De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op kerkelijk Erf

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op kerkelijk Erf

9 minuten leestijd

XX.

Kerkorde en Confessie.

Uit de beschouwing van de ware Kerk kan het duidelijk zijn geworden, dat hier op aarde een ware Kerk in , volstrekten zin al even moeilijk zal worden aangewezen als een valsche Kerk. Geheel de ontwikkeling der Kerken na de Reformatie vertoont een verscheidenheid van kerkelijke organisaties-en instituten, die ieder op zich zelf beoordeeld noch volkomen waar, noch ook volkomen valsch zullen worden bevonden, wijl aan alle iets gebrekkelijks zal worden aangetroffen, en zelfs de valsche Kerken zullen dikmaals ondanks de feilen en-afwijkingen nog enkele kenmerken der waarheid dragen. Ziende op de bijzondere Kerken zou men kunnnen zeggen, dat zij voor de ware Kerk mogen worden gehouden, zoo zij in de fundamenteele artikelen des geloofs staande bleven zoo zij overigens in zuiverheid meer of minder afweken. Aangaande de valsche Kerk zegt de geloofsbeiijdenis (art. 29  'die schrijft zich en hare ordinantiën meer macht en autoriteit toe dan den Woorde Gods en wil zich aan het juk van Chris'tus niet onderwerpen ; zij bédient de Sacramenten niet, gelijk Christus in Zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk' als het haar goeddunkt; zij grondt zich meer op de menschen, dan op Christus ; zij vervolgt degenen, die heiliglijk leven naar het Woord Gods, en die haar bestraffen over haar gebreken, gierigheid en afgoderijen".

.Het denkbeeld" van een eenig kerkelijk instituut, zooals dat in de Roomsche Kerk werd verwezenlijkt viel dus uitèèn en daarmede ook het begrip van ware Kerk, dat daaraan was verbonden. Ook in de Roomsche Kerk echter bleven de Hervormers nog kenmerken van de ware Kerk erkennen. Zooals wij reeds opmerkten, gaat de ware Kerk door velerlei organisatie en instituut heen. Zij is als een zenuwstelsel, dat vertakt door de bijzondere Kerken heen, leeft uit het Woord als de ziel der Kerk. Nu kan men licht worden aangegrepen door het ideaal om die innerlijke eenheid ook uitwendig aan den dag te brengen, zooals dat in de Roomsche Kerk werd uitgevoerd en inderdaad heeft een dergelijk idealisme ook na de Reformatie in de lands en volkskerken zich nevens andere invloeden doen gelden tot in onze dagen. Men kan het ook betreuren, dat de reformatorische ontwikkeling op zoo velerlei kerkformatie uitliep, doch hierbij worde opgemerkt dat het idealisme van een eenheidskerk zelf niet weinig bijdroeg tot scheuring en separatisme. Het wezen der Kerk laat zich niet in een gewenschten vorm dwingen zonder groote schade. Immers krachtens dat wezen is de eenheid der Kerk van geestelijken aard en die geestelijke eenheid laat zich niet overdragen op eén instituut, welke die eenheid van buiten af oplegt en tracht te bewaren. Uit dit oogpunt vooral treedt het voordeel aan het licht van de Gereformeerde opvatting, die ook met de Oud-Christelijke overeenkomt, zooals dat trouwens uit de H. Schrift kan worden gezien, en die de plaatselijke gemeente beschouwt als een zelfstandige openbaring van Christus' Lichaam. Geheel overeenkomstig het geestelijk wezen der Kerk gaat men er dus vanuit : waar Gods volk vergadert, daar is de Kerk. Daar is dé Christus in het midden en schenkt gemeenschap aan Zijn schatten en gaven. Het is hiermede niet in strijd, dat de plaatselijke Kerk ook een institutair karakter draagt, integendeel, de instelling der ambten vertegenwoordigende het drievoudig ambt des Heeren bevestigen dit veeleer.

De oorsprong der plaatselijke Kerk is dus geestelijk en zij wordt in en door haar ambtsdragers door den Christus geregeerd als haar Koning. De .kerken aan verschillende plaatsen zijn dan ook alle gelijk te achten en worden gelijkelijk door het Hoofd van het .gansche Lichaam bewaard en bestierd, zoodat zij, noch hun leden, noch hun ambtsdragers onderling heerschappij voeren over elkander, maar gelijk de leden van een kerk in een gemeenschap verbonden zijn, zoo zijn zij ook ten opzichte van het geheel der Kerk van Christus elkanders leden, schoon in onderscheidene plaatselijke Kerken bijeen vergaderd. De plaatselijke Kerken kunnen nu weer als leden van één lichaam worden aangezien en men heeft daartoe zeker recht, doch men bedenke, dat zij èèn zijn in het Hoofd der Kerk, Jezus Christus en zoodra men die eenheid veruitwendigen gaat, vervalt niet in de Roomsche practijk van een pilaatsbekleeder of brengt op andere wijze een gordel der eenheid aan, die een zeker getal plaatselijke Kerken saamsnoert, maar juist daardoor loopt men groot gevaar de geestelijke ontwikkeling der plaatselijke Kerk zoodanig te benauwen, .dat zij aan allerlei ziekte gaat lijden en terwijl het eensdeels verkommert en versterft, breekt het den onnatuurlijken band. Het leven laat zich nu eenmaal niet in een keurslijf opsluiten en daar het diepste wezen der Kerk ligt in het leven van den Verrezene door den H. Geest meegedeeld, laat zulks zich allerminst hier verwachten. Geen Kerkidee kan dat leven dwingen dan ten koste van het instituut zelf, dat de eenheid tracht te verwezenlijken in uitwendigèn vorm, aangezien het leven zelf de eenheid is.

Zulk een streven verloochent ook het beginsel der Christelijke religie zeilf. Het staat iemand-tot op zekere hoogte vrij, hoe hij het Woord des Heeren wil verstaan, ook al sluit dit niet uit, dat het Woord niet ledig zal wederkeeren en evenzeer een iegelijk daarvan verantwoording zal hebben te doen tegenover den Rechter van hemel en aarde. Uit het oogpunt dier vrijheid kan men over .het Woord en de Kerk oordeelen, zooals men wil en dat men dit ook doet, is immer gebleken en niet het minst in onze dagen. Hoevelen scharen zich toch onder de Kerk van Christus, die Zijn Woord miskennen en verachten en daaraan de geheel eenige beteekenis, die de Kerk van alle eeuwen daarin heeft gevonden, ontzeggen. Men noemt de leer der inspiratie, naief, dood, wetenschappelijk overwonnen. Sommigen houden de Schrift, voor een verzameling van uitspraken en meeningen, van bekende., en onbekende, personen, die uit zielkundig en historisch oogpunt verklaarbaar zijn, en als zoodanig van waarde, anderen houden het er voor, dat Gods Woord wél in de Schrift wordt gevonden, doch ontkennen, dat zij Gods Woord is, weer anderen houden er een Schriftbeschouwing op na, die het beste geschikt lijkt om hun .persoonlijke inzichten omtrent de religieën hun opvatting van menschheld en wereld te dienen. Velen zijn er die zich in het geheel niet om het Woord schijnen te bekommeren. 

Nu kan men deze dingen betreuren, doch wie zich bezint op het wezen der Kerk, zal toch geenszins bevreemding koesteren, dat niet allen het Woord als Gods Woord belijden en evenmin zal hij wenschen, dat eenige aardsche macht in Kerk of Staat het geweten zal dwingen tot geveinsde onderwerping. Alleen de Kerk zij in staat tucht te oefenen over degenen die zich bij haar voegen of in haar worden geboren. Mag geen Kerk een mensch dwingen om zich te stellen onder het juk van Christus naar haar belijdenis, evenmin mag zij gedoogen, dat hij, die daarmede in leer en leven breekt, zonder tuchtoefening te ondervinden daarin kan volharden en ten laatste niet zou verwijderd worden. Maar omgekeerd mag ook aan een plaatselijke Kerk de vrijheid niet worden ontzegd of ingeperkt buiten recht en biljijkheid. Ook zij moet en in de bediening des Woords en in de oefening der tucht, die uit de gehoorzaamheid des Woords volgt, trouw kunnen zijn en haar vrijheid behouden. Hieraan nu kan een instituut, dat de Kerken in een verband zet veel in den weg stellen en steeds zal het uit den drang, die tot het instituut dreef, juist in het euvel vervallen, dat het bedoelt te voorkomen. Immers het wil alles bijeen behouden in het verband en verlegt daardoor de eenheid, tenzij het zich welbewust voor oogen houdt, wat boven van de plaatselijke Kerk werd gezegd. Handhaaft eenig instituut of eenige kerkelijke .organisatie de beginselen der H. Schrift : in het regiment der Kerk en dus ook de belijdenis der Kerk en de tucht, dan zal zij telkens gedwongen zijn tot afsnijding van wat met haar niet vereenigen kan en naast zich secten en religieuse vereenigingen zien ontstaan van de afgesnedenen en die zich vrijwillig daarbij voegen. Doet zij dat niet, maar meent zij in zooverre terecht geen gewetensdwang te mogen uitoefenen, terwijl zij toch de eenheid wil behouden, dan verliest zij ongetwijfeld het karakter van belijdende Kerk. Zij liipet binnen haar organisatie allerlei vrijheid toestaan, waardoor de innerlijke eenheid des geloofs gebroken wordt en de kracht van het kerkelijk leven ondermijnd.

Immers de organisatie bindt zich in dat geval niet alleen in de oefening der leertucht, maar ook opkomende leergeschillen kunnen niet naar kerkelijke orde worden opgelost. Krachtens heel de ontwikkeling van het kerkelijk leven en mede in verband met de cultuurontwikkeling kunnen geschillen echter nimmer uitblijven, aangezien het leven zich niet stoort aan een uitwendig verband. Nooit kan de Kerk ontkomen aan den invloed, die van buiten af op haar inwerkt, zoodat zij spoedig verschillende geestesstroomingen binnen haar perken zal zien opkomen. Als instituut kan een Kerk daarvoor blind zijn, doch dat kan het feit niet wegdoezelen. Onderstel een plaatselijke Kerk laat de tuchtoefening na en houdt het voor goed om allerlei wind van leer den vrijen teugel te geven, hoe zou men oordeelen over zulk een plaatselijke Kerk? Geef nu plaats aan een lands-of volkskerk, die hetzelfde doet. Zoodra de geschillen betrekking hebben op de fundamentéele geloofsstukken, kan toch niet meer worden ontkend, dat de grenslijn tusschen ware en valsche Kerk is overschreden ? Afgezien van de vraag, hoe het bestuur over het wezen van de Kerk of van het instituut denkt, blijft het toch van belang, dat een grooter of kleiner deel daarover op bepaalde wijze denkt, wijl die onderscheiding saamhang met de fundamentéele stukken - des geloofs, en dat het dingen geldt van het hoogste gewacht. Mag of kan dus het hoogste bestuur geen beslissing tot stand brengen en worden oplossingen door scheurmaking niet gezocht, dan blijft het toch een feit, dat fundamenteele geloofsverschillen de Kerken en leden die deel uitmaken van het verband in groepen scheiden, die ieder voor zich een eigen belijdenis al of niet als zoodanig beschreven en vastgesteld wenschen te handhaven. In wezen draagt zulk een instituut dan toch een geheel ander karakter dan volgens zijn eigen beginsel. Het wortelt toch in het beginsel om de plaatselijke Kerken, door èèn belijdenis verbonden, ook uitwendig in eenheid te stellen, terwijl in den loop der jaren feitelijk Kerken met verschillende belijdenis worden vereenigd.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Op kerkelijk Erf

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's