Op Kerkelijk Erf
XIX.
Kerkorde en Confessie.
De scherpste tegenstelling met deze aan de Roomsche Kerk herinnerende voorstelling vinden wij bij Zwingli. Evenals alle Gereformeerden gaat hij uit van het wezen der onzichtbare Kerk, als het lichaam van Christus, de gemeente der uitverkorenen. Zij wordt toegebracht door de leiding des Heiligen Geestes en Zwingli maakt deze zelfs zoo los van de zichtbare Kerk, dat hij aanneemt, dat God ook den uitverkoren heiden buiten de prediking des Woords toebrengt. Hoewel Calvijn van zulk een toevergadering niet gewaagt, kunnen wij toch aan het Zwingliaansche standpunt zien, waarin de Gereformeerde beschouwing verschilt van de Roomsche opvatting en wat daarnaar zweemt.
De Gereformeerden, inzonderheid Calvijn, gaan steeds uit van Gods verborgen verkiezing en inwendige roeping, 'want God alleen kent de Zijnen „dewijl een klein en veracht getal verborgen is onder een groote menigte en weinige tarwekorrels door een grooten hoop kaf bedekt worden, moet men Gode alleen de kennis van Zijn Kerk laten, welker fundament is zijn verborgene verkiezing." {^) Die Kerk rust dus in de Voorzienigheid Gods en ontleent haar vastheid aan de Christus. Het is dus niet noodig, dat deze Kerk worde gezien, om zich te voegen bij de gemeenschap der heiligen, doch juist, omdat zij in het geloof gelegen en door het geloof begrepen wordt, vermaant Calvijn om dit te bedenken en te gelooven, alsof zij met oogen gezien werd. (-) Evenals in den Catechismus spreekt ook bij hem 'het persoonlijk geloof „en dat ik daarvan een levend lidmaat ben."
Overgaande tot de zichtbare Kerk legt Calvijn er den nadruk op, dat God Zelf de algemeene Kerk op aarde heeft ingesteld, die té kennen is door het Woord. „Wij zien, dat God, die de Zijnen zou kunnen volmaken in een punt des tijds, niet wil dat zij tot den mannelijken leeftijd zullen opwassen anders dan door het opvoeden der Kerk." {^) Ofschoon dus Gods kracht aan de uiterlijke middelen niet gebonden is, heeft Hij den mensch gebonden aan deze wijze van leeren. De algemeene Kerk op aarde verschijnt dus door de goddelijke openbaring en de verkondiging, uitlegging en onderhouding van Zijn Woord door de profeten, priesters, apostelen en leeraren. „Mijn Geest; die op u is en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen van uw mond niet wijken, noch van den mond uws zaads, noch van den mond van het zaad uws zaads", zoo spreekt de Heere door Jesaja (59 : 21). Daarin wordt dus duidelijk . voorgesteld, dat de verkondiging door menschen zal geschieden van geslacht tot geslacht. Daarom heeft zich de prediking aan het Woord te houden, opdat God en niet de mensch spreke. In de leer verschijnt Gods aangezicht, zoo drukt Calvijn zich uit, en die den profeet en den godzaligen leeraar niet hooren, wisschen het aangezicht Gods uit, dat hun in de leer verschijnt. (*) Het is dus van groot belang de vergadering der gemeente bij te wonen, gelijk dit ook in het bevel der verkondiging zelf besloten ligt, wijl 'het geloof is uit het gehoor. In den spiegel zijner leer vertoont zich God aan zijn Kerk, zoodat ook de tempel door het wettig gebruik van het Woord geheiligd wordt.
De Gereformeerden houden dit geestelijk karakter der^ bedienmg des Woords steeds aan en waken daarin tegen de dwaling, dat de Kerk in de toebedeeling des heils deel zoude hebben. Immers God is de auteur van de prediking des Woords, waarin Hij zich als een levend beeld vertoont, doch daaraan voegt Hij zijn Geest toe, die op verborgen wijze vrucht voortbrengt. Niet de prediking of de prediker eigene zich deze verborgen werking toe, doch God zelf werkt de beginselen en den voortgang des geloofs. Het is de Heere die krachtelijk werkt door Paulus, die zegt : „ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen", maar er onmiddellijk aan toevoegt : „doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is." Schoon hij zich een medearbeider Gods weet, schrijft hij : „Zoo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, - die nat maakt, maar God, die den wasdom geeft."
Zoo is er derhalve een Kerk, die door God voor de Kerk gehouden wordt, doch ten aanzien van de menschen wordt een lichaam Kerk genoemd, dat zichtbaar is en in het aanzijn werd geroepen door de prediking en het gehoor des Woords en de bediening der Sacramenten. Deze algemeene zichtbare Kerk kunnen wij eenigermate voorsteiïen, als wij ons los maken van alle bijzondere kerken, doch letten op het feit, dat het getuigenis der Heilige Schrift in het menschdom wordt uitgedragen en dat er naast een deel, dat het verwerpt, ook is een schare, die zich voegt onder de verkondiging. Aangezien het oordeel den menscli niet gegeven is, om scheiding te maken tusschen de kinderen Gods en de kinderen der wereld, is het niet zonder gewicht om de kenmerken te weten, die aan de algemeene Kerk als zichtbare Kerk eigen zijn. Daar deze toch over de gansche wereld verspreid is en niet aan eenige plaats of persoon gebonden is, moeten haar kenmerken van geestelijken aard zijn. Zooals uit het voorafgaande dan ook volgt, wordt die daar aangetroffen, waar het Woord zuiver wordt gepredikt en de Sacramenten naar de instelling van Christus worden bediend. Waar deze kenmerken worden aangetroffen is de Kerk, wijl deze twee nergens kunnen zijn of zij dragen vrucht en worden door den zegen Gods voorspoedig gemaakt. {^) Voor lidmaten zullen worden gehouden, die door belijdenis des geloofs en reinheid des levens en mededeelachtigheid der Sacramenten God en Christus met ons belijden. (")
De zichtbare Kerk die de genoemde kenmerken draagt wordt in onderscheiding met de vergadering, die zich Kerk noemt, maar die merkteekenen mist, ware Kerk genoemd, hoewel toch eigenlijk alleen de ware Kerk recht heeft op den naam Kerk en de valsche Kerk geen Kerk is. Doch men zal verstaan, dat bij de gebreken, die in de Kerk insluipen en de merkteekenen verduisteren en ontsieren, de grenzen tusschen Kerk, meer of min vervalschte Kerk, valsche Kerk en niet meer Kerk of ganscheiijk geen Kerk vervloeien. Ongetwijfeld echter heeft men de ware Kerk daar, waar haar kenmerken worden gevonden.' Die ware Kerk dus in haar algemeen karakter is een breeder begrip dan de onzichtbare Kerk. Deze laatste schuilt in haar en omvat de kinderen Gods, die in haar leven, terwijl zij één lichaam zijn met hen, die in Christus ontslapen zijn en oük zij die nog geboren zullen worden aan haar worden toegevoegd.
Als de belijdenis eischt, dat men niet op zichzelf zal staan, maar verklaart, dat men schuldig is zich tot de ware Kerk te voegen (Ned. Gel. bel. Art. 28), bedoelt zij dus dat men zal vergaderen met de Kerk, die de genoemde kenmerken draagt en dus heeft men geen recht om zich van haar af Ie scheiden, zoolang de zuivere bediening des Woords en der Sacramenten wordt gevonden. Calvijn laat niet na ernstig te wijzen op de dwaling, die er ligt in de verachting der ware Kerk, zelfs indien er iets gebrekkelijks, 't zij in de bediening des Woords, 't zij in de uitdeeling der Sacramenten mocht inkruipen. Daarbij legt hij den vinger bij enkele hoofdstukken in de leer, die bij allen ontwijfelbaar vast moeten worden gehouden, t.w. dat er alleen een eenig God is, dat Christus is God en de Zoon van God, dat onze zaligheid bestaat en gelegen is in Gods barmhartigheid e.d.g. Ondergeschikte punten van verschil mogen tot geen scheuring vrijmoedigheid schenken C). '
Nog altijd voor oogen houdende, dat er dus, afgezien van een bijzondere kerkelijke organisatie een ware Kerk is over de gansche aarde verspreid, waar God zich in de prediking des Woords als in een spiegel vertoont en de Sacramenten naar zijn instelling bediend worden, daar is het oordeel niet moeielijk waar de gemeente vergaderd is.
Komende tot de bijzondere Kerken in de plaatsen onzer inwoning behoeft het geen lang betoog meer om te verstaan, welke bijzondere Kerk behoort voor een vergadering te worden gehouden van de ware Kerk. Zij zal dan toch de meergenoemde kenmerken moeten dragen.
Toch is hier aanleiding tot misverstand en verwarring in verband met de instellingen, die het woord Kerk kan oproepen. Na de Reformatie zagen wij zooveij kerkelijke organisaties verschijnen, dat wij gewoonlijk bij het woord Kerk denken aan zekere organisatie : de Hervormde, de Luthersche, de Roomsche, de verschillende Gereformeerde Kerken en nog zooveel meer. Vooreerst houden wij ons echter ook nog buiten deze voorstellingen en spreken nog niet over de organisatie of orde van een bijzondere kerk, doch over, laten wij mogen zeggen, een samenkomst onder de prediking des Woords aan eenige plaats, afgezien van de vraag krachtens welke kerkelijke organisatie die prediking daar plaats vindt. Daar wil dus de Kerk zijn en wij hebben te vragen of' daar de ware Kerk is, waarvan God de auteur is door zijn instelling der prediking en der Sacramenten. De toetsnaald ligt thans voor de hand, immers is haar verkondiging zuiver en de bediening der H. teekenen naar het Woord dan komt haar daar en op dien tijd de waardeering toe van ware Kerk.
Een moeilijkheid, die wij hier niet over het hoofd mogen zien is echter deze. Wie is geroepen en bekwaam om den toetssteen aan te leggen ? Allereerst hebben de ouderlingen te waken tegen afwijking in de leer, doch over de ambten en regeering zouden wij het nog niet hebben. Doch ook zonder hierover te gewagen, is het duidelijk dat hier de kerkganger, zijnde al of niet lidmaat van de bijzondere Kerk, waar hij thans wordt ondersteld op te gaan, geroepen is om te oordeelen, wijl het een zaak van het grootste gewicht geldt, die raakt aan de eere Gods en het behoud zijner ziel. Van 's Heeren ^wege geroepen om de samenkomst der gemeente niet na te laten, heeft hij er dus voor te waken in den rechten weg der gehoorzaamheid te gaan.
Wat kan het nu helpen om de weg te vinden? Stel dat hij, schoon de verkondiging zoekende, de gave der onderscheiding door den H. Geest geschonken, mist, hoe kan hij dan oordeelen of hij bij de ware Kerk vergadert? Hier gevoelen wij, dat alleen de Kerk uit den H. Geest geboren over de zuiverheid der verkondiging kan oordeelen, wijl zij van den Geest wordt geleerd en door zijn getuigenis verstaat, dat de H. Schriftuur van God is. (Vergel. Art. V Ned. Gel. bel.). Daarom is er een eenigheid des geloofs bij allen die de genade Gods deelachtig werden en wijl sommigen, in geschriften uitdrukking gaven aan de hoofdstukken des geloofs, verstonden anderen dat zij aan dezelfde zaak deel hadden en zoo werden die geschriften als een gemeenschappelijk accoord van degenen, die krachtens het leven, dat zij leerden kennen, bijeen behoorden en waren saamgevoi^gd. Zoo vonden die geschriften door gemeenschappelijke instemming als overeenkomende met het Woord der openbaring en het getuigenis van den H. Geest in het harte, de erkentenis van belijdenisschriften. Hoewel deze geschriften dus nimmer boven de H. Schrift of zelfs met haar gelijk mogen worden geacht, zoodat eenig artikel zou moeten vallen, indien kon worden aangetoond, dat het in strijd was met den geopenbaarden wil des Heeren, toch ligt het voor de hand, welke groote beteekenis de belijdenis der Kerk heeft, om een antwoord te krijgen op de vraag, of de verkondiging des Woords met haar overeenstemt en van welk éen belang het moet worden geacht met de leer der Kerk, bekend te zijn.
Verschillende vragen, die in verband hier mede rijzen, kunnen elders onder het oog worden gevat. Thans kan genoegzaam zijn gebleken, hoe noodig de belijdenis is, tot het weizijn van een bijzondere Kerk aan eenige plaats, evenals haar ordening. Want wel moet worden toegestaan, dat zonder de in belijdenisgeschrift uitgedrukte overeenstem ming des geloofs en zonder die ordening ergens een vergadering kan plaats hebben in den naam des Heeren, die tot de ware Kerk moet worden gerekend. „Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen Naam, daar ben Ik in het midden", zegt de Heere. Eveneens valt het te, denken, dat een getuige als een gezant Gods rondtrekt om het Woord te verkondigen buiten eenige kerkelijke orde. Doch wanneer zulk een vergadering of gezant het Woord niet gehoorzaamt ook in de ordening der gemeente, verliest de eerste het recht om tot de ware Kerk gerekend te worden en de tweede om een dienaar des Woords genaamd te zijn.
Tot de kenmerken der ware Kerk behoort dus ook de ordening, wijl in de Schrift geleerd en bevolen. In het algemeen is de ware Kerk, hoewel zichtbaar tegenwoordig, dus niet nauwkeurig te bepalen. Zij gaat door allerlei instituut en organisatie van Kerk heen en wordt ook daarbuiten nog gevonden. Doch in de bijzondere Kerken verschijnt zij in eenigheid des geloofs en in geordenden vorm. In het accoord met de belijdenis der ware Kerk drukt dan ook de Kerk aan eenige plaats uit, dat zij met haar èèn is. De eenheid der ware Kerk wordt dus naar Gereformeerde d.i. Schriftuurlijke beschouwing niet door eenig instituut of uit wendige organisatie geconstrueerd, maar rust in het geestelijk wezen der Kerk. Daarom wordt die eenheid ook niet afgepaald door de instellingen van eenig kerkelijk instituut op aarde, maar omvat alle bijzondere kerken, die haar kenmerken openbaren.
') Inst. IV, 1, 2. - ) Inst. IV, 1, 3. 3) Inst. IV, 1, 5. •') c.f. Inst. IV, 1, 5. s) c.f. Inst. IV, 1, 10. «) c.f. Inst. IV, 1, 8. ^) Inst. IV, 1, 11. 12.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's