Uit het kerkelijk leven.
Artikel 171 der Grondwet.
De kwestie van de verhouding van Staat en Kerk is niet de makkelijkste, want telkens blijkt dat zich hierbij allerlei verwarrende redeneeringen opdringen, die de zaak weer komen vertroebelen. Helderheid en klaarheid blijft dan uit.
De Confessioneele Vereeniging had een Commissie benoemd om de kwestie van art. 171 der Grondwet, waar de verhouding van Staat en Kerk wat betreft de financiën om schreven is, nader onder de oogen te zien.
't Was al dikwijls gebeurd. De Antirevolutionaire Staatspartij had het pas gedaan. De Christelijk Historische Unie deed het ook. De Confessioneele Vereeniging zou het zelfstandig óók nu doen. En het is gebeurd.. Een commissie, bestaande uit de predikanten ds. Kromsigt, ds. Den Hertog, van Rotterdam, ds. Gravemeyer en ds. Poot, van Amsterdam, heeft de zaak besproken en overwogen en ook rapport uitgebracht ; waarbij de conclusies luiden :
I. Het is niet mogelijk art. 171 (G.W.) alleen of op zichzelf te beschouwen, maar noodwendig komt daarmee aan de orde „de verhouding van Kerk en Staat."
II. De Confeissioneele Vereeniging verklare zich tegen de „losmaking der zilveren koorde" en dus vóór handhaving van art. 171 (G.W.)
a. omdat art. 171 nog een principiëele en historische herinnering aan de roeping der overheid ten opzichte van de Kerk is, waaruit ook het onderscheid tusschen onze Hervormde Kerk en de „vrije kerk" voor de oogen des volks duidelijk blijkt ; b. omdat losmaking ons practisch slechts weer een schrede nader zou brengen op den revolutionairen weg van „Scheiding van Kerk en Staat" ;
c. omdat losmaking in de practijk ongetwijfeld op nadeel voor onze Kerk zou uitloopen ;
d. omdat een dergelijke losmaking derhalve nooit dqor ons mag worden geprovoceerd, maar alleen als een „oordeel Gods over onze Kerk" aanvaard.
III. De Confessioneele Vereeniging handhave, wat de verhouding van Kerk en Staat betreft, het beginsel van art. 36 der Nederl. Geloofsbelijdenis met kracht en spreke daar om duidelijk uit, dat zij het revolutionaire beginsel van den modernen neutralen staat verwerpt, en dat zij mitsdien belijdt dat de overheid geroepen is, op haar terrein niet slechts de tweede, maar óok de eerste tafel der wet te handhaven,
omdat Gods Woord dit eischt (Psalm 2 ; Jes. 49 : 3 ; 1 Tim. 2:2; Rom. 13 : 4), . omdat de twee tafelen niet van elkander kunnen en mogen gescheiden worden, en omdat zedelijkheid zonder godsdienst onbestaanbaar is.
IV. De Confessioneele Vereeniging stelle inzake art. 171 (G.W.). het historisch recht onzer Kerk met kracht op den voorgrond, zich aansluitend aan de betoogen, o.a. geleverd door ds. H. van Eijck van Heslinga en door dr. H. H. Kuyper in de artikelen : „Geen gunst, maar recht" in de Heraut van 1920 en 1921 ;
tegenover de h.i. revolutionaire beschouwingen van de heeren jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman (in de N e d e r 1 a n d e r van 1921 en 1922), prof. L. J. van Apeldoorn, e.a., en bevordere diensvolgens zooveel mogelijk alle studiën, dié kunnen dienen om het goed recht onzer Kerk te handhaven.
V. Zij doe dit recht der Kerk bij de Overheid gelden door ernstig aan te dringen op :
1°. Uitkeering van rijkstractement voor nieuw te stichten predikantsiplaatsen, inzonderheid in onze groote steden ;
2°. Verhooging van de thans uitgekeerde rijkstractementen in verband met de vermindering der geldswaarde ;
3°. Verhooging van de pensioenen voor de emeriti (een en ander op grond van de „naasting" van het kerkegoed in 1798 en slechts gedeeltelijke vergoeding hiervoor in de thans uitbetaalde rijkstractementen).
VI. De Confessioneele Vereeniging wijze er op, dat ook uit billijkheidsoverwegingen en overwegingen van practischen aard, de Staat zich niet langer mag onttrekken aan haar zedelijke roeping om aan de Ned. Herv Kerk in 't algemeen en aan nieuw te stichten predikantsplaatsen in 't bijzonder krachtigen steun te verleenen.
a. gezien de groote sommen, die de Staat besteedt voor volksuniversiteiten, jeugdwerk, „ons huis" werk, m. a. w. voor algemeen-geestelijke volksontwikkeling ;
'b. omdat nu reeds sinds een twintigtal jaren millioenen worden uitgegeyen voor de materieele, sociale nooden des volks, doch daarnaast van Staatswege nog zoo goed als niets is gedaan tot voorziening in de geestelijk-godsdienstige nooden der natie. Het is daarom te vreezen, dat deze eenzijdige stoffelijke hulp wel materieel voordeel, maar geestelijk nadeel heeft aangebracht, aangezien de juiste verhouding tusschen 't geestelijke en stoffelijke ten eenenmale. werd verbroken, ja zelfs omgekeerd.
Alles wat hierover in Confessioneele kringen en ook op de laatste jaarvergadering van de Confess. Vereeniging — waar ds. den Hertog van Rotterdam over deze kwestie heeft gerefereerd — gezegd is kunnen we natuurlijk niet nagaan, noch hier vermelden.,
Maar het blijkt, dat in het midden van onze Confessioneele broeders de zaak nog niet duidelijk is, want er is weer een commissie benoemd, die de kwestie andermaal onder de oogen zal zien. •
Nu verwondert ons dat niets.
Want het komt ons voor, dat door de commissie die nu gewerkt heeft én door den referent, die nu verklaard en toegelicht heeft de zaken schrikkelijk door elkaar gegooid zijn en er daardoor een lange reeks van verwarrende voorstellingen en conclusies zijn gekomen.
Daarom vinden wij het best, dat er weer een commissie is benoemd, om de zaak nog eens onder de oogen te zien.
Maar wat wij nu als ernstig bezwaar tegen onze Confess. broeders hebben, vooral die bij de Herv. Ger. Staatspartij zijn, doch óok die bij de Christ. Hist. Unie zijn, moeten inbrengen is : dat zij, vooral ook in den verkiezingsstrijd, gedaan hebben alsof zij deze kwestie onder de knie hadden en alsof het voor hen zoo helder als de zon was, hoe de verhouding van Staat en Kerk moét wezen en hoe met art. 171 Grondwet moet worden gehandeld.
We spreken hier uit eigen ervaring. Dat er óok nog de artikelen 168 en 169 van de Grondwet zijn, waarin aan ieder burger, van welk kerkgenootschap ook, grondwettige en burgerlijke rechten zijn verzekerd, zonder onderscheid — dat schijnt men soms niet te weten ; vooral niet als men bij tijden sterk deri indruk wil geven aan de menschen, dat men in Nederland maar één Kerk mag hebben en dat is dan de Hervormde Kerk. Geen Roomschen, geen doleerenden, geen...
Maar dan komt men tot de ontdekking, dat zulks niet gaat.-
En dan zegt men weer, dat men vrijheid wil voor ieder, voor Roomschen, doleerenden. Joden :
Maar dan staat art. 36 van de geloofsbelijdenis weer in den weg. Want dan mogen Roomschen en Joden en allerlei afwijkende secten en kerken niet geduld, nog minder gesteund.
En zoo draait men in een cirkel rond. Omdat men bedoelt, dat er maar één Kerk in Nederland mag zijn en dat is de Ned. Hervormde Kerk.
Alles wat daarbuiten valt, mag eigenlijk door de Overheid niet begiftigd worden met grondwettige en burgerlijke rechten, gelijk de anderen.
Daarorn zouden wij aan de Commissie, die nu 'benoemd is — of zal worden — vriendelijk willen vragen, nog eens .bizonder de aandacht te schenken aan art. 168 en 169 van de Grondwet en te vragen, of zij van oordeel is, dat er Grondwetsherziening moet plaats hebben in dien zin, dat deze artikelen verdwijnen ? Want dat moeten we van elkaar weten.
Verder wilden we vragen, of het niet gewenscht is het woord Kerk zóó te gebruiken, dat het niet in de eene conclusie heel wat anders bedoelt dan nu. Want dat juist geeft zooveel verwarring, dat 't woord Kerk nu in den eenen, dan in den anderen zin gebruikt wordt zonder eenige aanduiding van het verschil.
Wat bedoelt Kerk in conclusie 1 ? Wat bedoelt Kerk in conclusie VI ? En natuurlijk zal 't ons dan zéér benieuwen of bedoeld wordt dat de Staat geld voteerend „tot voorziening in de geestelijk-godsdienstige nooden der natie" dit alleen moet en mag doen voor de Ned. Hervormde Kerk, dan wel ook voor andere Protestantsche Kerken of voor alle Kerken, de Roomsche en de Israëlietische daaronder begrepen.
Uit den aanhef van conclusie VI zijn wij geneigd op te maken, dat hier alleen maar gedacht is aan de Ned. Hervormde Kerk. Doch het zou niet kwaad zijn als er meer helderheid kwam en nadere uiteenzetting van de uitvoering van deze zaak.
Hierbij zal dan natuurlijk ook nader moeten worden gesproken in venband met conclusie IV en V eenerzijds en conclusie VI anderzijds over het recht dat de Hervormde Kerk op historische gronden heeft en het recht dat zij zonder die historische gronden wil laten gelden.
Nog eens, het verwondert ons niet, dat men behoefte gehad heeft om een nieuwe Commissie in deze te benoemen, gezien hetgeen tot op heden is gepubliceerd, geconcludeerd en gerefereerd. Waarbij het ons spijt dat men soms, waar men zelf niet klaar was, zoo'n hoogen toon aansloeg, maar waarbij we hopen, dat de tweede Commissie gelukkiger mag zijn dan de eerste.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's