Op Kerkelijk Erf
XIV.
Kerk en Staat.
In de eerste plaats wordt dus het vraagstuk omtrent de verhouding van Kerk en Staat bepaald door de beschouwing van het overheidsrecht en het recht der Kerk. Het conflict, dat wij aan de hand der historie hebben geteekend, wijst er dan ook op, dat het juist in de reohtsbeschouwing aan overeenstemming of althans erkenning ontbreekt en dit behoeft niemand te verwonderen, die bedenkt, dat de voorstellingen van Kerk en Staat op haar beurt saamhangen met de wereld-en levensbeschouwing, die iemand aanhangt. Daarom schuilt de oorzaak van den strijd in de diepere beginselen des levens en dit is wederom aanleiding van de onverzettelijke kracht, die vaak in de worsteling wordt geopenbaard en de onverdraagzaamheid, die daarmede saamhangt. Steeds is hierbij de religie in het geding en het valt niet te ontkennen, dat de positieve beschouwing van de religie van Christus den strijd söherpt, eenerzijds door de onwankelbare overtuiging des geloofs, die omtrent de hoogste en heiligste goederen niets van krenking kan dulden, anderzijds door een natuurlijk verzet tegen de strengen des evangelies. Wij laten na hierbij in te gaan op den invloed door velerlei omstandigheden des tijds uitgeoefend, waardoor niet zelden onheilig vuur op het altaar wordt gebracht en willen er slechts op wijzen, dat de Christelijke levens-én wereldbeschouwing als zoodanig op fundamenteele waarheden is gebouwd, die voor den Christen onwrikbaar vast staan. Een der eerste grondbeginselen van het positieve Christendom naar Gereformeerde conceptie is, zooals bekend, de erkenning van het goddelijk gezag der H. Schrift, naar het reformatorisch beginsel, dat in de artikelen des geloofs wordt uitgedrukt : „En wij gelooven zonder eenige twijfeling al wat daarin begrepen is ; en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige houdt ; maar inzonderheid, omdat ons de H. Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn." (Art. V). Ten onrechte wordt dit reformatorisch toeginsd niet zelden verward met het subjectivisme, dat het moderne denken kenmerkt en slechts tot een o p-v a t t i n g der waarheid, en geenszins tot de kennis der waarheid komen kan. Voor velen is er geen principieel onderscheid in de religieuse ervaring van een Luther en die welke wordt gepredikt door een moderne wijsbegeerte. Het is hier niet de plaats om dit vraagstuk nader te ontleden, doch met klem leggen wij er den nadruk op, dat zulk een verwarring het wezen der Christdi|ke religie miskent en een vervloeiïng der grenzen bevordert, die slechts schade kan brengen aan de waarachtige kennis en de juiste waardeering van de leer der H. Schriftuur.
Ongetwijfeld is het juist, dat de Reformatie den nadruk heeft gelegd op het persoonlijk karakter des geloofs en daarin ook wordt een der belangrijkste tegenstellingen met de Roomsche Kerk naar voren gebracht. Het is ook niet te veel gezegd, dat de eigenlijke kracht der Reformatie is gelegen in de als het ware nieuwe ontdekking van dit moment der persoonlijkheid doch dit mag niemand verleiden tot een misvatting, die inderdaad in de historie heerschende werd, dat de reformatorische geest werd geboren uit denzelfden schoot, die het moderne denken heeft gebaard. Weliswaar verschijnen zij beide op het veld der historie, en opkomend in het bewustzijn der menschheid, nemen zij gestalte aan in menschen van èèn geslacht, zoodat in al de mengeling van de saamleving silechts de veelvuldige verscheidenheid van vormen wordt waargenomen, doch in de diepte der persoonllijkhdd zou kunnen worden ontdekt, dat er in oorsprong en wezen een onmiskenbaar verschil is tusschen de bewustwording des geloofs, die in de Reformatie zich openbaart en de bewustwording van den modernen geest.
In de ontwikkeling van het geestesproces der menschheid ontplooit ook de gevallen menschdijke natuur, nog in 't licht der goddelijke genade, ' dat over haar opging, de gaven en krachten, die aan den beelddrager werden geschonken als hij voortkwam door Zijn zonderlinge zorg. Weliswaar stelt hij dat alles van nature dienstbaar aan de zonde, doch dit neemt het feit niet weg, integen deel, daarin ligt een schrikkelijk oordeel, wijl hierin de verborgenheid der ongerechtigheid wordt gewrocht en de oogst der wereld rijpt. Het ligt voor de hand, dat hier in ook elementen worden opgenomen, ontleend aan de openbaring Gods. De oorsprong van het menschelijk geslacht en de sprake der gansche schepping mogen den gevallen mensch niet meer tot klare kennisse Gods opvoeren, het valt niet te ontkennen en de H. Schrift bevestigt het ons, dat hetgeen van God kennelijk is ook zelfs in den heiden (Openbaar is. Evenmin bleef ook de bijzondere openbaring Gods zonder invloed op de menschheid. Schoon slechts door de Kerk van Christus door de werking van den H. Geest verstaan, deelde zich ook het Woord in haar prediking mede aan de wereld, die daarvan aanneemt, wat zij goed oordeelt en op de wijze, zooals zij het meent te kunnen gebruiken. Zoo moest in den voortgang der eeuwen-ook het denken der menschen veel opnemen, dat uit het heiligdom der waarheid ontleend, de verwarring en vervloeiïng van wat uit den mensch opkomt en van den Geest Gods wordt geleerd, deed toenemen.
En ofschoon een Libertijnsche geest in den tijd der Reformatie meende, dat het den mensch vrij stond over de aardsche aangelegenheden te denken, zooals hij die verstond, reeds spoedig veroorloofde hij zich zulks ook, waar het goddelijke zaken betrof en niet lang na dien openbaarde hij zich stouter in de veronderstelling, dat hij in alle dingen put uit zichzelf wijl hij uit de godheid geboren, zich als zoodanig meende bewust te worden. Deze grondbeschouwing die heel het moderne 'geestesleven beheerscht is vijandig aan ihet reformatorisch beginsel, dat wij boven hebben geteekend. Daarom heeft zich de Kerk daarvan duidelijk bewust te worden opdat zij niet verder wordt afgedreven van den grondslag des geloofs. Immers Gods volk leeft niet uit den ge«st der wereld, maar sterft dien af, wijl de levendmakende geest Gods een wereld van hoogere orde voor het oog der ziel heeft geopenbaard, waar God woont. In die ontdekking schrikt het terug voor de vergoding van den mensch, waarin de verborgenheid der zonde schuilt en kent zich als overtreder. Die arbeid des H. Geestes en de wetenschap, die Hij werkt omtrent God en den mensch, onderscheidt zich van alle andere kennis en doet een licht opgaan over de H. Schrift, dat haar goddelijken oorsprong buiten twijfel stelt, wijt haar getuigenis uit denzelfden Geest werd geboren, die in het binnenste verscheen. Hierdoor wordt Gods kind in gemeenschap gesteld met de heiligen Gods, die bedeeld met de gave der profetie nog door de H. Schrift getuigen, wat de Geest hun gaf te spreken. Deze gemeenschap werkt niet alleen de geheel eenige beteekenis der H. Schrift, maar ook de eenigheid des geloofs overeenkomstig de openbaring des H. Geestes. En geheel deze gemeenschap der heiligen wordt gedragen door de uitnemende kennis van den Christus, uit wien de H. Geest alles heeft genomen en door wien Hij het deelgenootschap aan Zijn schatten en gaven mededeelt. Zoodra de Christus wordt gekend als het levende Woord, straalt heel de Schrift Zijn heerlijkheid uit.
Deze werking van den H. Geest, die God aan Zijn Kerk heeft willen schenken, bepaalt derhalve ook het karakter der Kerk en niet minder heel de wereld-en levensbeschouwing van hen, die uit dien Geest zijn geboren. Voor hen heeft het Woord goddelijk gezag en stelt op alle terrein des levens onwrikbare normen. Op de beginselen der Schrift wordt derhalve de positieve Christelijke beschouwing der dingen opgetrokken, zooals dat ook in den Reformatorischen tijd door den grooten denker van Geneve is geschied. Het ligt dus voor de hand, dat de Christendenker ook in zijn beschouwing over Kerk en Ovenheid is gebonden aan de beginselen van het Woord en in botsing komt met den Libertijn. Dit conflict moet noodwendig hardnekkig zijn in tijden van geestelijke kracht, wijl de eerste zijn beginsel niet kan prijsgeven en de laatste het niet kan waardeeren.
In de worsteling van het Calvinisme om kerkorde en confessie was het beginsel der Reformatie, dat wij toelichtten levend werkzaam. De strijd om een kerkorde was niet een strijd om een vorm van kerkregeering, maar was dieper gegrond. Dit is dan ook niet verborgen gebleven, doch reeds in de jaren van het Twaalfjarig bestand dreigde een scheuring der Kerk, die de overheid vergeefs zocht te voorkomen door rekkelijkheid te prediken en brak de strijd los over het leerstuk der praedestinatie, dat onmiddellijk saamhangt met het wezen der Kerk en het beginsel der Hervorming, zooals dit door het Calvinisme werd vastgehouden.
Geheel hiermede in overeenstemming is de eisch van het Calvinisme van een vrije kerk. Dat zij niet tot stand kwam in een tijd, waarin de Overheid uitging naar een eenheidskerk, waaronder zoo mogelijk allen een toevlucht hadden te zoeken en velen nog Roomsah genoeg waren om hetzelfde te begeeren, kan niet verwonderen, te minder, daar haar de eer te beurt viel de eigenlijk alleen erkende kerk te zijn. De nadeelen daarvan ondergaat de Hervormde Kerk tot op onzen tijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's