Stichtelijke overdenking.
Als het volk wederom in het leger gekomen was, zoo zeiden de oudsten van Israël : Waarom heeft ons de Heere heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen ? Laat ons van Silo tot ons nemen de arke des verbonds des Heeren en laat die in het midden van ons komen, opdat ze ons verlosse van de hand onzer vijanden. Het volk dan zond naar Silo en men bracht vandaar de arke des verbonds des Heeren der Heirscharen, die tusschen de Cherubs woont. Toen streden de Filistijnen en Israël werd geslagen en zij vloden een iegelijk in zijn tenten. En de arke Gods werd genomen en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 1 Samuel 4 vers 3, 4, 10 en 11.
Noodzakelijk Zelfonderzoek.
Er zijn tijden in het leven, waar in de gedachten zich in het binnenst van den mensch vermenigvuldigen.
De samenkomst van Gereformeerde Kerkeraden te Utrecht is een gebeurtenis, die onwillekeurig allerlei gedachten en vragen doet oprijzen.
Is dit een stoot, die de raderen van liet kerkelijk samenleven weer in beweging brengt ? Zal er herleving komen en samenbinden, nadat men zoo lang, als in diepen slaap verzonken, naast elkander en z o n d e r elkander heeft geleefd ?
Of is het niets dan menschenwerk, een knutselen om een reformatie tot stand te brengen, terwijl de kracht en de geest eener ware reformatie ontbreekt ?
Het is alleszins noodig om de roerselen van eigen zieleleven immer te onderzoeken en aan de Schrift te toetsen, opdat men zichzelf niet bedriege en liet misschien een lofzang zingt, terwijl liet past om een klaaglied te laten hooren.
Maar evenzeer heeft men geestesbewegingen van meer algemeenen aard op dezelfde wijze te beproeven, wijl de arglistigheid van de menschelijke natuur zich ook daar pleegt te openbaren. Menigten zullen roepen : „Ziet, hier is de Christus, of ziet, daar !" maar de Heere zeide : „gelooft ze niet." De Waarheid is niet altijd bij de menigte, hoe geestdriftig ze ook naar eigen overtuiging de banier der Waarheid omhoog heft.
ledere geestesrichting berkt in zich een eenzijdigheid, wier verdere ontwikkeling haar krachteloos maakt en ten doode doemt.
Dit gevaar dreigt ook de Gereformeerde richting met haar nadruk leggen op de bindende kracht van het Woord Gods voor geloof en leven. Formalisme en farizeïsme zijn klippen waar voor bijzonder de Gereformeerde geestesrichting op haar hoede moet zijn.
De geschiedenis, in onze tekstwoorden vermeld, teekent in levendige kleuren de gevaren, die ons dreigen. Israels oudsten hebben zichzelf schrikkelijk bedrogen. Zijn we er ons van bewust, dat de mogelijkheid om zich op dezelfde wijze te misleiden, nog bestaat ?
Wat is het geval ?
Onder het juk der Filistijnen ging Israël gebukt en dat juk drukte zwaar, zóó zwaar, dat men een poging waagde om het af te schudden. De weerbare mannen werden opgeroepen tot den strijd ; het kwam tot een treffen ; maar Israël werd voor'der Filistijnen aangezicht geslagen.
De poging tot bevrijding mislukt. Toch zeggen we: gelukkig dat er beroering is gekomen. Want in de dagen van Simson sliep Israël een zwaren slaap. Alleen liet men hem strijden. Ja, de vrees voor de Filistijnen was zoo groot, dat men Simson zelfs uitleverde aan den vijand. Men was verzoend met zijn slavenketenen en boog gewillig, niet wijl het hart gebroken was en daarom boog onder Gods oordeel ; men boog gewillig onder den mensch.
Doch de ontwaking, is gekomen. Israël wordt zichzelf bewust. En nu ontbrandt de strijd. Het kan niet anders. De strijd wordt echter verloren.
Israels oudsten beseffen niet waarom. Waarom heeft de Heère ons heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen ? Ze zijn er zich bewust van geworden, dat de HEERE Israels God is, een machtig Heere en in dat bewustzijn hebben ze den strijd durven aanvaarden. Op dien grond hebben ze gemeend, dat de overwinning hunne zou zijn. Doch ze zijn niettemin verslagen.
Is Israels God niet meer dan de goden der heidenen ? Maar waarom heeft Hij dan Zijn volk niet geholpen ?
Israels oudsten zoeken naar de oorzaak van hun teleurstelling, maar ze zoeken niet op de rechte plaats. Stond het wel en recht tusschen hen en hun God ? Een eerlijk toepassen van deze vraag zou hun de breuk hebben doen zien. Later, onder Samuel, zal het leger , der onbesnedenen vlieden voor Israels mannen, maar niet dan nadat het volk eerst aan de roepstem tot bekeering gehoor heeft gegeven en de vreemde goden uit het midden heeft weggedaan. Aan deze dingen denken , ze echter n u niet. Ze zoeken de oorzaak der vernedering elders. Zooals de mensch altijd gaarne de breuk buiten zichzelf zoekt.
Bij het besluit, dat thans genomen wordt, komt weer bizonder naar voren de vaste en diepe overtuiging bij Israels oudsten, dat de God van Israël grooter is dan de goden der heidenen. Dit bewustzijn verwekt een wonder godsdienstige geestdrift. Een juichkreet gaat door het leger als de arke des Heeren wordt gezien. Maar het is een geestdrift, die zoo al uit het geloof, toch niet uit het rechte geloof is opgeweld.
Israels oudsten stellen voor om de arke des verbonds des Heeren te halen uit Silo en spoedig is aldus besloten. Die arke des verbonds was het symbool van Gods genadige tegenwoordigheid onder Zijn volk, ja, meer dan symbool. Op de vleugelen der Cherubim boven het verzoendeksel, woonde en troonde de heerlijkheid des Heeren. Als de hoogepriester op den grooten verzoendag het binnenst heiligdom inging, moest de wierook in 't wierookvat branden, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel bedekte en hij niet stierf.
Van deze vreeze voor de heerlijkheid des Heeren weten echter Israels oudsten niet, ja, ze weten zelfs niet van die heerlijkheid des Heeren in het heiligdom ; ze weten alleen van de ark en die ark wordt gehaald, opdat ze hun de overwinning geve. In wezen verschilt nu hun handeling niets van die der heidenen. Zooals voor de heiden het beeld en zijn god één zijn, zoo zijn thans voor de Israëlieten de ark en de Heere één. De Oneindige wordt neergetrokken in het eindige ; Hij, die een Geest is, wordt door hen gebonden aan een stoffelijk symbool. Van geen vreeze, van geen heilige, siddering is daarom meer sprake als de ark in het leger komt. De klove, die gaapt tusschen hen en hun God is niet meer ; niet wijl God die klove heeft gedempt in de uitdelging hunner schuld, in het schenken van Zijn genadige gemeenschap, maar zelf hebben ze de klove weggenomen door God, de Heilige en Heerlijke, neer te halen tot hun eigen laagte en Hem te denken als hunner één.
Als de arke des verbonds des Heeren in het leger komt, juicht gansch Israël met groot gejuich. Zij verblijden zich in de tegenwoordigheid Gods, waardoor hun de overwinning gegeven zal worden. Maar de God, die ze eeren, is niet de God van Abraham, Izaak en Jacob, is niet de levende God. Ze hebben zichzelf een God gemaakt, een God, ontdaan van de heerlijkheid en majesteit des levenden Gods. Het is dezelfde God als die, tot wien de farizeër bad en hij kon tot Hem naderen zonder vreeze en heilige siddering, zonder verbrokenheid des harten. Maar zulk een God kan niet helpen ten dage der benauwdheid en weet niet uit te redden. Israël verloor den strijd en de arke Gods werd door de Filistijnen genomen.
Welk een ontzaglijke waarschuwing voor ons, die van nature ook zoo zeer geneigd zijn den vorm te nemen voor het wezen.
In de belijdenisgeschriften onzer Kerk zien we nog immer de teekenen van Gods tegenwoordigheid onder Zijn Kerk en volk van de 16de en 17de eeuw. Zij getuigen van de krachtige werking des Heiligen Geestes, waardoor de nevelen van ongeloof en menscheninzetting gescheurd werden en de Waarheid Gods in klaarheid hun verscheen. Hoe eenvoudig, en toch hoe krachtig hebben zij gesproken.
Het is geen wonder, dat zij, die een open oog hebben voor de geestesrichtingen onzer dagen en zien, hoe de grondslagen der Kerk gaan wankelen, wijl het gezag der Schrift wordt weggenomen en alle waarheid relatief wordt gemaakt, tot de Kerk der Reformatie zich keeren om één met haar te zijn in geloof en met haar weer te staan op den grondslag van het onwankelbare Woord van God. Eén met haar in geloof en daarom één met haar in belijdenis, zóó, dat de belijdenis der vaderen niet spreekt van voorbijgegane dingen en van waarheden, die thans geen waarheden meer zijn, maar ze nog als een banier der Waarheid kan en moet worden opgeheven, wijl die God, van Wien zij gesproken hebben, de ééne en waarachtige God is, de God van de 16de en van de 20ste eeuw.
Temidden van de beroering dezer dagen, nu alles wankel staat, wordt door velen de belijdenis onzer vaderen, de belijdenis van dien souvereinen God, die een God van vrije genade is, weer als een kostbaar goed erkend en aanvaard. Maar aanvaardt men daarmede ook den God der belijdenis ?
Dat menigeen niet aan deze vraag toekomt, bewijst hoezeer hij vorm en wezen vereenzelvigt. Zooals Israël riep om de ark des Heeren, maar naliet te roepen tot den levenden God, zoo "kan men roepen om de belijdenis der Vaderen, dat ze als een banier worde opgeheven en men rondom haar vereenigd den strijd strijde en onder dit alles nalaten te roepen tot den God der Vaderen, den levenden God, omdat men de belijdenis van den waarachtigen God en den waarachtigen God Zelf vereenzelvigt, omdat men, gelijk Israël de oneindige God bindt aan het werk van eindige menschenkinderen en meent dat op den bodem der belijdenis te staan hetzelfde is als de Waarheid te kennen, dat te staan aan de zijde der belijdenis hetzelfde is als te staan aan de zijde Gods. Ach, arglistig is het menschenhart, meer dan eenig ding. Met een zuivere belijdenis dient het vaak een vreemden God. Op de belijdenis der Vaderen zich beroemende, kent het vaak niet den God der Vaderen, zooals de farizeër roemde in de wet Gods, aan Mozes gegeven, en hij kende God niet, Die de wet gaf.
Daarom is voor ons, die wenschen op te komen voor de handhaving der belijdenis, de vraag niet ongepast : „Ge ligt vereenigd met de belijdenis van dien eenigen en drieëenigen God, die zich in de Schriften geopenbaard heeft, maar ligt ge ook vereenigd met dien God Zélf ? Verwacht ge voor Gods Kerk heil van dé belijdenis als zoodanig of beseft ge, dat het eeren van de belijdenis nog iets anders is dan het eeren van dien God, van Wien de belijdenis spreekt ?
Het gevaar om op de klip der leerheiligheid te stranden is voor ons als Gereformeerden steeds groot. Het begrip van God te vereenzelvigen met God Zelf haalt den Oneindige neer in het eindige en doet ons met den farizeër alle vreeze en eerbied, alle heilige siddering voor Gods hoogheid verliezen. Zulk een God kan men dienen, .zonder dat men zich bekeert van zijn zonden. Ons tekstverhaal doet zien, dat in dezen weg de godsdienstige geestdrift hoog kan opvlammen, maar geen geestdrift kan dan goed maken, wat aan Geesteswerk nog ontbreekt.
Wanneer we wenschen ie strijden tegen de dwalingen, die Gods erve verwoesten en verdrukken, past het ons daarom ons daartoe op te maken in verootmoediging voor het aangezicht van den levenden God. Zoo we toch niet allereerst wederkeeren tot den God, dien onze vaderen beleden, zal de wederkeer tot de belijdenis van dien God vruchteloos zijn. Onze strijd naar buiten moet voortkomen uit innerlijke verlevendiging en anders is alles ijdel.
Dit te weten make ons klein en ootmoedig en doe ons ernstig begeeren naar de werking en de leiding van den Geest des levenden Gods, opdat we slechts instrumenten zijn in Zijn hand en wij niet in eigen wijsheid werken, maar God in Zijne Wijsheid door ons werke.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's