tot de gerechtigheid komen die het deel is dergenen die den Heere vreezen. Een verborgen schat. Niet omdat de Heere hem verbergt, maar om den toestand waarin de mensch door de zonde gekomen is en waarin hij moedwillig voortleeft.

Toch legt de gelijkenis niet al den nadruk op het „verborgen" zijn van den schat, al is het een trek dien wij niet vergeten mogen.

De nadruk valt op het „gevonden" worden.

Daar is een mensch, die er geen vermoeden van heeft en hij vindt een schat. Zoo is hier te denken aan een mensch die er geen vermoeden van heeft welken troost en hoedanigen vrede het Evangelie biedt, en hij verkrijgt een geestelijk goed dat alle waardij overtreft.

Nu maakt de gelijkenis onderscheid tusschen het vinden van den schat en het bezitten daarvan. De arbeider die den akker bewerkte, zal zijn gewone werk gedaan hebben, zooals hij het altijd deed. Misschien ging de ploeg nu wat dieper door den bodem heen. In ieder geval, hij zocht er niet bepaald naar. En toch vond hij den schat. Wat hij nu verder deed, keuren wij niet goed. Dat was niet eerlijk. Hij had met den verborgen schat naar den eigenaar van den akker moeten gaan en hem aan den  rechtmatigen eigenaar afdragen. Nu verborg hij het gevondene weer onmiddellijk, deed alsof er niets gebeurd was en kocht den akker... Maar dit gebeurt wel meer in de Schrift. Denk maar aan de gelijkenis van den onrechtvaardigen rentmeester.

"Laat ons echter vooral letten op het verassende werk van Gods genade. De Heere zegt Zelf : Ik ben gevonden van degenen die naar Mij niet zochten".

Het is niet de mensch die begint, maar God. En wel zóó, dat wij, bij verrassing, onverwachts, voor den dienst des Heeren gewonnen worden. Een woord grijpt ons en laat ons niet meer los. Een gedachte overweldigt ons en wij kunnen er ons niet meer aan ontworstelen. Onze oogen worden geopend voor de geestelijke wereld, voor het heil dat in Christus is Durft men dan te zeggen : dat heb ik gezocht ? Neen. Dat is van onze zijde bezien, toeval. Zooals wij van toeval kunnen spreken toen de arbeider in den akker den schat vond. Maar het is, van Gods zijde bezien, de meest wijze leiding des Geestes. Een schat in den akker wordt door den mensch gevonden. Ik denk dan aan het oogenblik dat Christus begeeriijk wordt voor 't hart ; de vergeving der zonden een weldaad, waarnaar de ziel uitgaat. Dan wordt hetgeen het Evangelie zegt groot en belangrijk. Neen, dan is de schat nog wel niet het eigendom. Dan kan en mag ik nog niet zeggen, dat Christus mijn Zaligmaker is. De vrede Gods is nog mijn deel niet. Ik ben niet door het geloof gerechtvaardigd. Integendeel, ik gevoel mij dan juist zeer ver van God verwijderd. De zonde is werkelijkheid geworden. De schuld der zonde drukt maar. Ik weet dat ik niet bestaan kan voor een heilig en rechtvaardig God, maar ook dat Christus mijn Borg moet wezen. Het wordt een zoeken vam de zaligheid die in Christus Jezus is. Een verborgen schat is gevonden.

Tusschen dit eerste vinden en het verkrijgen van de zekerheid des geloofs moet er nog veel gebeuren. De man in de gelijkenis verkoopt, zoodra hij 'den schat gevonden heeft, alles wat hij het zijne kan noemen. Dat was voor dien man een ingrijpend werk, een heel stuk in zijn leven. Wat zal zoo'n man gehad hebben ? Een nederig huisje, waarin hij woonde, een hoekje grond, door zijn spaarpenningen verkregen, dingen waar aan hij gehecht was En nu, hij verkoopt het alles. Dat was wat! Maar hij deed het met het oog op het veel grootere goed dat het zijne zou worden Denk u nu dit in voor het geestelijke leven. En het wordt ons hier gepredikt, dat wij alles verliezen moeten om Christus te gewinnen.

Tot die ruiling, tot die machtige geloofsdaad moet het komen. In de eerste plaats moet de weg van zonde en ongerechtigheid prijs gegeven worden. Een ieder die nog in de zonde leeft en in den dienst dezer wereld behagen vindt, zal Christus niet gewinnen.

Hij moet het eerste verkoopen ! Dat wil zeggen : hij moet zulk een leven haten en verafschuwen. En al is het waar, dat hij de zonde in eigen hart niet ontvluchten kan en uit zijn inwendig leven niet kan uitrukken, hij zal het alles brengen voor Gods aangezicht, met weening en smeeking. Dat is het werk des Geestes. Het verkoopen van alles wat hij heeft Het was een ingrijpend werk van den man uit de gelijkenis. Maar het is ook een ingrijpend werk in het geestelijke leven als wij onze eigene gerechtigheid er aan geven, op onze werkheiligheid den dood schrijven. Niet door minder oppassend en deugdzaam te leven, maar door er niet den minsten grond van zaligheid in te zoeken. Dan worden wij van goddeloozen, die door het bloed van Jezus Christus gerechtvaardigd worden. Het wordt dan een alles verliezen, maar ook een alles gewinnen. De mensch verkocht alles wat hij had en kocht den akker Nu kost het den mensch heel wat om dat te doen, zichzelf en al het zijne om Christus' wil te verliezen. Maar al uwe gerechtigheden, o mensch, hebben toch geen beteekenis, gemeten met den geestelijken maatstaf Gods ? Welk een armoede ! En dan te wanen dat gij rijk zijt ! Geef het prijs, zegt de Heere, Zoudt gij uw ziel aan dat weinigje verpanden ? Ik geef u een veel rijker goed. Een schat voor alle eeuwigheid! Christus. En in Hem vergeving van zonde. Eeuwige gerechtigheid en zaligheid. Want die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven. En dit is het eeuwige leven, dat wij God kennen en Jezus Christus Dien Hij gezonden heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's