De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

5 minuten leestijd

Oudervrees.

De heer J. C. Wirtz Czn. schrijft aan „De Rotterdammer" :

Dit woord heeft een dubbele beteekenis : men kan er mee aanduiden de vrees der ouders b.v. voor het lot van hun kinderen ; maar het kan ook gebruikt worden in de beteekenis van vrees voor de ouders.

Aan die laatste kwaal schijnen vele openbare onderwijzers té lijden.

Op twee manieren is dit in den laatsten tijd uitgekomen. Allereerst in betrekking tot de oudercommissie. Zooals men weet is op voorstel van Ketelaar in de onderwijswet de verplichting opgenomen aan iedere school of bij iheel kleine scholen voor meer dan één school een oudercommissie aan te stellen. Dit is allerwege geschied. Op vele plaat sen houden die commissies zich heel stil en stellen zich tevreden met een bestaan op papier. In andere plaatsen roeren ze zich en nemen ook wel eens dwaze besluiten. Gevolg daarvan is, dat men in de wereld der openbare onderwijzers al stemmen hoort, die vragen om bij de aanstaande wetsherziening die commissie maar weer op te doeken.

Het tweede voorbeeld heeft betrekking op Utrecht. Daar was tot voor korten tijd, even als trouwens in de meeste groote steden, de gewoonte, dat B. en W. aan een commissie van schoolhoofden opdroegen de sollicitanten voor de betrekking van onderwijzer en onderwijzeres te bezoeken, de inlichtinigen te bestudeeren en een lijst van benoembaren op te stellen, thans echter is die commissie uitgebreid door de benoeming van onderwijzers en ouders naast de hoofden. Daarover is in „De Bode", het orgaan van den Bond, heel wat te koop. Sommigen keuren dit heelemaal af, maar de redactie zegt alleen : „Verkeerd achten wij het opnemen van ouders in de commissie. Zij zijn in 't algemeen niet in staat om bij benoemingen een oordeel uit te spreken. Dat wisten wij allen toch ook wel ? "

't Is mogelijk, dat de leden van den Bond dit allen wel, wisten, maar de lezers van „De Bode" wisten het niet allen. Mijn ervaring b.v. is in beide genoemde gevallen precies omgekeerd. Wat betreft de oudercommissies hebben wij bij het bijzonder onderwijs een langdurige ervaring en die is over 't algemeen gunstig.

Erkend wordt b.v. dat het onderwijs op de bijzondere scholen minder onpractisch is dan op de openbare : dat hebben we voor namelijk aan het contact met de ouders te danken. Ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik juist door dat leekenelement tot de ontdekking gekomen ben van heel veel onzin in ons onderwijs niet het minst uitkomend in de rekenboeken, maar ook in de taaioefeningen, enz. Nu spreekt het vanzelf, dat er ook wel eens onaangename dingen voorvallen ; er is geen licht zonder schaduw, maar met wat tact komt men daar gemakkelijk overheen. En hebben de onderwijzers van de zoogenaamd deskundigen, van de autoriteiten nooit onaangenaamheden ondervonden? Bij het openbaar onderwijs moet men daarenboven de zaak nog leeren en eer men goed kan loopen, valt men dikwijls ; maar met vallen en opstaan zal men ook daar het loopen wel leeren.

Wat de tweede opmerking betreft : leeken bij de benoeming van onderwijzers, daarvan heb ik bijna zonder uitzondering goede vruchten gezien, 'k Heb er geen statistiek van, maar 't loopt stellig tusschen 50 en 100 maal, dat ik met leeken uit geweest ben om onderwijzers te bezoeken, 'k Sprak altijd af, dat de heeren zelf hun indrukken heel kort op papier zouden stellen, vóór we er over spraken en ik deed dit zelf ook. Als die papiertjes dan opengelegd werden, kwam het totaal der indrukken in 90 % van de gevallen met elkaar overeen. Meestal konden de leeken die indrukken niet ontleden en dan moest ik dit doen, maar op het resultaat had dit natuurlijk geen invloed.

Een sterk sprekend staaltje wil ik hier laten volgen. Twee bestuursleden van een school buiten mijn ambtsgebied hadden voor een vacature als hoofd o.a. twee scholen bezocht in mijn district. Daarna kwamen ze bij mij om raad. Ze vertelden, dat mijnheer A. hun heel veel had laten zien, teekenwerk, schrijfboeken, aardrijkskundige schriften, enz. Ook had hij buiten den lesfooster om heel mooi bijbelsche geschiedenis verteld. Alles, wat ze daar gezien en gehoord hadden, was bijzonder mooi en goed. Mijnheer B. had de heeren beleefd ontvangen en toen gezegd : „De heeren vinden het zeker 'wel goed, dat ik gewoon 'met het onderwijs door ' ga ? " En hij was kalm doorgegaan, alsof er niemand in de school was behalve de kinderen en hijzelf. Na afloop hadden de heeren gevraagd om schriften te mogen zien en toen had hij de kast geopend en gezegd : „Hier staan de schoonschriften en hier ligt een partij rekensohriften, maar de taalschriften hebben de kinderen in hun vak, - want die zijn al gecorrigeerd." De heeren waren tot het besluit gekomen, dat de resultaten, die zij gezien hadden bij mijnheer A., mooier waren dan die bij mijnheer B., en toch durfden ze A. niet als de beste aanbevelen, want zeiden ze tot mij : „We kregen den indruk, dat we mijnheer A. gezien hebben in zijn Zondagspak, en mijnheer B. in zijn daagsche kleeding." Ik kon de heeren volkomen op de hoogte brengen en moest beginnen met te erkennen, dat ze heel goed gezien hadden. B. is benoemd en men heeft daarvan nooit spijt gehad.

Dikwijls heb ik verbaasid gestaan over de opmerkingsgaven van onze eenvoudige bestuursleden, die uit velerlei kleine gegevens zulke juiste conclusies weten te trekken. Ik ben dan ook voor het leekenelement bij het onderwijs volstrekt niet bang ; integendeel : ik juich het toe, dat het ook bij het Openbaar Onderwijs een bescheiden plaatsje gekregen heeft. Als men echter voorstander is van „de school aan de onderwijzers", kan ik me begrijpen, dat men er niets van moet hebben ; maar ik acht het beslist in het belang van het onderwijs, als de invloed der ouders op heel ons onderwijs versterkt wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's