Ingezonden.
Geachte Redacteur
Zoudt U zoo goed willen zijn onderstaand een plaatsje te geven in ons Bondsorgaan.
Bij voorbaat mijn dank.
Met belangstellinig las ik het artikel van prof. Grosheide, overgenomen door de Waarheidsvriend. Toen ik het gelezen had, dacht ik : wat jammer, dat de Redactie van ons blad ons dit voorlegt en niet even de moeite doet om het standpunt van prof. G. te wederleggen. Ons blad is er toch om ons voor te lichten, en, waar het noodig is, ons ook wapens te geven om ons te verdedigen als wij, Gereformeerden, worden aangevallen door hen die de Kerk verlaten hebben. Het is best mogelijk, dat de Redactie zeer goed weet, wat ze prof. G. zou moeten antwoorden, maar eenvoudige menschen weten hier zoo spoedig geen weg mede.
Ik acht 't daarom niet goed, zoo'n stuk te plaatsen zonder er op te wijzen waar de redeneering mank gaat. Als dit stuk ons door een gescheiden broeder wordt voorgelegd en gevraagd : 'wat zegt ge hier nu van ; ziet ge wel, dat wij gelijk hebben ? dan zullen velen moeten zeggen : daar weet ik zoo gauw geen antwoord op te geven.
M. de R. Als de Redactie zoo'n stuk wil plaatsen, zeer goed, maar laat ze er dan voor zorgen dat eenvoudige menschen er niet door in de moeilijkheid komen. Ik hoop daarom, dat ze alsnog, den lezers wil duidelijk maken dat als er lin de Hervormde Kerk reglementen zijn die niet deugen, dan moeten wij niet de Kerk uitgaan, maar dan moeten die ondeugdelijke reglementen er uit. Wij moeten blijven en niet op zij gaan voor reglementen, die door onze voorouders en de voorouders van hen, die nu buiten de Kerk staan, gemaakt zijn in een geesteloozen tijd, in een tijd van diep verval.
M. de R., Ik behoef U niet te zeggen, hoe gij het doen moet, maar ik hoop toch dat U het stuk van prof. G. om bovengenoemde redenen, niet onbesproken zult laten.
EEN BONDSLID.
Onderschrift van de Redactie :
Wij hebben met het artikel van prof. Grosheide willen laten zien, hoe men in het midden van de Geref. Kerken de gebeurtenissen van '34 en '86 ziet en aanvoelt. Men is toen in allerlei conflict gekomen en dan moet men Gode meer gehoorzamen dan den menschen ! Dat spreekt als een boek. Daarom hebben wij bij ons optreden als Gereformeerde Bond gezegd: we moeten het-niet in den weg van conflicten zoeken, maar we moeten zooveel moigelijk conflicten vermijden, om de oplossing van het kerkelijk vraag stuk op breedere basis te brengen. Dan alleen kan het werkelijk tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk leiden. In den weg van conflicten moet men B zeggen als men A gezegd heeft en met wiskunstige zekerheid is het te zeggen, dat de weg van conflicten nooit een oplossing geeft, wèl nieuwe scheuringen.
Daar zit men op te wachten in de Kerken, die door conflicten zijn ontstaan in 1834 en in 1886. • ,
Wil men dien weg op, dan moet men óok consequent zijn. Dat roept men ons van dien kant toe. En daarom zeggen wij : we willen dien weg niet uit. We moeten een anderen en beteren en breederen weg hebben.
M. V. G.
Mijnheer de Redacteur,
Tot mijn spijt kon ik de laatste vergadering van den Gereformeerden Bond niet bijwonen, 't Was mijn plan te gaan, maar bijzondere oorzaken maakten dat ik thuis moest blijven. Daarom zag ik met groote nieuwagieriglheid uit naar een verslag, om te mogen weten wat er alzoo verhandeld is en wat er is besloten. Ook hierin werd ik teleurgesteld. Mijn dagblad bracht mij geen berichten en ook de Waarheidsvriend zweeg stil. Is daar een bizondere oorzaak voor?
Intusschen verscheen een oproeping aan het adres van Kerkeraden v|in Gereformeerde gemeenten, begeleid van een ingezonden stuk, onderteekend door prof. Van Leeuwen, dr. Severijn, en anderen. Misschien doordat ik niet ter vergadering toen geweest is mij deze heele zaak niet recht duidelijk. Wat wil men nu eigenlijk ? Een groep van Gereformeerde gemeenten bij elkaar brengen nu er geld betaald moet worden, waarbij enkele kerkvoogdijen jammeren van geweld ? Zijn er niet veel grootere dingen geweest, geestelijke dingen, die men maar heeft laten gaan en die-men nog maar laat gaan ? Mij duijkt, ds. v. Dorp, van Utrecht, heeft op de laatste gewone vergadering van onzen Bond tal van zaken in den vorm van vragen naar voren gebracht, waar men eerst wel eens over praten mocht ; die ik althans veel belangrijker acht dan nu het om een centen-kwestie gaat. De kerkeraden schijnen de geestelijke misstanden makkelijker te slikken dan de kerkvoogden de centenkwestie kunnen verduwen. En de predikanten maken zich ook drukker om de tractementskwestie dan om de geestelijke aangelegenheden van onze Hervormde Kerk.
Naar mijn oordeel kan hier nooit zegen op rusten, 'hoe vroom men misschien ook praten kan. Toen door het optreden van ds. Pauwe en ds. Keck nog weer eens de geestelijke nood en diepe ellende van onze Hervormde Kerk aan 't licht kwam, heeft niemand een vinger verroerd ; van een convent van kerkeraden van Gereformeerde gemeenten heb ik nooit gehoord ; en men heeft eenvoudig ds. Pauwe en ds. Keck laten gaan, zonder dat er iemand zich deze zaak aantrok. Maar als het de centen-kwestie raakt is Leiden in last. Maar zóó kan en zal men zich van het oordeel niet vrij maken. De Heere zal het bezoeken. En het valt dan ook niet 'moeilijk te voorspellen, waar deze beweging op uitloopen zal. Het einde zal zijn een droeve mislukking, waarbij enkele menschen in conflict zullen komen en dan wel verloren zullen zijn voor onze Hervormde Kerk, om in onkerkelijke kringen terecht te komen, terwijl van de predikanten zich straks niemand zal wagen om op deze dingen in te gaan, daar het de verwarring nog grooter zal maken.
Ik hoop, mijnheer de Redacteur, dat ik mij vergis ; maar ik geloof het niet. Ik ben niet zoo jong meer en heb al heel wat mee gemaakt op kerkelijk gebied. En daarom juist geloof ik, dat deze zaak mislukken zal en ik hoop hartelijk, dat het den Heere behagen mag om ons allen te zamen eens op de rechte plaats te brengen, opdat de geestelijke dingen ons zóó mogen gaan aangrijpen, dat er niet langer getalmd zal worden om de oplossing van het kerkelijk vraagstuk ernstig ter hand te nemen. Maar dan zal men van een anderen kant moeten beginnen dan nu, om grond te krijgen waarop men staan kan. Wat zou het een zegen zijn, indien het kerkelijk vraagstuk eens opgelost kon worden. Ook de nu gevoerde verkiezingsstrijd, die door 's Heeren ongehoudene goedheid zoo heerlijk is afgetoopen, deed het mij weer zoo gevoelen, dat de kerkelijke kwestie moet worden opgelost. We mogen het niet langer laten loopen, zooals het loopt. Maar daarom betreur ik het, meer dan ik hier schrijven kan, dat men het nu van dezen kant gaat aanpakken. Laat men zich nog eens toedenken. Beter ten halve gekeerd, dan geheel gedwaald.
U, mijnheer de Redacteur, dankend voor Uw vriendelijkheid mij een plaatsje in te ruimen in ons Bondsblad, noem ik mij
EEN BONDSLID.
A., 10 Juli 1922.
Onderschrift van de Redactie : __
Ook deze stem hebben wij niet willen smoren. Laat men er eens over nadenken.
M. V. G.
Geachte Redactie,
Ondanks de beschouwingen onder het opschrift : „de twee pijlen", in Uw blad van 16 Juni 1.1., gaat men van Christelijk Historische zijde nog maar steeds voort bedektelijk en in het openbaar „de goe-gemeente" te verkondigen, dat al wie goed (ik spatieer) Hervormd is Christelijk Historisch moet stemmen èn in het belang der Kerk èn om den invloed van Rome tegen te gaan. Immers, volgens de Christelijk Historischen , , heulen de A.R. met de Afgescheidenen en de Roomschen."
Na al wat de hooggeachte redacteur van „Staat en Maatschappij" in de Waarheidsvriend herhaaldelijk tegen dit geroep der Christelijk Historischen heeft aangevoerd, zou het boter aan de galg gesmeerd zijn, verder d-aar tegen te velde te trekken.
„Gij hebt de Christelijk Historischen altijd nog aan uw been", voegde een heftig voorman der liberalen mij eens toe, toen de rechtsche partijen bij een Kamerverkiezing het gewonnen hadden. En als ik zoo al naga, wat ook bij deze verkiezing door vele Christelijk Historischen tegen de Anti Revolutionairen is geschreven en gesproken hetzij rechtstreeks of zijdelings, dan móet ik besluiten dat mijn liberale zegsman schoon gelijk had.
Diep te betreuren is het, dat onder onze Bondspredikanten, naar verluid, nog enkelen gevonden worden — al is het in deze omgeving nog maar een enkeling — die bij de laatste _ Kamerverkiezing samengewerkt hebben, ja zelfs met Christelijk Historische mannen, die de Staatsmacht trachten te gebruiken tot propaganda voor de ethische richting.
EEN BONDSLID.
Hoeksche Waard, 7 Juli '22.
Mijnheer de Redacteur,
Mag ik u om eenige plaatsruimte in uw blad verzoeken ter oorzake van een oproeping van Ned. Herv. Kerkeraden van gemeenten van Gereformeerde belijdenis tot een convent, geplaatst in de Waarheidsvriend van 7 Juli 1.1. ?
Dat de onderteekenaars van die oproeping een actie in onze Ned. Herv. Kerk willen beginnen is hun recht.
Maar zij hebben niet het recht om Kerkeraden uit te noodigen tot een' convent om actie te voeren tegen het Reglement op de Predikantstractementen als zij meer bedoelen, en van dat meerdere geen woord reppen.
Zoo zullen vele gemeenten uit afkeer tegen het Reglement op de Predikantstractementen meegesleept worden in een .beweging, die zij den rug zouden toekeèren, indien zij kenden de toeginselen, waarop zij berust, het doel dat zij beoogt, en het resultaat, dat zij noodwendig moet opleveren.
Daarom protesteer ik tegen een dergelijke wijze van doen.
Daar ik lid was van de Commissie van Advies inzake de oplossing van het kerkelijk vraagstuk, benoemd door het bestuur van den Geref. Bond, heto ik met de onderteekenaars van bovengenoemde oproeping samengewerkt om te komen tot een optreden tegen het Reglement op de Predikantstractementen.
Mijn bezwaar is dan ook niet, dat de actie tegen het Reglement op de Predikantstractementen gaat. Ik ben ook tegen dat Reglement, omdat bij "doorvoering daarvan de huidige organiisatie zoodanig zal bevestigd worden, dat reprganisatie-bijna niet meer mogelijk zal zijn. Ook wordt door dit Reglement het karakter der gemeenten als Kerk van Christus en het ambt van dienaar des Woords als dienaar van Christus aangetast, door het voor te stellen alsof we'te doen hadden met een Vereeniging, die in hare afdeelingen bezoldigde propagandisten aan" stelt. - ^
Daarom ben ik ook niet tegen het constitueeren van een Vereeniging van Gemeenten, om na verkregen toestemming der Synode op grond van particulier initiatief te doen wat nu het Reglement op de Predikantstractementen inzake de verbetering der predikantstractementen beoogt, om aldus niet mee te werken - aan machtsuitbreiding der Synode.
Maar dan zal de grondslag van die Vereeniging waarborgen moeten bevatten, dat
1". zij niet bedoelt splitsing teweeg te brengen in onze Hervormde Kerk, maar integendeel haar herstel in haar geheel op het oog heeft ;
2°. zij geen uitzonderingspositie in onze Kerk wenscht in te nemen en dus voor heel de Kerk zoekt te verkrijgen de mogelijkheid om door particulier initiatief (onder voldoende waarborgen) den predikant het vereischte tractement te verschaffen ;
3°. zij in geen enkel opzicht een kerkverband wil vormen of daartoe wil leiden en daarom slechts een tijdelijk karakter wil dragen om zonder meer ontbonden te worden bij herstel van onze Kerk, om dan de tractementskwesties door de Kerk in haar geheel in haar wettige vergaderingen te laten regelen.
En verre van deze waarborgen te willen geven, is het uitgesproken doel van het samenroepen van iGereformeerde gemeenten, om deze in één Vereeniging samen te brengen om dan deze Vereeniging te laten uitgroeien tot een verband van Gereformeerde kerken, om dan geleidelijk dat verband te gaan beschouwen als de ware Kerk i n de Ned. Hervormde Kerk, om tenslotte zoo noodig te breken met wat zich bij haar niet voegde.
Om deze reden kan en mag ik om des beginsels wiille met deze beweging niet mede gaan.
En waar het bij de oproeping niet vermeld is (ook niet in het ingezonden stuk in het zelfde nummer van de Waarlheidsvriend), dat het Reglement op de Predikants tractementen de gangmaker moet zijn voor een dusdanige actie, acht ik het mijn plicht, gemeenten, die niet mee wenschen te gaan met een beweging die op verscheuring der Ned. Hervormde Kerk 'moet uitloopen, te waarschuwen, om zich door deze beweging niet te laten meesleepen.
Laat men dan liever de handen ineen slaan om een weg te zoeken die met behoud van de eenheid der Kerk inderdaad leidt tot wegneming van wat in het Reglement op de Predikantstractementen onze Kerk schaadt.
U dankend voor de plaatsruimte.
Uw dw. dnr.,
P. A. BINSBERGBN,
Ned. Herv. Predikant.
•Leerbroek, 7 Juli 1922.
Onderschrift van de Redactie :
Wij hebben dit „Ingezonden" van ds. Binsbergen niet wiillen weigeren, omdat men, waar een dergelijke meening toestaat, ter vergadering deze zaak nu nog eens ernstig onder de oogen kan zien.
M. v. G.
Mijnheer de Redacteur,
Wij verzoeken U beleefd om opneming van het volgende :
Tegen den 20sten Juli a.s. zijn de Nederl. Hervormde Kerkeraden van Gemeenten van Gereformeerde belijdenis opgeroepen tot een convent te Utrecht.
De bedoeling hiervan is deze : zonder twijfel zullen tal van Gereformeerde gemeenten, ook van kerkvoogdijen, op grond van het Gereformeerd beginsel bezwaar heb ben tegen het voldoen aan de bepalingen van het Reglement op de Predikantstractementen, waardoor de Synode het recht der plaatselijke Kerk miskent.
Niettemin zullen ook zij overtuigd zijn van de noodzakelijkheid, dat aah de dienaren des Woords zulk een schadeloosstelling gegeven worde, dat zij zonder bezwaar hun ambt kunnen vervullen.
Teneinde nu gezamenlijk bij de Synode hun bezwaren tegen het bestaande Reglement in te brengen, en te komen tot een gemeenschappelijke, onderlinge regeling, die zij aan de Synode wenschen voor te leggen, is samenspreking mogelijk en gewenscht. Het ligt voor de hand, dat ook de kerkvoogdijen, waar mogelijk, hierbij zullen betrokken worden.
Dringend worden daarom de Kerkeraden van Gereformeerd belijdende gemeenten uitgenoodigd op den 20sten Juli a.s. te Utrecht aanwezig te zijn.
Het moet der Synode duidelijk worden gemaakt, eenerzijds, dat het Gereformeerde beginsel een verkrachten van de rechten der plaatselijke Gemeenten niet kan dulden, anderzijds, dat met name Gereformeerde Gemeenten bereid zijn, ook in onderlinge samenwerking, naar den eisch van Gods Woord in het onderhoud van hare dienaren te voorzien.
Prof. dr. J.A. C. VAN LEEUWEN, Utrecht
Dr. j. SEVERIJN, Dordrecht.
Ds. R. BARTLEMA, Hoogeveen.
Ds.. J. DE BRUIN, Zeist.
Ds. I. KIEVIT, Lunteren.
Ds. H. J. VAN SCHUPPEN, Gr.-Ammers.
J. WEENER, Utrecht.
Ds. J. G. WOELDERINK, Randwijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's