Socialistische moraal.
Op toevalliige wijze kwam ons in handen een der Augustusnummers van het Sociaal Democratisch dagblad „De Voorwaarts."
Hij, die het ons ter hand stelde, had het zelf van een jeugdigen collega ontvangen op de schaftzaal van een der groote fabrieken te Rotterdam.
Onze aandaeht werd gevestigd op de boekaankondiging.
Na deze gelezen te hebben kwamen we tot de overtuiging dat nooit genoeg kan gewaarschuwd worden tegen de Socialistische moraal.
De roode propagandisten zullen zich wel wachten openlijk hun gedachten uit te spreken over „vrije liefde", etc, wanneer zij zien, dat dit hun politiek nadeel kan doen. In dat geval durven er zelfs nog beweren, dat voor zulke beschuldigingen geen grond bestaat.
Vergun ons U het een en ander mede te deelen uit deze boekaankondiging.
Vijf boeken worden besproken.
Het eerste boek dat behandeld wordt is : Sterke Webben, van Alie Smeding. De recensent begint er op te wijzen dat ons volk een Calvinistisch volk is. Elk Nederlander, wie of wat hij zij, ook een Katholiek(? ), heeft verwantschap met onzen Calvinistischen landaard.
Omtrent deze bewering zou heel wat kunnen geschreven worden, maar. we laten dit na, om met vollen nadruk te kunnen wijzen, op het volgende.
De beoordeeler zegt dat "een kant van de strenge, Calvinistische leer wel zeer sterk op ons volk een stempel gedrukt heeft ; 't is het ontzagwekkende, doch wreede geloof, dat de mensch van nature zondig is en ongeneigd tot 't goede. Deze sombere levensbeschouwing staat diametraal tegenover alle schoonheid en levensdurf; ze heeft den looden druk van angst voor het leven en schuwheid voor „de zonde" gelegd op gansche geslachten van menschen."
Bij deze woorden zouden we wel willen uitroepen : „Was dat maar waar, dat de gewraakte kant zoo scherp een stempel op onze volksziel gedrukt had", en daarbij willen opmerken dat tegenwoordig van de schuwheid voor „de zonde" weinig te zien is.
Doch de recensent ziet die zondeschuwheid wèl. Hij ziet ze met groote droefheid en lijdt mee met de hoofdpersoon van 't verhaal, die, opgevoed in Calvinistische kringen als ze is, „daarom te kort schiet, wanneer het leven haar de kans biedt van een groote, zoogenaamde niet fatsoenlijke liefde. Tengevolge daarvan komt de zelfkwelling en leegte, die het trieste loon zijn van haar, die niet durfde gelooven in haar liefde alleen."
Het boek wordt dan verder aanbevolen, omdat het „een der merkwaardigste boeken van onze volksziel op waarlijk schoone wijze heeft belicht."
Zoo eindigt de eerste recensie, waarin de recensent zich bedekter uitspreekt, dan in die van het boek : „De vrouw, die trouw bleef", door Quido da Verona.
Dit boek wordt wel realistisch genoemd, maar overigens wordt het geteekend als bijna „een volslagen vod" te zijn, omdat het een „Zola zonder ernst en een Barbusse zonder ziel" is.
Wij vermoeden, dat dit laatste gezegd wordt met het oog hierop, dat aan het werk geen bepaalde zedelooze tendenz ten grondslag ligt, zooals dit wel het geval is bij Zola en Barbusse.
Het derde boek is : „Het huis van Boeleke."
De gesprekken van de menschen van het realistisch huis van Boeleke zijn zeer flauw. Het is daarom een onbelangrijk werk, „dat tegenwoordig geen mensch ter wereld meer uitleest."
De bespreking van het vierde boek geeft, met 't doel waartoe wij dit schrijven, geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
Maar die van het vijfde boek doet de deur dicht.
„Het laatste geluk", van Felix Hollaender, geeft „een doodgewoon, bijna afgezaagd verhaal." ,
Iemand is ongelukkig getrouwd. Pijnlijke conflicten. Man en vrouw met kinderen „van elkaar af."
Hierop volgt een doelloos rondzwerven van den man, dié kunstenaar is. „Dan komt 't meisje, dat hem aanhangt met bovenal opofferende liefde, waaraan een kunstenaar, meer dan eenig ander mensch, behoefte heeft. En een heerlijke tijd volgt van jonge, opnieuw uitbloeiende kracht, een tweede lente des levens, waarover evenwel de schaduw van het verleden glijdt, eerst onmerkbaar, later dreigend en verwarrend. En langzaam aan wringt zich weer tusschen het geluk van deze heide menschen de wettige vrouw, die als moeder van de kinderen, een immer machtig beroep kan doen op geweten en plicht. Zoo gaat tenslotte de mooie, gave liefde kapot en met weemoedigen ernst stelt tenslotte de kunstenaar zicli tevreden met de scherven, die hem overblijven: "
„Een ontroerend boekje", eindigt de laatste recensie, „dat den lezer vasthoudt tot het einde met zijn suggestieve, bijna zenuwachtige gevoeligheid. Een „bescheiden" stuk werk, doch waarvan men veel gaat houden.''.
Resumeerende komen we tot de slotsom, dat twee boeken worden afgekeurd omdat ze niet realistisch genoeg zijn en weinig er toe zullen bijdragen om de zonde tegen het zevende gebod „als stelsel op ons volk ingang te doen vinden. Terwijl aan de boeken, die wèl met die tendenz geschreven zijn, krachtige aanbeveling te beurt valt.
Het een en ander overdenkende, voelden wij ons gedrongen het voorgaande neer te schrijven en alzoo de lezers van „De Waarheidsvriend" er nog eens aan te herinneren, wat de moraal is der mannen van het „Godsdienst is privaatzaak"
Openlijk worden de eeuwenoude, goddelijke instellingen verkracht.
O, dat wij wakende mogen zijn en blijven, want het kwaad zal ook tot in onze kringen trachten door te dringen.
Machtiger dan ooit stuwen stroomen van ongerechtigheden over onze aarde, alles met ontembre woede meesleurend, wat maar eenigszins wankelt. Land en volk zullen — zoo God het niet verhoede — worden afgevoerd van de paden van Gods Woord.
Hoe. ontzettend zal dan de toekomst niet zijn!
De stoffelijke, maar bovenal de geestelijke nooden van ons volk zijn niet gering. Dat wij ze met heilige smart mogen gevoelen, opdat wij, behalve wakende, boven alles biddende mogen bevonden worden.
De Heere legge, door Zijnen Heiligen Geest, zelf het gebed in hart en mond :
Gij badt op eenen berg. alleen, en Jesu, ik en vind er geen waar 'k hoog genoeg kan klimmen om U alleen te vinden ; de wereld wil mij achterna alwaar ik ga' of sta ?
of ooit mijn oogen sla ; en arm als ik en is er geen geen een,
die nood hebbe en niét klagen kan ; die honger, en niet' vragen ; die pijne, en niet gewagen kan hoe zeer het doet!
o, leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!
Guido Gezelle.
Ingezonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's