De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op Kerkelijk Erf

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op Kerkelijk Erf

7 minuten leestijd

XVII. Kerkorde en Confessie.

Het is van groot gewicht steeds voor o0gen te houden, dat èèn heilige, algemeene Christelijke Kerk dus voorwerp des geloofs is. Dit heeft ons te weerhouden van het pogen om op aarde een organisatie te stichten, die zoekt die Kerk te veruitwendigen en haar eigenschappen op een instituut toe te passen; Telkens treffen wij in de historie zulk een streven aan, dat steeds weer op vervalsching van de waarheid moet uitloopen. Naar verklaring van dat streven als zoodanig behoeft niet ver gezocht. In de eerste plaats is er een innige band des geloofs en der liefde, die alle leden van Christus' lichaam verbindt en die ook naar buiten zich openbaart in de gemeenschap der zulken. Reeds vroeger wezen wij er op, hoe juist die eenigheid des geloofs, geboren uit eenzelfden Geest de gemeente ook in haar uitwendige openbaring formeert. Doch juist daarin ook ligt de eenheid der Kerk in haar zuiveren en waren grond, en omvat niet alleen de gemeente des Heeren aan zekere plaats tegenwoordig, maar ook de Kerk aan alle plaatsen en door alle tijden. Deze eenheid is niet van buiten opgelegd, komt niet tot stand door een menschelijk instituut, doch is organisch in het leven door den Heiligen Geest gegeven. Daarom ook wordt zij gekend door het leven zelf, zooals wij dat o.a. waarnemen in de eerste gemeenten en zooals ook de Reformatoren die op het oog hebben gehad, zij 't dan ook, dat de Kerken der Reformatie bij haar inrichting wederom op menig punt afweken.

Zoodra echter de krachtige geest van het oudste Christendom ging verslappen en de Kerk zich uitbreidde ook doordat vele elementen tot haar toetraden, die vreemd waren aan den Christus, ging ook de kracht van de innerlijke eenheid verloren. Daarbij kwam, dat de positie, welke de Christelijke Kerk in de toenmalige wereld ging innemen, niet weinig riep om uitwendige organisatie, waarin haar eenheid tot uitdrukking zou worden gebracht.

Doch behalve de toenemende innerlijke verzwakking en den stijgenden drang van buiten, die tot een organisatie van een eenheidskerk aanleiding werden, werd het streven naar het instituut van èène algemeene Kerk ook nog van binnenuit versterkt door de reactie, die het kerkelijk leven zelf wekte. Deze reactie steunde op de heiligheid der Kerk, die, zooals wij zagen, eveneens tot haar wezen behoort. Ook die heilige staat van het lichaam van Christus doet zijn kracht gelden aan de leden en stelt den eisch der heiligheid aan het leven van den Christen. Gelijk nu de heiligheid der Kerk voorwerp des geloofs is, zoo sluit deze belijdenis in zich, dat ook de leden heilig zijn. Gods kind zondigt niet. Satan kan het niet uit de hand des Heeren rukken. Met het nieuwe leven wordt de begeerte geboren om naar alle geboden Gods te leven, doch de Catechismus wijst er op, dat ook de allerheiligste in dit leven slechts een klein beginsel dezer gehoorzaamheid heeft. Schoon dus Gods volk zich in Christus gerechtvaardigd weet, zoodat zij slechts in Hem hun gerechtigheid en heiligheid bezitten, laat de vernieuwing des gemoeds niet na ook een nieuwe gehoorzaamheid voort te brengen. Deze eisch en geheel het bijzonder karakter der wedergeboorte, waar door een nieuw volk wordt geopenbaard, draagt derhalve in zich een zekere aandrift om zich door de genadedaad Gods onderscheiden te weten. En hoewel de tucht des geloofs aan de waarachtige Kerk niet ontbreekt, die waakt en strijdt tegen allerlei zonden, welke ook hierin woekeren, blijkt toch telkens weer in het leven, dat op dit veld de eigengerechtigheid en zucht tot afzondering in zekere heiligheid welig groeien In tijden van verachtering van het kerkelijk leven en bij gemis aan kerkelijke tucht kan het dus niet vreemd zijn, dat in verschillende groepen de reactie ontwaakt en de roep om heiliging des levens gehoord Wordt en dan vaak zeer terecht. Wanneer zulk streven echter tot stichting van een zuivere Kerk dreigt over te gaan en dus ook op de uitwendige Kerk den eisch der heiligheid gaat toepassen en die wil verwezenlijken, loopt zij geen gering gevaar om te dwalen en in het euvel te vervallen, dat daardoor evenzeer het geestelijk karakter der Kerk uit het oog wordt verloren als van de organisatie, die wordt bestreden. Heeft zulk een beweging dus het voordeel, dat zij roept om kerkelijke tucht en terugwijst naar de geestelijke eenheid der Kerk, in haar practijk moet zij komen tot het ideaal van een Koninkrijk Gods hier op aarde, hetgeen niet in overeenstemming is met het karakter der Kerk als openbaring van het lichaam van Christus, zooals de Schrift die teekent. In de eerste eeuwen der Christelijke Kerk ontbrak het aan diergelijke geestelijke roering niet, zooals wij die ook in den reformatorischen tijd aantreffen.

Tegenover dit separatisme moest als vanzelf de eenheid der Kerk op den voorgrond worden gesteld in haar uitwendige organisatie, een verschijnsel dat niet weinig werd bevorderd door de politieke macht, die zich, zooals wij in ander verband reeds hebben gememoreerd, in de Kerk wist in te mengen. Door al deze oorzaken ontstaat in den loop der eeuwen het trotsch gebouw van de Roomsche Kerk, als een poging om de èène, heilige algemeene Christelijke Kerk in aardsche gestalte te realiseeren. Geheel die ontwikkeling kwam tot de consequentie van de pauselijke macht en onfeilbaarheid, toegeschreven aan 't hoofd der Kerk, als plaatsvervanger van Christus. Deze ontwikkeling vond een natuurlijken steun in de behoefte van den mensch aan veruitwendiging. Hij wil iets hebben, dat zichtbaar is en met de hand kan worden getast. En zooals wij reeds hebben aangetoond was de toestand van Europa bij den val van het Westersch Romeinsche Rijk het streven van den Roomschen stoel zeer gunstig en schoon men zich niet heeft ontzien om politieke en wereldlijke middelen aan te wenden om de machtigste kroon van Europa aan het pauselijk gezag te onderwerpen, vond toch de idee van een allesbeheerschende Kerk de sympathie der Westersche volken, op welke de betoovering van het Romeinsche keizerrijk bleef nawerken.

De ontwikkeling van de Roomsche Kerk bracht als vanzelf mede, dat men allengs verder afweek van de apostolische Kerk. Wel trachtte men het apostolisch karakter te handhaven door de apostolisch-bisschoppelijke traditie en de opvolging der bisschoppen op den pauselijken zetel, doch daarmede werd het apostolaat van zijn bijzonder karakter beroofd, de bisschop aanvankelijk tot een plaatsvervanger van den apostel en eindelijk de paus tot de plaatsbekleeder van Christus gemaakt. Men trachtte eerst de eenheid der Kerk te verdedigen op het bisschoppelijk ambt, zoodat in den bisschop de eenheid der Kerk werd vertegenwoordigd geacht. Daaruit ontstond de gedachte, dat die eenheid dus door alle tijden zichtbaar moest worden vertegenwoordigd, bijzonder in de opvolgers van den apostel Petrus, waartoe men Kwam door de redeneering, dat de andere bisschoppen aan Petrus hun gezag ontleenden. Op die wijze kwam men dus tot de opvatting, dat zij dus ook aan de opvolgers van Petrus ondergeschikt waren. Zoo werd Petrus en krachtens de. opvolging ook de Paus het hoofd der Kerk en de plaatsbekleeder van Christus.

Deze veruitwendiging van de eenheid der Kerk werd uitgewerkt in heel den geestelijken stand en zijn organisatie en maakte de Kerk tot de alleenzaligmakende tevens. Buiten de Kerk geen heil en wie de Kerk niet tot moeder heeft kan God niet tot Vader hebben, zoo leerde zij. Tredende in de plaats van den Christus trok zij ook de bedeeling der genade aan zich, zooals dat blijkt uit de leer der Sacramenten en de uitoefening van de sleutelmacht in biecht en boete. De dienaren van het Woord zijn geworden dienaren der Kerk met priesterlijke macht bekleed en in plaats van de voorbede om vergeving der zonde wordt de rechtspraak, die den Heere alleen toekomt uit hun mond vernomen : ego absolvo, uw zonden zijn u vergeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Op Kerkelijk Erf

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's