Uit het kerkelijk leven.
De Volkstelling en het godsdienstig-kerkelijk leven.
Wij hebben voor ons wat „De Nederlander" van Zaterdag 26 Aug. j.l. publiceert van de uitkomsten der laatst gehouden Volkstelling (1920). Officlëele gegevens ontbreken ons dus geheel. Het zijn maar enkele cijfers uit een dagblad. Maar we willen aanstonds ook de aandacht van onze lezers op deze cijfertaal vestigen. Er valt genoeg uit te leeren.
Door de tienjaarlijksche volkstelling komt telkens in cijfertaal tot ons hoe het staat met ons volk. Hoeveel mannen, hoeveel vrouwen er in Nederland wonen ; hoeveel gehuwden en oiigehuwden ; hoeveel geboorten- en sterfgevallen er zijn geweest — maar oók, hoe het staat met het godsdienstig-kerkelijk leven onder ons. Want aan ieder, man, vrouw en kinderen wordt gevraagd, tot welk kerkgenootschap men behoort ; ook als men tot geen kerkgenootschap wil gerekend worden moet men dat op het beschrijvingsbiljet vermelden.
Zoo krijgt men dus ten slotte een overzicht van heel het volk, in stad en dorp en weet men tamelijk wel hoe of de kerkelijke verhoudingen in ons land zijn ; alsook hoevelen zich buiten alle kerkelijk leven hebben gesteld, door zich te laten schrappen of door niet meer te laten doopen, of door nooit meer naar een Kerk om te zien.
Wanneer het juist is wat we ons van de vragen van het beschrijvingsbiljet nog herinneren, zouden we willen zeggen, kan men voor hen die willen opgeven : zonder kerkgenootschap, nog niet een enkele vraag er bij geven, opdat ook uitkome of zonder kerkgenootschap ook beteekent godsdienstloos ; en als men vroeger tot een kerkgenootschap behoord heeft, , welke kerkgemeenschap dat dan geweest is en of men zich daadwerkelijk aan dat kerkgenootschap heeft onttrokken.
Intusschen kunnen we nu, waar 1 Jan. 1920 weer geruimen tijd achter ons ligt, een overzicht nemen van de resultaten der laatste volkstelling. En dan nemen wij natuurlijk hier alleen die cijfers, die spreken van
Ze volgen hier :
Het aantal dat tot de Ned. Herv. Kerk behooren is 2.835.597.
Dat is niet gering ! Bijna 3 miljoen. Wel is het niet meer de grootste helft van ons volk, dat in totaal 6.865.314 groot is. Maar het is toch bijna de helft; en dat zegt wat !
Dat zegt ook dit, dat de Herv. Kerk zoo'n mooie kans heeft om, verkondigende het evangelie des kruises, tot het volk in te gaan ! Waarbij het zoo vreeselijk jammer is, dat de Herv. Kerk helaas ! dikwijls haar taak en roeping verwaarloost, door een ander evangelie te brengen, dan 't geen naar de Schriften is, waardoor het volk niet wordt gesticht en opgebouwd en de Kerk zelve als een koninkrijk, dat tegen zich zelf verdeeld is, innerlijk wordt verteerd en ook naar buiten hoe langs hoe meer haar machteloosheid doet uitkomen.
Het is in het belang van het volk, dat hier spoedig verandering kome en de Kerk terug keere, tot de eenvoudige, heerlijke, kloeke belijdenis der Vaderen, dan zal, in den weg der Schriften wandelend, de beteekenis der Kerk ook rijzen en zij zal sterker worden door 's Heeren kracht, die Zijn volk nooit beschaamd doet staan, wanneer het geloovig op Hem betrouwt.
In grootte volgt op de Ned. Herv. Kerk met haar 2.835.597 leden de Roomsche Kerk die 2.444.582 leden telt. Dat is ook niet gering !
't Is wel niet het getal, dat de Herv. Kerk haalde (waarbij natuurlijk ook nog de leden van de Luthersche Kerk, de Geref. Kerken enz. komen als we het protestantsch gedeelte van ons volk nemen) maar het is toch voor ons protestantsch Nederland een beduidend cijfer, dat de Roomsche Kerk haalt.
Twee dingen mogen we hier wel even opmerken ?
In Nederland kunnen we n i e t dóen, alsof er van de Staatsburgers maar één of anderhalf tot de Roomsche Kerk behooren. Want die zoo iets zou willen doen, kan net zoo goed met z'n hoofd tegen den muur loopen, zeggende.: wat raakt mij dien anderhalve, steen, die daar op elkaar gestapeld staat.
We zullen dus met Rome moeten rekenen, daar ongeveer 21/2 miljoen Nederlandsche burgers tot Rome's Kerk behooren.
Waarbij we deze tweede opmerking willen voegen :
Wat is het jammer, dat tegen die groote macht van Rome's Kerk er onder de protestanten zqo groote verdeeldheid gevonden wordt, wat onze krachten breekt; en dat er zoo weinig lust ''onder de protestanten is om de eenheid daar te zoeken en te bewaren, waar God zelf in Zijn Woord en in Zijnen Christus ons het vereenigingspunt gegeven heeft.
Protestanten ! terug naar Gods Woord en u geschaard rondom den Christus Gods. Daar zullen we vinden, wat tot blijdschap en zaligheid, wat tot sterkte en victorie is.
2.835.597 Hervormden dus.
2.444.582 Roomschen.
Dan krijgen we nog : 571.835 die tot de Geref. Kerken behooren ; 102.517 Lutherschen en 260.838 die tot de kleinere Prot. Kerken gerekend moeten worden (te zamen dus nog 935.190 die met de 2.835.597 Hervormden een totaal geven van. 3.770.787 Protestanten).
Naast die 3.770.787 Protestanten en 2.444.582 Roomschen krijgen we dan nog 115.222 Israëlieten en 533.714 die tot geen kerkgenootschap behooren.
Dat laatste getal is vreeselijk. Wel zullen er onder die „kerkloozen" zijn die daarom nog niet godsdienstloos zijn. Die misschien behooren bij het Leger des Heils of bij een andere godsdienstige groepeering. Maar zeer zeker behoort een groot, zéér groot deel van die 500 duizend, tot degenen die zeggen : „er is geen God."
Is dat niet vreeselijk in ons Christen-Nederland ?
En ligt hier niet groote schuld bij de Hervormde Kerk, die zoo slap is in haar belijdenis, die ook (mee daardoor) zoo zwak is én door te weinig, veel te weinig werkkrachten(predikanten en gemeenteleden) laat verloren gaan wat anders nog kon worden gegrepen en geholpen.
Dat door innerlijken groei ook naar buiten haar sterkte meer en meer mag gaan blijken.
Dat zij toenemen mag in genade bij God en de menschen, door zich van harte te bekeeren tot Hem die gezegd heeft: die Mij eeren zal Ik eeren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden.
We hebben dus nu een overzicht van den godsdienstig-kerkelijken toestand van ons volk, door de getallen van de laatste tienjaarlijksche volkstelling.
Welke getallen we duidelijkheidshalVe ook zóó zouden kunnen groepeeren :
Protestanten Roomschen Israëlieten Kerkloozen 54.96% van de bevolking. 35.60% van de bevolking. 1.67% van de bevolking. 7.77% van de bevolking.
Zóó staan dus de verhoudingen : bijna 55% van de bevolking is protestantsch ; 351/2% is Roomsch ; ruim 11/2% is Jood en 7.77% is zonder kerkgenootschap.
Wat weer doet vragen : hoe stond dat in 1910? Zijn we vooruit of zijn we achteruit gegaan wat betreft het igodsdienstig-kerkelijk leven van ons volk ?
En dan zeggen de cijfers ons, dat het tien jaar geleden in zekeren zin gunstiger was dan 't nu is. Want in 1910 waren de verhoudingen aldus
Protestanten Roomschen Israëlieten Kerkloozen 58.18% (nu 54.96%) 35.04% (nu 35.60%) 1.81% (nu 1.67%) 4.96% (nu 7.77%)
Zij die tot geen kerk willen behooren zijn dus in aantal sterk gewassen en wel met 2%%. Waren er vroeger ongeveer 5 op elke honderd, nu zijn er zoo wat 8 op elke honderd inwoners, die zeggen van geen Kerk te willen weten.
Dat is een donkere vlek bij dit cijfercomplex ; een donkere vlek in ons volksleven ook.
Natuurlijk is het waar, dateer vroeger ook duizenden en duizenden waren die nergens van weten wilden, even goed als nu. Maar men kwam er niet zoo openlijk voor uit. Men bleef ook nog gemakkelijker hangen in en aan de Kerk waar men gedoopt was.
Nu is men wat brutaler geworden en nu schrijft men het zonder aarzeling : ik behoor tot geen kerkgenootschap !
Of dus in werke1ijkheid de toestand zooveel erger geworden is dan het 10 of 20 jaar geleden was, is zeer de vraag. Wat baat het of men uitwendig nog met één draad blijft hangen aan een Kerk waarmee men toch niets van doen wil hebben?
Maar in elk geval hebben het nu verscheidene duizenden méér dan vroeger zwart op wit geschreven : wij hebben gebroken met de Kerk !
Daarin ligt veel, wat tot droefheid stemmen moet ieder die z'n land en volk lief heeft. Want wie God verlaat hééft smart op smart te vreezen.
Wie. hebben er nu in de laatste jaren 't , .'; meest verloren, vraagt men onwillekeurig. . : Want die duizenden „kerkloozen" moeten . toch ergens vandaan komen, van de Protestanten, van de Roomschen of van de Joden.
De Joden zijn-achteruitgegaan. Qok de Protestaniten. , Want 10 jaar-geleden ; was 1.81% van de bevolking Jood en nu 1.67% ; ... en in 1910 , was 58.18%, Protestantsch en nu slechts 54.96%.: Van ruim 58% is het dus teruggegaan tot ongeveer 55% ; dat is op elke 100-drie verloren.
Onder de Joden en ónder de Protestanten zullen daat ook wel de meesten zitten, die jaren terug nog schijnbaar Jood en schijnbaar Protestant, nu openlijk hebben verklaard: we moeten niets meer van Kerk en godsdienst hebben !
En, hoe staat het in dezen met de Roomsche Kerk?
Zoolang wij cijfers bezitten is de Roomsche Kerk ten onzent achteruit gegaan. In 1818 behaalde zij 381/2 %, in 1900 slfichts 35,07 %. In.-1910 was het nog weer tot 35.04% teruggeloopen. Maatr nu is het gewöreden 35.60%; De teruggang is dus tot stilstand gekomen en is er thans een kleine vooruituitr gang.
Om hier conclusies, te trekken die juist zijn valt, niet, mee.
Want-ook de Roomsche Kerk heeft er die hun plichten niet meer waarnemen en die of „niets zijn" of overgaan-naar.-een. protestantsch kerkgenootschap.. Er zullen onder de „kerkloozen" ook wel zijn die vroeger, schreven, dat ze tot de Roomsche Kerk behoorden. Maar intusschen is de Roomsche Kerk in aantal iets toegenomen, waarbij misschien.ook wel een factor is, dat onder de Roomschen. minder dan onder de Protestanten het ellendige neo-malthusianisme is ingeburgerd. Onder de Roomschen vindt men meer groote gezinnen dan onder de Protestanten. Onder de Protestanten zijn er meer die hun kinderen vermoorden, voor ze geboren zijn en alzoo medewerken aan den ondergang van het Protestantisme. Wat wij daaromtrent pas nog van iemand, die in N. Holland goed bekend is hoorden is allerverschrikkelijkst !
Hier komt dit bij, dat vroeger percentsgewijze veel meer kinderen stierven van de , Roomschen dan van de Protestanten. In Brabant en Limburg was-dat in 1910 zoo ongeveer l6% (16 op. de honderd kinderen). Daar is nu blijkbaar ook verandering en verbetering in gekomen', Want nu is het ongeveer 11% (11 op de honderd, kinderen)
En, doordat meerdere Roomsche-kinderen de téruggang van'de Roomsche-Kerk tot staan gekomen en is het aantal leden dier-Kerk zelfs een weinig vöoruitgegaan.
Er zijn dus ongetwijfeld ook velen die van de Roomsche Kerk afvallen, vooral in deze dagen zoo vol van ongeloof. Maar in de Roomsche Kerk zijn reservetroepén, die de lege plaatsen aanvullen en het totaal aantal leden zelfs doet groeien.
Heeft ook dat ons. Protestanten, iets tezeggen?
Zullen we nijdig zijn op hen die groeien of zullen we onszelf herzien ?
De Heere geve dat we ook in deze cijfertaal Zijn roepstem mogen beluisteren. Dat we Zijn waarschuwingen mogen ter harte nemen als.Hervormde Kerk en dat we van de paden der ongerechtigheid ons bekeerend Hem mogen vreezen en dienen naar Zijn Woord. Dan zal de Heere weer eer ontvangen in dezen lande en ons volk gezegend worden door Hem, die mildelijk vergeeft en niet verwijt.
Doen we dat niet, dan zal een goddeloos geslacht opgroeien dat naar God niet vraagt en onze plaats zal ledig bevonden worden weldra, daar de Heere een ijverig God is die de misdaden der vaderen bezoekt aan de kinderen wanneer deze weigeren zich tot God te bekeeren, die barmhartigheid bëwijzen wil aan duizenden en tienduizenden dergenen die Hem vreezen.
De groote steden.
Daar klopt het hart van het volk. Daar zien we eigenlijk eerst recht hoe het met het volk staat. Daar vallen doorgaans de beslissingen, Zooals het daar pol
itiek, 'zooals het daar kerkelijk staat, zóo is in doorsnee de werkelijke tpestand.
Nu hebben we de cijfers van de volkstelling wat betreft de groote steden niet tot onze beschikking. Alleen door een bericht in De Nederlander weten we hoe het in Amsterdam staat.
De cijier zijn de volgende: 1900 1910 1920
Protestanten 58,91 53,71 54,82
Hervormden 41,54 35,21 29,48
Roomschen 23,49 23,54 22,60
Gëref. Kerken 4,35 5,84 4,01
Kerkloozen 5,90 11,81 21.73
Verschrikkelijk is hierbij het onrustbarend toenemen van het getal dergenen die tot geen kerkgenootschap behooren.
Want al zullen het gelukkig niet allen menschen zijn die van God en Zijn dienst niet meer. willen weten (er zijn toch ook menschen die niet tot een Kerk behooren willen, omdat ze zich voegen bij een of andere godsdienstige onkerkelijke groepeering van-geestverwanten) toch is het vreeselijk dat, waar in 1900 ongeveer 6% (6 op de 100) kerkloos waren, in 191Ó dat reeds ongeveer 12 op de 100 was geworden en nu, in 1920, zelfs een aantal van bijna 22 op de honderd-officieel verklaren tot geen kerkgenootschap gerekend te willen worden.
Dat gaat hollend achteruit.
Brutaal in de richting van „geen God en geen meester !"
Daarbij doet het droevig aan, dat de Herv. Kerk in 20 jaar van 411/2% geslonken is tot 295/2%. Waar dus in 1900 nog 41 1/2 mensch van elke 100 tot de Hervormde Kerk - behoorde, is dat nu slechts 291/2 van elke 100 Amsterdammers.
Zeker ! vroeger waren er duizenden en duizenden die zeiden Hervormd te zijn en eigenlijk „niets" waren ; terwijl zulke menschen nu, openlijk verklaren tot geen kerkgenootschap te willen behooren of naar een ander kerkgenootschap zijn overgegaan. Inzoverre scheen het vroeger dus mooier en grooter dan het werkelijk was. En alzoo is in werkelijkhèid de verandering en vermindering minder groot dan het schijnt. Maar dat neemt niet weg, dat de cijfers klaar aan den dag brengen, dat de Hervormde Kerk in Amsterdam hard achteruit is gegaan, waarin 20 jaar het getal van 41 1/2 per honderd gedaald is op 29 1/2 per honderd.
Natuurlijk is het niet waar, wat de moderne kerkelijke pers zal zeggen (men kan het op z'n vingers narekenen, dat de vrijz. Hervormden zooiets zeggen zullen), dat de .oorzaak van hét verval der .Herv. Kerk te Amsterdam hieraan ligt, dat men aldaar geen vrijzinnige predikanten wil beroepen. Want als men een gemeente om hals wil helpen moet men voor een vrijzinnige prediking zorgen !
Laat .N.-Holland, Z.-Holland, Friesland, , Groningen, Drenthe maar getuigen. Laat stad en dorp in deze maar spreken.
Dus daar ligt de oorzaak niet. Juist waar een prediking gevonden wordt naar het Woord vindt men nog de meeste belangstelling. Laat-stad en dorp maar ten bewijs dienen;
De oorzaken liggen ergens anders.
In de ongelukkige positie welke de Herv. Kerk als Kerk inneemt. Wat velen van haar vervreemd. Ook in de weinige arbeidskrachten welke voor zoo'n ontzaggelijk groot arbeidsveld beschikbaar zijn. En in de omstandigheid, dat we leven in dagen van roekeloosheid, Godverzaking en wereldgezindheid, waarin velen het aandurven om openlijk te verkondigen : er is geen God.
Niet alleen de Hervormde Kerk is te Amsterdam achteruitgegaan. Hoewel zij in de sterkste mate.
Ook de Roomschen zijn afgenomen van 23 1/2 naar 22. 1/..%. Waar er dus per nu maar 100 29 1/2 mensen, tot de. Herv. Kerk behoort, daar zljn er 22 1/2 per honderd die Roomsch zijn !)
Ook zelfs de Geref. Kerk is in de vermindering en is van 5.84% gedaald op 4.91%.
En de kerkloozen zijn verdubbeld!
Storte .de Heere nog uit van Zijnen Geest en stoote Hij arbeiders uit in Zijn wijngaard ! . . Dat de Kerk zich bekeere tot den levenden God en dat land en volk nog in dezen dag bekenne, dat de Heere waardig is om gediend en gevreesd te worden naar Zijn Woord!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's