Uit het kerkelijk leven.
De Gemeente zelf moet betalen.
De Kerk des Heeren moet leven uit eigen wortel, als de plantinge des Heeren.
Dat is lang onder ons niet in gedachtenis gehouden.
Mee door de zeer droeve oorlogsjaren en door de malaise-dagen, waarin we nu verkeeren, is het echter weer aan de orde gekomen deze aangelegenheid. En we zullen goed doen op de teekenen der tijden acht te geven en nu flink aan te pakken daar, waar de nood groot is. 't Kan dan de Kerk ten goede komen voor de tijden die aanstaande zijn.
Hoe men dat moet inrichten ? Wij hebben er al vaalT over geschreven, maar waar weer een brief werd ontvangen met allerlei vragen achten wij het goed er nog iets over te zeggen, 't Gaat met deze en dergelijke dingen dikwijls zóó, dat men er geen aandacht aan schenkt voor men er zelf mee van doen krijgt.
In 't algemeen geldt dit: de Kerkeraad, die de gemeente representeert, (heeft — als het goed is — hier de taak, om de dingen te regelen. Niet de Kerkvoogdij, maar de Kerkeraad heeft hier rechten. Van Kerkvoogdijen kan naar Gereformeerd kerkrecht geen sprake zijn, daar dan gescheiden wordt wat bij elkaar hoort n.l. de geheele verzorging van de gemeente, zoowel geestelijk als finantiëel. Dat door den Kerkeraad hier een regeling getroffen wordt en dat dan aan een afzonderlijke commissie een en ander wordt opgedragen in verband met de stoffelijke aangelegenheden der gemeente, dat is best. Maar de Kerkeraad moet, naar Gereformeerd kerkrecht, de gemeente blijven presenteeren of vertegenwoordigen.
Hoe moet nu de Kerkeraad zorgen, dat de uitgaven gedekt worden door de inkomsten ?
Hier moet gewaakt worden dat men niel gaat doen, alsof de Kerk een soort Vereeniging is. En wij, die tot de Hervormde Kerk behooren — waar toch zooveel is geregeld alsof de Kerk een Vereeniging of Genootschap is — hebben hier wel bizonder acht te geven. Hier moet door allen, die als Gereformeerden willen handelen en wandelen, dubbel gewaakt worden.
Neen, wij mogen niet het systeem van contributiebetaling volgen. De Kerk is geen Vereeniging, waarvan men lid wordt, tegen betaling van een bepaalde contributie, om geroyeerd te worden als men die contributie niet wil bijdragen. De Kerk is Kerk, waarin het systeem van contributie of belasting niet past. In de Kerk moet het beginsel van vrijwjlligheid heerschen. Van dwang mag hier geen sprake zijn.
Natuurlijk wordt dit niet bedoeld in dezen zin, alsof ieder lid der Kerk zou mogen doen wat hij verkiest: bijdragen of niet bijdragen.
Want mist de Kerkeraad het recht, om van de Kerk een Vereeniging te maken en een systeem van belasting te volgen, enz., daartegenover staat, dat ieder lid der Kerk de zedelijke verplichting heeft naar vermogen bij te dragen in de kerkelijke kosten. Arm en rijk moet dat voelen.
Of men veel of weinig kan bijdragen, is bijzaak, als men maar voelt, dat ieder hier een roeping heeft en niemand zich mag afmaken van de zedelijke verplichting, om naar vermogen bij te dragen in de kosten die aan heel de kerkelijke huishouding verbonden zijn.
En dan heeft de Kerkeraad — die de geestelijke en stoffelijke belangen van de Gemeente heeft te behartigen — de taak, om zoo goed mogelijk te overzien wat er zoo al noodig is voor de kerkelijke huishouding. Niet alleen voor het predikantstractement — dat is maar een deel van het geheel der kerkelijke huishouding ! — maar voor alles wat met de Kerk in verband staat (uitgezonderd wat noodig is voor armverzorging, hetwelk, naar Gods Woord, een geheel afzonderlijke aangelegenheid in Christus Kerk is.
Heeft de Kerkeraad van dat alles een begrooting en overzicht, dan kan dat aan de Gemeente worden meegedeeld. Geen verstoppertje spelen past hier. Neen ! Open kaart moet worden gespeeld ; opdat de Gemeente zoo goed mogelijk op de hoogte is van wat er noodig is. En weet zij dat, dan dient ieder te voelen en te weten, wat hij, gerekend naar inkomen of bezit, verplicht is bij te dragen.
De Kerkeraad — of zoolang wij onze Kerkvoogdijen hebben zal dat lichaam het moeten doen —• kan hier de gemeenteleden te hulp komen. Door niet alleen de rekening met begrooting van de uitgaven voor te leggen aan de leden der Gemeente, maat door een schema te maken waarin vervat is wat ieder, naar het oordeel des Kerkeraads, gezien het bezit of het inkomen, zou moeten betalen, als alles zoo goed mogelijk over allen naar draagkracht werd verdeeld.
Geen vaste contributie wordt het dan. Ook geen kerkelijke belasting.
Dat hoort in de Kerk niet thuis. Maar we krijgen dan, dat ieder lid der Gemeente vrijwillig naar draagkracht elk jaar zooveel bijdraagt, dat de kerkelijke huishouding voortgang kan hebben.
En hoemeer de liefde van Christus dringt, hoe meer de lasten saam gedragen zullen worden.
Zóó kunnen de zaken marcheeren. En de Kerk helpt dan zichzelf, levende uit de hand Gods, die nooit beschaamt degenen die in oprechtheid voor Zijn aangezicht wandelen en op Zijn Naam betrouwen. .
De zilveren koorde.
Wij mochten het genoegen smaken veertien 'dagen in Duitschland te vertoeven en waren de laatste dagen, bij vrienden gelogeerd, in de gelegenheid om eens rustig over allerlei te keuvelen, bizonder ook over hetgeen op kerkelijk gebied voorvalt en wat op schoolgebied aan de orde is nu. Het gaat meer en meer spannen in Duitschland wat de Kerk betreft, omdat de tegenstellingen scherper aan het licht komen. Voor of tegen de confessie, met of zonder belijdenis is ook daar de leus, waarbij eenerzijds wat wij noemen „de Vrijzinnigen" meer openlijk uitkomen in hun sterke ontkenningen, terwijl anderzijds de Orthodoxen meer voet bij stuk gaan houden en bischen, dat de hoofdwaarheden des Evangelies niet zullen worden geloochend, maar zullen worden beleden en verkondigd. Waar wij zaken op dit gebied reeds achter den rug hebben, is nu in Duitschland aan de orde van den dag. Ieder meelevend christen spreekt er over. Het heeft aller belangstelling. Waarbij nu de groote vraag komt, wat zal de Regeering doen ? Welke houding zal die aannemen ten opzichte van de Kerk en hoe zal de schoolgeschiedenis zich ontwikkelen ? Het trof ons in dit verband bij onze thuiskomst te lezen wat een bekend Berlijnsch predikant geschreven heeft over de financiëele verhouding van Staat en Kerk in Duitschland, bizonder in Pruisen en wat hij als zijn wensch en bede in deze te kennen geeft. Het „Friesch Dagblad" vermeldt dat en wel in dezen vorm :
Van wat verderfelijken invloed het is op de Kerk, indien de Staat zich te veel met haar bemoeit, haar bevoogd, ja, koestert en vertroetelt, blijkt thans in Duitschland wel.
Daar was de Staat nommer één. En, met name in Pruisen, zorgde die Staat voor de Kerk maar de Kerk zat dan ook als de vogel op de kruk, met den poot aan de ketting......
En nu de keizerlijk-koninklijke staatsmacht viel : Nu bleek hoe zwak die Kerk is ! Hoe innerlijk voos en slap I Hoe weinig invloed zij had.
Hoe, terwijl zijzelf van boven af vastgehouden en in haar bewegingen belemmerd werd, zij de greep naar onderen, naar het volk, meer en meer verloor.
Daar zijn er in die Kerk, die dit zelf inzien." En als bewijs, dat er in die Kerk zijn die dit zelf inzien, volgt dan.: Zoo schreef dezer dagen zekere ds. Stier, predikant in BeTlijn-Süd, in een der bladen dit merkwaardige stuksken :
„Ongetwijfeld heeft de Protestantsche Kerk van Duitschland door Duitschland's val in den oorlog een zekere instorting beleefd, namelijk de protestantsche Staatskerk. De Koninklijke Pruisische Staatskerk bestaat niet meer, deze — het moet worden gezegd — dikwijls door een zeker Hohenzollern-Byzantisme omgeven Kerk. Men behoeft het niet te betreuren, dat zij verdween. Het is de-ellende van het Duitsch-protestantisme van den aanvang af geweest, dat het zich met den Staat had verbonden. Dat was een onnatuurlijke verbintenis, waarbij op den duur de Kerk de grootste schade moest lijden. Bij alle waardeering der hooge verdiensten welke de Hohenzollerns zich voor den Staat hebben verworven, hebben zij de Kerk nooit recht gediend ; hoe zij dikwijls Staatsbelangen op den weg der Kerk en zoo tot schade der laatste hebben beproefd te bevorderen. heeft onder meer op de duidelijkste wijze hun invoering der Unie in Pruisen getoond. Daar hebben ze met geweld beproefd Luthersche en Gereformeerde dingen (sic.) samen te buigen en dat onder heftige vervolging van die volksdeelen, welke niet wilden medegaan. Hun sumepiscopaat in de Kerk hebben ze als een almacht in de Kerk opgevat.
Daardoor kreeg dan de Pruisische Staatskerk dien uitgesproken Pruisischen naar het militair-bureaucratische neigenden trek en dril. Gode zij dank, dat is nu verdwenen.
Thans kan het Duitsche protestantisme, vrijgekomen van de Staatsheerschappij, zich eerst eenigermate ontplooien.
En het zal zich tot een echt kerkelijk protestantisme ontplooien, wanneer het ver van de Staatsbasis den beteren grond slag van het Evangelie als het Woord van Christus zoekt en vindt. Wij hopen, dat het daarheen op weg is."
Tot zoover deze Berlijnsche predikant.
Wij denken in dit verband aan de vorming van het nieuwe Ministerie, op een vast en hecht regeeringsprogram gebaseerd. En neen, dan vinden wij niet, dat de kwestie van de financiëele verhouding van Staat en Kerk als no. 1 op dat program moet staan en het komend Ministerie zich omtrent deze zaak als een van de eerste en voornaamste zaken moet bezinnen. Maar dat de financiëele verhouding van Staat en Kerk en de losmaking van de zilveren koorde mee wordt onder de oogen gezien als een zaak die van groote beteekenis is-en eindelijk toch aan de orde gesteld moet worden, dat vinden we wèl.
Heel de wereldgeschiedenis wijst erop, dat de Kerk er het grootste belang bij heeft, dat deze zaak geregeld wordt als h e t n o g t ij d i s. En in ons Vaderland is er door Gods goedheid nog tijd voof. Het is nog niet te laat. Maar dan zal men ook moeten verstaan, dat men niet moet blijven talmen en uitstellen.
Het gaat om de eere der Kerk, dat haar recht gedaan wordt. En het gaat om de verdere' ontwikkeling van de zaak des Heeren naar uitwijzen van Zijn Woord.
Rijkssubsidie voor Kerken.
In „K e r k b 1 a a d j e" schrijft dr. Locher, Ned. Hervormd predikant te Leiden, over dit onderwerp een artikeltje, waaruit we met instemming een stukje hier willen overnemen.
Dr. L. schrijft : „Er wordt door verschillenden om veel ruimer subsidie gevraagd, vooral voor de groote steden, waar de nood inderdaad te doen, en al meer te vragen.
Men heeft het gedaan op grond van art. 36 van onze Geloofsbelijdenis. Ten deele met grond. Want het is de roeping van de Overheid, om ook aan den eeredienst de hand te houden ; en het is in het belang van het land, als de prediking des Woords in stand gehouden wordt en daartoe de geldelijke middelen gegeven worden.
Maar nu komt men voor twee groote moeilijkheden te staan. Vooreerst juist met artikel 36. Dat kent maar één godsdienst, den waren ; en beveelt zelfs, den valschen godsdienst (niet de ketters) uit te roeien ! Ónder de tegenwoordige grondwet zou de Overheid alle gezindten maar moetln subsidiëeren, en dat zou juist met artikel 36 in strijd zijn. Gelijk alle mogelijke soorten scholen moeten worden onderhouden, zoo zou het ook met de kerken zijn.
En dan is er nog iets : De steun, die aan de kerk verleend werd, zou een wankele steun zijn, en zou eerstdaags weer door eene radicale regeering met hulp wellicht van Antirevolutionairen, aan de kerken ontnomen kunnen worden. Dan zou de kerk, die er nog meer op was gaan leunen, dubbel in de moeilijkheid komen.
Daarom kunnen wij daarin niet meegaan, om dit thans aan de regeering te verzoeken ; en ik meen, dat ook de Herv. (Geref.) Staatspartij dat evenmin bedoelt, hoewel men het haar toeschrijft. We zullen ons al meer moeten wennen, zelve onze offers voor de Kerk te brengen. Ook stuit het ons tegen de borst, anderen, die er niet van willen weten, offers voor onze Kerk op te leggen. Al houden we in beginsel vast aan de roeping van de Overheid om het te doen, in de practijk zullen we er niet om vragen, juist omdat belangen-politiek voor onze Kerk verkeerd is."
De Christelijk Gereformeerde Kerk.
De Christelijk Gereformeerde Kerk mag zich, vooral de laatste jaren, in gestadigen groei verblijden. Zoo langzamerhand breidt zich het aantal gemeenten uit en is nu geklommen tot 103 met 53 dienstdoende predikanten (57 met de Docenten en den Veldprediker inbegrepen).
't Is te begrijpen, dat men in eigen kring met deze uitbreidiNg zéér is ingenomen en vol blijde dankerkentenis aan den Heere schrijft dan ook de redactie van „D e W e k k e r" (orgaan der Chr. Geref. Kerk in Nederland) bij gelegenheid van het samenkomen der Synode te Dordrecht :
, , Maar nu wij een Synode te Dordrecht zien saamgekomen, denken wij thans vanzelf aan het verschil tusschen Utrecht in het jaar van 1892 en Dordrecht in het jaar 1922. Gelijk eenmaal te Wezel in het jaar 1568, zoo kwamen in Juli 1892 enkele verstrooide Christelijke Gereformeerden in het militaire Tehuis saam om te trachten onder de verstrooide broederen een kerkelijke organisatie aan te wakkeren. Wat heeft men in die dagen gespot met dat groepje aemechtigen, in het militaire Tehuis bijeen. Of dat militaire Tehuis ook profetie is geweest van militairen moed en standvastigheid, zou ik niet durven beslissen, maar wèl weet ik, dat na 30 jaren thans een Synode te Dordrecht bijeen is, waar meer dan honderd gemeenten door wettige ambtsdragers vertegenwoordigd zijn. Zie, dat zijn wij niet geworden door onszelf, maar veeleer ondanks onszelf, en kunnen en mogen alleen roemen in een bijzondere providentiëele leiding Gods, die het pad effende en onze tenten uitbreidde.
Want gelijk in '34 de „afgescheidenen" een groote phalanx tegen zich zagen oprukken, zoo hadden wij van '92 af alles tegen ons. Naar binnen vonden wij weinig geschoolde krachten ; geen edelen, geen rijken, geen geleerden vulden onze rijen ; naar buiten traden de Tertullussen op, de Doctoren in de theologie en de Meesters in de rechten om het eenparig „schuldig" over ons uit te spreken. Daarbij kwam nog, dat wij optraden met een leer, die als „Piëtistisch en Labadistisch" en „ziekelijk"werd gebrandmerkt en wij met een verachtelijken blik werden aangezien door hen, die onder de banieren van het „Calvinisme", en die „der Gereformeerde beginselen" het overwinningsfeest vierde. En, wanneer wij dan heden te Dordrecht deze kerk der scheiding in Synode saam zien, dan herdenken wij Gods groote daden met dankbare harten. Als kerk toch zijn wij uit het niet opgekomen en trots alles hebben wij niet alleen stand mogen houden, maar heeft de Heere ons een „Rehoboth" gemaakt en wij kennen een danklied, onzen Koning tot eere,
„Ons zwaard deed ons die plaats niet erven Onz' arm deed ons geen heil verwerven. Maar Uwe rechterhand. Uw macht. Heeft ons dien voorspoed toegebracht."
Dat is geen antwoord.
Op de jaarvergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereform. grondslag (Vrije Universiteit) is door een Hervormd lid dier Vereeniging gevraagd, waarom de Hervormden soms bijloopers genoemd worden en of er met de Hervormde groepen van Geref. belijdenis ook overleg gepleegd is of wordt, opdat zoo mogelijk de Vrije Universiteit meer een Gereformeerde Hoogeschool voor het gereformeerde volk van Nederland kan worden. Nu is zij te veel een school voor de kerkelijk Gereformeerden, die van de Hervormden gescheiden leven.
Malefijt, beantwoordde deze vraag aldus : „Wat de samenwerking met de Hervormden betreft: inzake de theologische faculteit, bestaat er nauw verband met de Gereformeerde Kerken in Nederland. Wat de andere faculteiten aangaat, in de Statuten staat geen bepaling, die het den Hervormden belet op, allerlei wijze te steunen. Maar de sympathie van Hervormde zijde is nog niet groot ; groei er van zal ten zeerste worden gewaardeerd."
Dat is een „afmakertje", zooals er bij een debat wel meer gebruikt worden. Maar een antwoord is het niet. Men weet heel goed, dat de liefde niet van één kant kan komen. En prof. dr. H. H. Kuyper heeft 't onlangs zelf bij ons pers-debat toegestemd, dat door den loop der dingen de Vrije Universiteit geheel is komen te staan binnen den kring der kerkelijk Gereformeerden, terwijl noch onder de directeuren, noch onder de curatoren, noch onder de hoogleeraren ook maar één Hervormde gevonden wordt. Gelijk ook onder de studenten een Hervormd man een hooge, hóoge zeldzaamheid is.
Wij zouden zoo graag hebben gewild, dat de president-directeur, de heer De Waal Malefijt of de president-curator, mr. De Vries, of wie dan ook, met een enkel woord hadden willen zeggen, dat de Vrije Universiteit de Gereformeerde Hoogeschool van het gereformeerde volk moet worden, ook van de Hervormden van gereformeerde belijdenis.
Natuurlijk, dat hier de theologische faculteit moet worden uitgeschakeld.
Maar de juridische, litterarische, medische faculteit, enz., moet niet zijn en blijven uitsluitend van en voor de kerkelijk Gereformeerden (van de Geref. Kerken) maar moet zoo spoedig mogelijk worden van en voor allen die in Nederland leven uit de gereformeerde Protestantsche beginselen naar uitwijzen van Gods Woord en onze gereformeerde belijdenisschriften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's