JOHANNES FONTANUS
Feuilleton.
1)
Eerste predikant van Arnhem. Hervormer van Gelderland. Stichter van Kerken aan Maas en Waal.
Wij schrijven 1577. Van den oorlog; die tachtig jaar zal duren is 'het eerste tiende deel voorbij. Reeds is de nood hoog gestegen. Gelderland zucht onder het zwakke juk van Alva. Zijn wreedheid doet gruwelen. In dezen tijd wordt Johan van Nassau, oudste broeder van Prins Willem I aangesteld tot stadhouder van Gelderland. Deze treedt in overleg met de Staten-Generaal der Vereenigde Provinciën over de vraag, hoe er hulp zal worden verkregen. Algemeen wordt goed gevonden buitenlandsche soldaten in dienst te nemen, maar wie zal deze betalen ? Toen vooral gold het spreekwoord : „geen geld geen Zwitsers". Gelukkig, inzake het noodige geld komt er uitkomst. Elizabeth, Koningin van Engeland die al meer Nederland tegen Spanje gesteund heeft, opent opnieuw hare schatkist en geeft een aanzienlijk bedrag. Nu kunnen er soldaten in dienst worden genomen. Vorst Casimir, paltsgraaf van den Rijn, komt in 1577 met eenige duizenden hulp troepen te Arnhem. Met gröote vreugde wordt dit legertje in Gelderlands hoofdstad begroet. Een veldprediker is meegekomen. Zijn naam is Johannes Fontanus.
Laten wij van hem nog iets meer zeggen. De veldprediker werd in het jaar 1545 in het dorpje Zeiler in het land van Gülick geboren.
De geschiedschrijver Baudartius zegt van zijne ouders : „seer eerlicke, vrome, Godsalige en ook welhebbende menschen".
Zijn vader is Engelbert Puts, zijn zoon wordt Johannes gedoopt. Deze gaat ter school te Emmerick. Spoedig blijkt zijn buitengewone aanleg. Zijn vlijt wordt algemeen geroemd. Spoedig is hij student te Heidelberg, en leerling van den beroemden professor Zacharias Ursinius, den man, die met Olevianus den Catechismus opstelde.
Ursinus wordt voor den jeugdigen Johannes Puts een vaderlijke vriend. Zelfs geeft hij aan hem een anderen naam.
Als Johannes eens in bijzijn van den professor zijn naam schrijft, zegt deze : „Men weet hier van geen putten ; hier zijn fonteinen ; gij zult uit de heilsfointein der Heilige Schrift drinken en anderen daaruit te drinken geven ; heet daarom Fontanus". Dit woord werd een voorspelling. „Hij heeft zich dezen eernaam waardig gemaakt !"
Voortaan is zijn naam Johannes Fontanus. Hij studeert zoo vlug af, dat hij reeds op drie en twintig jarigen leeftijd als predikant bevestigd wordt van de gemeente te Neuhaus of Nieuwhuizen in de Palts. Ook wordt hij professor, welke „ambteren hij ettelicke jaren lanck met grooten lof, met eere ende met grootè stichtinge bedient heeft".
Toch zal Duitschland Fontanus niet behouden.
Frederik III, de keurvorst, sterft. Zijn dood maakt een einde aan Fontanus' werk. Immers de zoon van Frederik III, opvolger van dezen, heeft een geheel andere geloofsrichting. Fontanus wordt afgezet, en verdreven.
Gelukkig is hij rijk, zoodat hij nog niet terstond armoede behoeft te lijden.
Toch wenscht hij op zijn jeugdigen leeftijd nog niet werkeloos te blijven. Met blijdschap neemt hij aan het aanbod van vorst Hans Casimir om in diens leger veldprediker te worden.
Zoo weten wij nu, wie de man is, die met het leger binnen Arnhem's poorten tornt.
Om zijn welsprekendheid is hij bij de soldaten zeer gezien. Ook in zijn voorkomen heeft hij veel dat aantrekt. Zijn gelaat is echt-Duitsch-breed en vol, zijn kleine oogen stralen zonneschijn uit. Geheel zijn wezen ademt kalme kracht.
De oorsprong daarvan is zijn lijfspreuk, tegelijk levensleuze: „Jehova regnat" („God regeert"). .
Johan van Nassau, Gelderlands Stadhouder, komt ook onder zijn gehoor. Velen van de voornaamste ingezetenen der stad volgen zijn voorbeeld. Zij zijn en blijven zijn toehoorders.
De tijd komt, waarop Vorst Casimir met zijn leger Arnhem verlaat, de veldprediker zal mee moeten gaan. Dit ligt voor de hand. Dan komt uit de gemeente Arnhem het verzoek : „Hertog Casimir, leen ons uwen veldprediker".
Een geschiedschrijver uit dien tijd maakt van dit feit aldus melding : „als de gemeente te Arnhem zeer grootelijks begaan was om een Gereformeerden leeraar te bekomen, zoo heeft de welgeboren Grave Johan van Nassau de behulpzame hand der Kerk tot Arnhem zóó getrouwelijk geboden, dat ds. Fontanus, meermalen zeer ernstelijk daartoe verzocht en gebeden zijnde, eindelijk met consent (toestemming) ende believen (goedkeuring) van den Palzgraaf, bij leeninge der Kerke Christi te Arnhem is toegestaan".
Eerst wordt Fontanus uitgeleend, daarna wordt hij „ordinaris (gewone) Kerkendienaar". Als dag van intree vinden wij genoemd 5 Augustus 1578. Een deel van het klooster wordt hem als woning aangewezen. In den nazomer van 1582 wordt hem de Wheme of pastoorswoning, in de vroegere Catharijne — thans pastoorstraat — tot verblijfplaats.
Geldelijk was de verandering van werkkring voor Fontanus geen vooruitgang. Integendeel ! Als veldprediker genoot hij een inkomen van duizend Gulden per jaar, als predikant genoot hij slechts die honderd.
Dit bedrag was natuurlijk veel te gering om van te leven.
Hier komt nog bij dat zijne uitgaven vele zijn vooral ook ten gevolge van zijn groote milddadigheid tegenover Arnhems armen en zijn buitengewone gastvrijheid, die hij bewijst aan ieder die ze hem Vraagt. Het gevolg daarvan is dat hij zijn vermogen moet aanspreken.
Fontanus geeft ten bate van Arnhem zijn persoon, zijn werk en een groot deel van zijn geld.
Had hij nu een gemakkelijk leven ? Mocht hij in rust en vrede zijn dagen doorbrengen ?
Een oud schrijver weet daarop het volgende antwoord te geven :
„Behalve de swaricheyt ende becommernissen, die synen ordinarissen (gewonen) kerkendienst was medebrenghende beleefde 'hij hier nog dat sorghelijcke Crijgswesen van die tijden, alsoo, dat Arnhem [een swacke stad van situatije (ligging), oock weynich ghefortificeert (versterkt)] ettelicke jaeren lanck van haere vijanden omcynghelt, ende als beleghert gheweest was. De Spanjaerden hebbende in Nijmegen, Zutphen, Doesburg ende andere omliggende steden ende Forteressen (Forten)."
Hier moet nog bij vermeld worden, dat Arnhem's eerste predikant dikwijls wordt gesmaad en gehoond. Menigmaal is hij beschuldigd van woorden te hebben gesproken, die hij nooit had geuit, van daden welke nimmer door hem werden verricht.
Door alle eeuwen heen treedt deze waarheid op den voorgrond : „de scherpste doornen worden dikwijls gevlochten om het edelste hoofd".
Toch lezen wij nergens, dat Fontanus zijn werk als predikant zuchtend heeft verricht. Bij voor-en tegenspoed, bij goed en kwaad gerucht, bij geluk en ongeluk, bij wel en wee altijd is en blijft hij dezelfde.
Geen wonder, dat zulk een man door de Hervormde gemeente zeer geliefd wordt, ja door velen op de handen wordt gedragen. Dankbaar is men voor alles, wat hij doet ten bate van Arnhem's Kerk.
Deze dankbaarheid blijft niet beperkt bij woorden. Daden voegen zich hierbij. Een van deze is de verhooging van zijn tractement.
Boven hebben wij reeds gezegd, dat Fontanus begint met een tractement van f300 !! In 1592 is het verhoogd tot f500. En 1601 bracht hem een duurtetoeslag van f50. Ten slotte is zijn inkomen in het jaar 1608 gebracht op f600.
Merkwaardig is wel dat Fontanus twee jaren later nog weer een tijdlang veldprediker is geweest. In het jaar 1610 trekt Prins Maurits ten strijde tegen Gülick. Deze stad, gelegen aan de Ruhr wordt door hem belegerd en ingenomen. Fontanus heelt dezen veldtocht meegemaakt als veldprediker.
Maar het wordt tijd, dat wij onze aandacht schenken aan Fontanus als H e r v o r m e r van Gelderland.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's