Op Kerkelijk Erf
XV.
Kerkorde en Confessie.
Zoo zagen wij in het voorafgaande, dat de strijd, dien de vaderen hadden te voeren met een Overheid, die haar souvereine macht ook in de Kerk meende te moeten handhaven, aanvankelijk slechts uit een verschil in rechtskundig inzicht scheen te ontstaan en dus als een conflict om een kerkorde zich openbaarde, na enkele tientallen van jaren de belijdenis zelf in het geding bracht en aan het licht trad als een heftige twist over de leer der praedestinatie. Dit is niet maar toevallig. Integendeel, er ligt een diep geestelijk verband tusschen de Kerkorde, die de Gereformeerden wenschten in practijk te zien gebrach1--en hun stout geformuleerde belijdenis. In wezen kwam heel de strijd op uit het confhct van tweeërlei geest en daarom moest dit zich over de geheele linie openbaren.
De Reformatoren zijn er zich welbewust van geweest, dat de goddelijke genadewerking, die ten deel valt aan de uitverkorenen Gods, en de onderrichting des Heiligen Geestes die daaraan gepaard gaat, een zeer bijzonder karakter draagt. Wij hebben ook aangetoond, hoe deze genadewerking een nieuw volk voortbrengt, dat zich niet alleen met den Christus in een nieuwe, geheel eenige levensbetrekking weet, maar ook een geestelijke gemeenschap kent, waartoe het als uit één schoot geboren is ingelijfd, n.l. de gemeente des Heeren, of het lichaam van Christus. Deze geestelijke werkelijkheid, die weliswaar aan het lichamelijk oog ontgaat, is de eigenlijke Kerk, waarvan Christus is het Hoofd en daarop zien de Reformatoren, als zij spreken van de onzichtbare Kerk. Het is de vergadering van de keurlingen Gods, die hen omvat, welke ontslapen zijn in den Heere, en degenen, die thans nog op aarde leven in de verwachting Zijner toekomst, terwijl zij in de voleindiging der dingen, als ailen zullen zijn toegebracht, in heerlijkheid zal worden geopenbaard. „Wij gelooven en belijden eene eenige Katholieke of algemeene Kerk, dewelke is eene heilige vergadering der ware Christgeloovigen, alle hunne zaligheid verwachtende in Jezus Chris tus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Deze Kerk is geweest van den beginne der wereld af, en zal zijn tot het einde toe." (Ned. Geloofsbel. Art. 27). Ook de Catechismus beschrijft de Kerk in dezen geestelijken zin in Zondag 21.
De eenheid van deze onzienlijke Kerk ligt derhalve in den Christus als haar Hoofd en wordt gekend door de werking van den Heiligen Geest, die als de Werkmeester Gods het werk van den Middelaar toepast, den Christus openbaart en deel geeft aan Zijn schatten en gaven. Deze eenheid is dus een levende werkelijkheid en wordt ook als zoodanig gekend en onderscheiden van alle vereeniging en gemeenschap der menschen. Evenals het menschelijk geslacht een eenheid is, waartoe wij door de natuurlijke geboorte behooren, zoo is ook het lichaam van Christus een geestelijke eenheid, waarvan de leden door de wedergeboorte des Heiligen Geestes deel uitmaken. Het kan derhalve duidelijk zijn, dat deze geestelijke visie op de Kerk van groote beteekenis is voor de waardeering, die het positieve Christendom, zooals dat door de Gereformeerden wordt beleden, vindt in kringen, die aan een meer universeelen blik de voorkeur zouden willen geven. Het ligt toch voor de hand, dat de leer der praedestinatie, zoovaak met afkeer en tegenzin begroet, inderdaad meer is dan een leer en uitgaande van het verborgen leven der Kerke Gods als openbaring van dat leven moet worden verstaan.
Doch zou men ook in dit geestelijk aspect nog een wijle in Gereformeerd gezelschap willen verkeeren, de onderscheiding zal niet lang op zich laten wachten, zoo wij in herinnering brengen, hoe de Heilige Geest zich bedient van de Schriften, zooals wij zulks eerder hebben geteekend. Immers de openbaring van den Christus en Zijn verlossingswerk gaat niet buiten het Woord om, doch de Heilige Geest onderricht het volk Gods uit dat Woord, zoodat het zijn verborgenheden ontsluit en dien Christus teekent, zooals Hij is, wijl het van Hem is uitgegaan door dienzelfden Geest. Zoo wordt ook het leven van de Kerk in de Heilige Schrift gevonden, haar strijd en haar zegepraal, aangezien zij uit den Christus leeft en verschijnt als die levende geestelijke werkelijkheid, die boven het aardsche verheven is. Daarom ook is de Kerk in haar openbaring op aarde gebonden aan het Woord en kan zij alleen bloeien, iadien zij daarop acht heeft als op een licht schijnende in een duistere plaats. In het Woord hgt niet alleen een regel des geloofs, maar ook een regel des levens voor de Kerk. Het leven door den Heiligen Geest gewekt drijft hiertoe als vanzelf uit. Zoo is het dus geen wonder dat de gemeente van alle eeuwen uit de Heilige Schrift zoekt te leven en dat ook de Reformatoren haar goddelijk gezag beleden. Dit beginsel mag dan ook nimmer prijsgegeven en het zal ook niet geschieden, zoolang Christus' Kerk óp aarde verkeert.
En al is het nu om begrijpelijke redenen waar, dat de zichtbare Kerk hier beneden steeds schapen en wolven zal huisvesten en een Kerk van louter kinderen Gods in deze bedeeling nimmer door menschen zal kunnen worden bijeengebracht, het is ook even waar, dat de openbaring van de Kerk, dus de gemeenschap van de Christ-geloovigen, een werk des Heiligen Geestes is. Immers de drijfkracht, die de Christenen bijeenbracht, om nu maar bij den apostolischen tijd 'te blijven, was allereerst het gemeenschappelijk leven, dat hun eigen was geworden. Door dien geestelijken band saamgesnoerd vormden zij de eerste gemeenten.
Hadden zij in hun samenkomsten en het lezen en onderzoeken der Schriften een voorbereiding in de synagoge der Joden, ook daar was de Heilige Geest de auteur der gemeenschap. Doch afgezien hiervan is het duidelijk, dat ook die eerste gemeenten niet zonder orde konden vergaderen, tenzij spoedig aan den dag zou treden, hoezeer deze noodig was. De Schrift zelve onderricht ons hier op zoo menig punt. Ongetwijfeld werd dus de saamkomst der gemeente geboren uit den geestelijken drang om te getuigen van de groote werken Gods en elkander te vertroosten en te versterken in het geloof, terwijl in dit alles de gedachtenisviering van den Verrezene in het midden stond, zooals uit het veelvuldig gebruik van het Heilig Avondmaal kan worden verstaan. Doch juist in die geestelijke drijfkracht openbaarde zich een heilige roeping der Kerk om het heil alom te verkondigen naar het Woord des Heeren, terwijl ook bij zoo krachtige werking van den Heiligen Geest de vruchten der dankbaarheid in den arbeid der liefde zich rijkelijk afwierpen. Waren nu in de apostelen de machtige organen aangewezen, waarvan de Koning der Kerk zich bedienen wilde om het Evangelie des Kruises de wereld in te dragen, zoodra de Kerk zich uitbreidde, was er behoefte aan organisatie, opdat zij haar roeping zoude kunnen vervullen. Want immers, ofschoon het apostelschap een bijzondere gave en roeping des Heeren is, als zoodanig aan de twaalven toebetrouwd, als orgaan van den Heiligen Geest, die in het midden der Kerk woont, is de Kerk de getuige des Heeren in deze wereld. Als openbaring van het lichaam van Christus draagt zij de kenmerken daarvan ook in de uitoefening van Zijn drievoudig ambt en gelijk dit in ieder lid van den levenden Christus aan den dag treedt, meldt dit ook voor Zijn gemeente.
Aangezien de Heilige Geest alles uit den Christus neemt, deelt het nieuwe leven in al Zijn volheid en openbaart zich in zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk karakter. De vernieuwing des gemoeds werkt niet alleen een nieuwe kennis en een drang om daarvan te spreken, maar ook een nieuw leven, dat de offerande der dankbaarheid gaarne brengt en een wereldoverwinnend geloof. Daar nu zulk een leven deel mag zijn, zij het ook in beginsel van elk der leden, daar ligt het voor de hand, dat ook hun vergadering dat zelfde leven openbaart en dus ook de plaatselijke Kerk die kenmerken draagt. Letten wij hierbij op de verscheidenheid der geestelijke gaven, zoo vinden wij ook in die gaven weer de dragers der ambten aangewezen en de Schrift leert dan ook, hoe door de apostelen die ambten werden ingesteld, overeenkomstig het drievuldig ambt van Christus.
Vatten wij thans dit alles tezamen, dan springt het in het oog, dat er een nauw verband ligt tusschen Kerkorde en Confessie en dat deze door de beginselen, waaruit hét Calvinisme leeft, beide bepaald worden. Dat zij zich bij de vaststelling en formuleering zoo nauw aan die beginselen hebben gehouden, is niet weinig te danken aan de verwarring, die in het vaderland heerschte, zoodat zij geen plek gronds bezittende om rustig kerkelijk te leven wegens den krijg, en de woede der vervolging, in afwachting van betere tijden elders' vergaderden om te beraadslagen over deze gewichtige aangelegenheden. Hier was geen vorst, die de saamstelling van belijdenis en Kerkorde beval, wijl hij zich als beschermer der Kerk opwierp. Uit den boezem der strijdende Kerk zelf kwamen zij op. Men formuleerde een belijdenis, die elk oogenblik met den dood kon worden bekocht en hoopte in de kracht des geloofs op de overwinning, die straks de vrijheid zou verwerven om naar de beginselen des Woords ook kerkelijk te leven.
De teedere. Godsvrucht der vaderen, die geboren uit den levendmakenden Geest, zich sterkte aan het Woord Gods, was de verborgen kracht, die nog in hun nagedachtenis tot ons spreekt met een goddelijk vermaan. Welke zwakheden hun ook hebben aangekleefd en hoezeer zij ook in menig opzicht kinderen waren van hun tijd, het valt niet te ontkennen, dat zij het nageslacht beschamen door den helderen blik, waarmede zij de dingen, die des Geestes Gods zijn, mochten zien en den heldenmoed des geloofs, dien zij hebben getoond in een strijd om de vrijheid der Kerk in deze landen te verkrijgen. Dat zij daarin niet ten volle geslaagd zijn en welke bezwaren zij daarbij ondervonden, hebben wij reeds hier en daar gemeld. Hun treft geen blaam, doch eer valt die op het nageslacht, waarin de geest der oudstrijders verstierf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's