De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

8 minuten leestijd

Van 's levenspad

door COR

Jong gestorven.

't Was Zondagmorgen.  De verkwikkende voorjaarszon die buiten in het vrije veld de opnieuw herlevende natuur bescheen en die deed blinken en schitteren in wondere pracht en schoonheid, wierp hare vriendelijke stralen ook neder op de vele en nauwe straten van het groote R , trachtende ook vreugde en blijdschap te brengen in de dicht opeenstaande huizen , ook daar te doen zien dat de winter was verdwenen.

De anders zoo drukke straatjes en stegen waren nu nog stil en rustig, nu de dagelijksche arbeid niet verricht behoefde te worden, sliepen de meeste bewoners nog, om straks na het ontwaken den rustdag, den dag des Heeren door te brengen in de ijdele genietingen der wereld.

Niet allen waren echter nog in rust, want de Heere, Die overal Zijne kinderen.heeft, had ook daar nog van de Zijnen en zij maakten zich reeds gereed op te gaan naar 's Heeren huis. Ook Gorting, de bewoner eener derde verdieping van een huis in een der vele straten, behoorde tot het door den Heere uitverkoren volk en ook hij maakte zich dien morgen gereed op te gaan naar de plaats des gebeds. Zich verblijdende dat de vriendelijke zon dien morgen ook zijn woning kwam opvroolijken, had hij zich gekleed, om dan zijn hooge verblijfplaats te verlaten en zich naar 's Heeren huis te begeven. Een van de drie trappen, welke hij moest afdalen om den beganen grond te bereiken, afgegaan zijnde, werd. hij staande gehouden door een omstreeks 10-jarig buurjongetje, dat hem scheen op te wachten en vroeg of hij naar de kerk ging. Op het toestemmend antwoord vroeg 't knaapje of hij dan mee mocht gaan. Zich over deze vraag verwonderende, dacht Gorting even na of hij dit havelooze ventje wel zou meenemen, doch dan aan het Woord van zijn Heiland denkende : „Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet", durfde hij niet weigeren en stemde toe, onder voorwaarde - echter, dat het knaapje zich vlug wat zou gaan wasschen en zoo goed mogelijk kleeden. Aanstonds verdween het knaapje om even daarna weer, zich zoo goed mogelijk opgeknapt hebbende, terug te keeren. Zander een woord te spreken stapte het ventje nu naast Gorting voort en weldra zaten beiden in het bedehuis, waar Gorting zich verwonderde, dat het knaapje zoo oplettend naar den predikant luisterde. Uit de kerk komende, liepen beiden weer zwijgend voort, totdat, dicht bij huis zijnde, het knaap je zeide : „Ik kon dien dominé heel niet begrijpen !"

Zich meer en meer verwonderend, zag Gorting het kind aan en wist niets anders te zeggen dan : „En je hebt zoo aandachtig zitten luisteren."

, , Ja", zeide het knaapje weer, , , ik heb wel gehoord wat de dominé zeide, maar (en hij wees naar de plaats waar zijn hartje zat) hier kon ik het niet begrijpen !"

, , Vraag dan den Heere maar of Hij je wil leeren het daar ook te begrijpen", , zeide Gorting en daar hun huis was bereikt ging ieder naar zijn eigen verblijfplaats.

In de op dien Zondag volgende dagen der week was Gorting het geheele geval weer vergeten, doch den volgenden Zondag morgen weer naar de kerk willende gaan, wachtte het knaapje, nu reeds zoo goed mogelijk gewasschen en gekleed, hem weer op met de vraag te mogen meegaan. Nog minder dan de vorige week durvende weigeren, stemde hij weer toe en weer zaten beiden weldra in de kerk, waar de predikant sprak over Openb. 7 : 15 en 16 : „Daar om zijn zij voor den troon van God en dienen Hem dag en nacht in Zijnen tempel en Die op den troon zit zal hen overschaduwen. Zij zullen niet meer hongeren en zij zullen niet meer dorsten, de zon zal op hen niet vallen, nog eenige hitte".

Zwijgend gingen beiden weer huiswaarts, totdat weer dicht bij huis zijnde, het knaapje opeens Gortings hand vatte en op zijn hartje wijzende, zeide : „Nu heb ik ook hier kunnen verstaan wat de dominé sprak". Zich meer en meer over het kind verwonderend zag Gorting 't aan en zeide : „Dan ga je zeker volgende week weer mee !" Op die vraag steeg zijn verwondering echter ten top daar hij ten antwoord kreeg : „Neen want dan zal ik reeds daar zijn waar de dominé nu van sprak".

Hij nam zich voor nauwkeurig acht te geven op wat in die week bij zijn buren gebeurde en Dinsdagavonds thuis komende, vernam hij reeds dat het knaapje ziek geworden was. Zou het dan werkelijkheid worden wat bet kind gezegd heeft, vroeg hij zichzelven af en na gegeten te hebben, haastte hij zich het knaapje te gaan opzoeken. Hij vond het Zondags nog gezonde ventje nu op het ziekbed met een van koorts hitte gloeiend gezichtje, maar tevens zag hij daarop een blijden glans komen als het kind hem zag en in kinderlijke eenvoud hem vertelde dat hij weldra zou sterven om dan echter te gaan naar die plaats waar hij voor den troon des Heeren mocht staan, Hem dag en nacht dienende.

Lang duurde het ziekbed niet. Vrijdagsavonds reeds stond Gorting aan het sterfbed van het knaapje dat maar zoo kort over het moeitevolle levenspad behoefde te gaan, dat zóó jong reeds ten einde zijnde, om te worden opgenomen in de plaats waar het niet meer zou hongeren of dorsten, waar de zon niet meer op hem zou vallen, noch eenige hitte.

Vol schaamte boog Gorting zich dien avond neder voor zijn Heere en Koning, terugdenkende aan den eersten Zondagmorgen dat het knaapje hem vroeg te mogen meegaan, daar hij zich schaamde met zulk een haveloos ventje naar de kerk te gaan, wijl de Heere Zich niet schaamde het op te zoeken en door Zijnen Geest te bearbeiden, opdat het voor-en toebereid zou worden om in zijn Huis te worden opgenomen.

En als het weer Zondagmorgen was,  en Gorting weer opging naar de plaats des gebeds, miste hij het knaapje aan zijne zijde, doch met blijdschap vervuld richtte hij het oog naar boven, waar het nu reeds den Heere mocht aanschouwen, wijl een danktoon uit zijn hart opsteeg, dat de Heere hem, ofschoon hij onwillig was, als een middel in Zijne hand wilde gebruiken om dat knaapje tot Zich te voeren.

Zijn er ook nog kinderen, die „Van 's levenspad" lezen ? En zijn daaronder wellicht ook kinderen, die het dat knaapje kunnen nazeggen, dat zij in hun hartje dat alles niet begrijpen ? Vraag dan den Heere maar of Hij je hartje wil bewerken door Zijnen Geest om het te leeren verstaan en begrijpen, dan ook zal Hij je gebed hooren en verhooren, want Hij heeft Zelf beloofd : „Die Mij vroeg zoeken, zullen mij zekerlijk vinden." Hoe jong ook, nooit zijt ge tè jong om tot den Heere te gaan, nooit kunt ge te vroeg gaan en nooit zult ge er berouw van hebben, vroeg den Heere te hebben gezocht. Indien ge jong moet sterven (en dat kan toch gebeuren) welk een blijdschap dan den dood niet te vreezen, maar dien te verwachten, wetende, tot den Heere te mogen gaan in de hoede van dien Heiland, Die zeide : „Laat de kinderkens tot Mij komen." En wanneer ge in het leven mag blijven, dan zult ge, groot geworden zijnde, nooit op een in de zonden doorgebracht leven behoeven terug te zien, want dat is zoo smartelijk, daar het dan altoos is, alsof het hart verwond is, wijl dat nimmer geneest, immer, zoo'n pijn doet. Kniel maar gedurig neder voor den Heere en vraag een nieuw hartje van Hem te ontvangen, waarin Hijzelf woont door Zijnen Heiligen Geest. Vraag het maar kinderlijk en eenvoudig, het behoeft geen lang gebed van vele en mooie woorden te zijn, als het maar op­ recht is, zijn enkele woorden reeds genoeg.

Toen ik nog een kind was, zeide mijn vader zoo vaak tegen me : , , Vraag den Heere maar veel om een nieuw hartje"-, doch ik deed niet wat hij zeide - en dat maakte hem vaak zoo droevig. Nu is de Heere echter gekomen om het mij te leeren, Hij heeft mij opgezocht en doen zien, dat ik niet kan sterven zooals ik geboren ben, dat ik den Heere Jezus moet kennen als mijn Heiland' en Zaligmaker. Dat zou ik nu zoo heel graag mijn vader vertellen, maar ach, dat kan ik niet meer doen, want vele jaren geleden is hij reeds uit het tijdelijke leven overgegaan in de eeuwige welgelukzaligheid. Nooit kan ik meer in vaders liefdevolle oog blikken, nooit die warme hand meer vatten-om hem te vertellen, wat de Heere heeft gedaan, wat mij vaak zoo droevig maakt, mij doet verlangen naar hem geluisterd te hebben, toen ik nog een kind was.

Indien ge dan nog ouders hebt, die dat ook tegen u zeggen, luister dan toch naar hen, want als zij straks niet meer zijn, maakt het altijd zoo droevig over 's levenspad te gaan met het verlangen : ach, kon ik mijn ouders nog maar eens vertellen dat de Heere hun gebed heeft verhoord, mij geleerd naar Hem te zoeken. Het zal je ouders zoo verblijden, wanneer zij zien dat je den Hêere een nieuw hartje vraagt ; maar nog meer zal het een blijdschap wezen voor jezelf, want den Heere te kennen geeft: vrede, vreugde, rijkdom, geluk ; ja. meer nog dan alle schatten der wereld, en als het stervensuur komt, geeft het eeuwige (dat is zonder tijd en zonder einde) welgelukzaligheid, want dan mag je sterven, wijl. Christus Jezus je bij de hand vat en in Zijn Huis brengt.

En voor de ouderen ? Tot u en mij zegt de Heere : „Voorwaar zeg Ik u, wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeken, zal in hetzelve geenszins ingaan."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's