Financiën.
Postrekening 35683. Telefoon 2379. Het was een zeer goede, aangename Zendingsdag te Driebergen. Het prachtigste weer wat men denken kan en een buitengewoon druk bezoek. Men vertelde mij, dat er wel 7 à 8000 menschen waren. Of het waar is, dat weet ik niet, want ik heb ze niet nageteld. Dat is echter zeker, toen bij het slotwoord door ds. Remme alle bezoekers zich om spreekplaats no. 1 verzameld hadden en men van rondom de schare overzag, dan kwam men onder den indruk van de geweldige massa. Het was een indrukwekkend gezicht, die groote menigte, aandachtig luisterende naar de verkondiging van het oude, doch altijd nieuwe Evangelie en het bracht mij in herinnering het groote schilderstuk van Joh. de Poorter, voorstellende een hagepreek uit den tijd van de Hervorming in de omstreken van Utrecht. Al ontbraken hier de hellebaardiers, gewapend met hun lansen en de ridders te paard, om den spreker voor een mogelijken overval te beschermen, de overeenkomst met dit schilderstuk en dit tafereel was toch treffend.
U zult mogelijk zeggen : Wat houdt ge er een vreemde manier op na om een verslag te geven van den Zendingsdag. Ge begint met het slot !
U hebt gelijk, maar het is mij heel niet te doen om een verslag van dien dag te geven, dat laat ik gaarne aan den redacteur van „Alle den Volcke" over.
Maar toch wil ik in mijn wekelijksch praatje een zoo belangrijken dag voor ons Gereformeerde Hervormden niet onbesproken laten, temeer, daar ook ditmaal uw penningmeester nog al eens staande is gehouden door allerlei vrienden of vriendinnen die mij zochten en die mij bij hun afscheid in de gelegenheid stelden om een en ander in mijn boekje te-noteeren, wat ik heden in , , Financiën" moet verantwoorden.
Als ik nu mijn boekje neem en de notities naga, zooals ik ze achtereenvolgens heb opgeschreven, dan vind ik allereerst juffr. de Groot, uit Schiedam, die mij den inhoud van haar busje gaf ; het was f 6.50. Ze vond het niet veel, hetwelk ik niet met haar eens was, want ik vond het een heel goed begin. Iemand in mijn nabijheid hoorde haar dit blijkbaar zeggen en deed er f 1.— bij. Wie het was, weet ik niet.
Nu volgt ds; Verkerk, uit Gouderak, f 5.— uit een busje. Deze scheen nog al haast te hebben. Ik had tenminste geen gelegenheid om te vragen : welk busje ? maar dat zal ik wel nazien.
Nu kwam er een dame, die zei : penningmeester, hebt ge een oogenblik tijd ? Jawel. Hebt ge een groote geldbeurs bij u ? Of ik. Nu, luister dan eens. Ik heb al jaren De Waarheidsvriend gelezen dat steeds met groot genoegen. Ik bén het ook geheel en al eens met wat er in geschreven wordt en ben al lang van plan geweest om lid van den Bond te worden, maar het is er nooit van gekomen.
En nu wilde ik dat u mij daarvoor noteerde en wel tegen een contributie van f.2.50 per jaar. Maar ik wil ook voor 1921 nog f 2.50 betalen, dat is dus f 5,- ik heb echter nog meer zei ze. Een vriendin van mij, zet u maar Dirkje, gaf mij nog f 10.— voor u mëè. Dat us dus bij elkaar f 15.—. Hier heb u ze en weg was ze.
Dat was een aangename verrassing en ik dacht; Ik wilde wel, dat ik vandaag nog meer zulke dames ontmoette, met Dirkjes als vriendinnen. Vooral nu ik van mijn ouden vriend Dirk in den laatsten tijd zoo weinig hoor of zie, wil ik gaarne met eenige Dirkjes een hartelijke vriendschap sluiten. Al komen ze dan nooit op den Zendingsdag of al zie ik ze zelfs nooit. We kunnen toch met elkander correspondeeren. Dat is tegenwoordig heel gemakkelijk met de giro of met stortingsbewijzen. Daar kunt ge achterop ook van alles mededeelen. Wie weet, wat dit nog uitwerkt.
Vervolgens ontmoette ik eenige vrienden uit Berkel en Rodenrijs ; de een gaf mij f 1.— en een ander f2.50. Het doet mij altijd genoegen te bemerken dat er daar, ondanks, ' ja, ondanks ! dat houd ik maar in de pen, toch ook nog vrienden van den Gereformeerden Bond wonen. Ik hoop dat hun aantal mag toenemen.
Iemand uit Zwammerdam overhandigde mij f 2.— en gaf mij 4 namen op van nieuwe leden, welke ik zorgvuldig met hunne adressen noteerde. Later ontmoette ik dezen vriend weer op het terrein en zeide mij, dat deze namen waren bedoeld voor den Gereformeerden Zendingsbond. Dus toen moest ik ze weer schrappen. Dat was niet erg, maar toch zou ik het wel aardig vinden als hij mij nu eens 4 andere namen opgaf als abonné van „De Waarheidsvriend." Het kan best zijn dat hij het doet.
Iemand uit Oud-Beierland bracht mij de namen van 2 nieuwe abonné's ; uit Veenendaal ook een en uit Amersfoort gaf zich een ander als lid op voor f 1.50 contributie, welke hij mij voor 1922 betaalde.
Een Utrechtenaar telde mij f 14.— in mijn hand. Ik was benieuwd te weten waarvan. Het bleek uit het busje no. 12 van den heer de J. Dat telde nog weer eens aan. Een ander dien ik altijd op. den Zendingsdag ontmoet, die mij altijd iets voor de fondsen geeft en wiens naam ik blijkbaar maar niet kan onthouden, gaf mij ook nu wederom f 1.—. Ik werd er mee verlegen, dat ik al weer moest vragen : hoe is uw naam ook weer? Dat zijn nu zeker verschijnselen van den ouden dag.
Zoo, oude Delvenaar ! zei een landbouwer uit Benthuizen, ik heb voor jou ook nog wat meegebracht voor uw fondsen en stopte mij een rijksdaalder in de hand. In den namiddag ontmoette ik ds. Jongebreur uit Veenendaal, die had nog f8.86 bij zich van de zoogenaamde centsleden en f 2.50 van N.N.
Hiermede zou ik nu over de ontvangsten van den Zendingsdag wat onze financiën betreft kunnen eindigen als het niet was dat de post mij gisterenavond een brief bracht die mij nog aan een ontmoeting herinnerde die ik u ook nog moet mededeelen. Een jonge dame uit Delft, uit een familie waarmede ik zeer goed bekend was, zei mij dat ze iets voor mij had willen medebrengen, maar het had vergeten. En nu kreeg ik gisterenavond een brief van haar, waarin een bankbiljet van f25.—. Dat was een ware verrassing voor mij. Haar naam mocht ik u niet zeggen, schreef ze, maar dat helpt niet, want u hebt het toch al geraden. Het was Dirkje no. 2.
Gelijk ik nu dankbaar en voldaan over hetgeen ik hoorde en ontving van het Zendingsterrein afstapte, zoo moet ik dat nu ook doen in mijn verantwoording, want ik zie hier nog verschillende zaken op mijn lessenaar liggen, die ik u nog heb mede te deelen.
Bodegraven f 2.— gevonden in de collecte voor het Studiefonds. Een dankoffer voor het bedanken voor het beroep door den dominé.
Delft, van G. Th. Vollebrecht f2.50 uit het busje van de fietsenbergplaats.
Meerkerk, van mej. A. Buijserd f5.40 uit busje no. 217 voor het Leerstoelfonds.
Delft, door J. A. Hordijk, penningmeester der afdeeling f59.90, zijnde de contributie der leden na aftrek der 25%.
Verder ontving ik nog uit Utrecht den naam van een nieuwe abonné. •«
En 'hiermede kunnen wij voor deze week weer besluiten. Dankbaar voor al deze gaven. Moge de Heere Zijnen zegen er over gebieden.
De Penningmeester,
J. C. FLIEHE.
Arnhem, Pels Rijckenstraat 28.
Correspondentie. Brief uit Rotterdam te laat voor dit nummer.
De Penningmeester.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's