Uit het kerkelijk leven.
Een poover resultaat.
In onze Hervormde (Geref.) Kerk bestaan officieel geen richtingen. Officieel weet men van geen modern en van geen orthodox. Allen moeten orthodox zijn. Want orthodox beteekent in overeenstemming met de leer ; het beteekent : rechtzinnig en bedoelt dan in de rechte verhouding te staan tot de leer der Kerk, en immers verklaren allen die tot de Hervormde Kerk behooren, dat zij in geest en hoofdzaak de leer der Kerk, welke in aard en wezen en karakter met de aloude Gereformeerde leer overeenstemt, beamen en onderschrijven ; waarbij elk bestuur — van Kerkeraad tot Synode — op zich genomen heeft voor die leer te waken, opdat zij niet geschonden zal worden.
Dat is dus in orde. De Hervormde Kerk heeft een leer, welke in aard en wezen en karakter en geest en hoofdzaak niet verschilt van de aloude Gereformeerde leer, vervat in de drie Formulieren van Eenigheid. Dat is zoo honderdmaal verzekerd door de meest Synodale heeren, dat zulks dus wel te vertrouwen is ! ! En als dan ieder Hervormd mensch met die leer instemming moet betuigen en elk bestuur een oog in 't zeil houdt — welnu, dan is dat wel in orde ! !
Zoo zijn er dus geen richtingen.
Allen zijn orthodox, rechtziinnig ; staande op den grondslag van de leer der Kerk, in geest en hoofdzaak allen hetzelfde geloovend en allen hetzelfde belijdend. Principieel is er tusschen het gelooven en het belijden van den een en van den ander geen verschil. En dus van principieel richtingsverschil te spreken kan de Synode niet doen. De Synode is het deftige, officiëele, hoogste lichaam in onze Hervormde Kerk en dat officiëele lichaam, kan, waar officieel, deftig, en plechtig alles zoo mooi geregeld is, niet gaan spreken van richtingen. Alles is immers één van geest en één van zin onder ons ; één van geest en streven ; één in daad en woord.
De Synode vertegenwoordigt dan ook héél de Kerk, alles bij elkaar genomen. En voor héél die Kerk zorgt zij. Zij bestuurt en regeert alles. Dat is nu eenmaal onder ons afgesproken. En de Synode is er wat wijs mee ! En zoo zijn er geen richtingen. In Friesland niet, in Limburg niet, in Noord-Holland niet, in Zeeland niet. De Synode, die alles weet, weet dat goed en best. 't Is overal Hervormd en Hervormd is : in geest en hoofdzaak instemmend met de leer der Kerk en elk bestuur heeft beloofd, voor die leer der Kerk te waken. Dat is zelfs een voorwerp van aanhoudende zorg voor ieder die een bestuursfunctie bekleedt.
Zou het dan nóg niet veilig zijn in deze ?
Af en toe echter worden door de niet officieel erkande maar niettemin wel degelijk bestaande richtingen, bij de Synode aangeklopt om toch maar de oogen niet langer te sluiten voor wat werkelijkheid, verschrikkelijke werkelijkheid verwoestende werkelijkheid is. En om de niet officieel bestaande richtingen toch maar officieel te gaan erkennen of althans er in de praktijk rekening mee te houden.
Natuurlijk dat de deftige Synode, die zoo graag officieel is en officieel praat en officieel handelt, dan altijd een beetje moeilijk oogenblik heeft. En dan kijken de heeren elkaar een poosje aan en praten even ; doch als er een antwoord moet komen op de vraag : Zijn er nu richtingen of zijn er nu geen richtingen in de Hervormde Kerk ? dan is het officieel bescheid : er zijn geen richtingen in de Hervormde Kerk ; wij Synode, wij verzekeren u dat.
En zoo sukkelen we dan maar weer een jaartje voort, terwijl er wèl richtingen zijn. die weer een jaartje werken tot verwoesting van de Kerk.
Als het niet zoo droevig was, zou het een zaak zijn om er eens hartelijk om te lachen. Om dat spelletje, dat nu al zoo lang gespeeld wordt ; waarbij de riohtingen schalks telkens vragen aan de deftige heeren : Zie je ons nu, of zie je ons niet ? terwijl 't deftige antwoord dan elk jaar komt : „voor óns bestaan immers geen richtingen !"
Toch kraakt 't daar in Den Haag wel eens. Als de werkelijkheid al te dicht bij komt en al te hard op de deur klopt en al te luid spreekt. Dan kijken de heeren elkaar aan en vragen toch even : zouden er dan tooh richtingen zijn in de Hervormde Kerk ?
Een kloek besluit is verleden jaar genomen ('de heeren worden wakker !) en er is een Synodale Commissie benoemd om te onderzoeken óf er richtingen bestaan in de Hervormde Kerk en — als 't toch eens waar mocht blijken dat er van zulke dingen zijn binnen de grenzen van de Hervormde Kerk ; je kan 't toch maar niet weten ; er gebeuren tegenwoordig zulke rare dingen — om dan de Synode van advies te dienen en te zeggen, wat zij, onverhoopt, in zulk een geval zouden moeten doen.
De Vereeniging van.Vrijz. Hervormden had daartoe den stoot gegeven.
Want het komt nu in onze Hervormde Kerk eindelijk een klein beetje op betalen aan en de Modernen, die zich altijd een beetje vreemd voelen in de Hervormde Kerk, omdat er zooveel orthodoxen in die Kerk zijn en nu zelfs de besturen ook al overwegend orthodox gaan worden, — die Modernen zouden wel graag een eigen huishouden oprichten in de Hervormde Kerk en vraagden daarom aan de Synode, of er geen kans was, dat zij als Vrijzinnige minderheid officieel mochten worden erkend om zoo van de algemeene regelingen vrij te komen.
Het riohtingsvraagstuk was dus weer aan de orde. Omdat de centen-kwestie aan de orde is.
Toen een commissie benoemd, om in deze moeilijke kwestie advies en raad te geven.
Natuurlijk kunnen we nog niet precies zeggen, wat die commissie voor rapport heeft uitgebracht. Want zóo vlug gaat het onder ons niet, dat we in September al zouden weten wat er door de Synode in Juli en Augustus is verhandeld en besloten. Dat kunnen we later eerst te weten komen uit de offioiëele acta. Maar wat we er van weten is toch merkwaardig genoeg om reeds voorloopig mee te deelen.
De Commissie, voor het richtingsvraagstuk ingesteld, heeft dit jaar aan de Synode: voorgesteld : „een schrijven te richten tot de kerkeraden, waarin deze worden uitgenoodigd, de kerkelijke administratie hunner gemeente te verzoeken, bij het eventueel heffen van een hoofdelijken omslag, een lid vrij te stellen tot dat bedrag, dat hij kan aantoonen bij te dragen in dezelfde gemeente aan een andere corporatie, tot bevrediging van zijn godsdienstige behoeften." Dat advies van de Commissie heeft de Synode ter harte genomen en met een kloek besluit heeft zij gezegd, alzóó te willen handelen nu.
Als 't niet zoo treurig was, zouden we eens hartelijk lachen !
Wat doet een mensch al niet als die in de knoei zit !
Er zijn officieel geen richtingen in de Hervormde Kerk. Dan was 't geen Kerk meer. Dan was 't een disputeer-gezelsohap ; een vereeniging van elk wat wils, in niets meer lijkend op de Gereformeerde Kerk, die een pilaar en vastigheid der Waarheid was in haar bloeitijd.
Geen richtingen officieel.
Maar als er nu hier of daar tocoh richtingen zijn ; en er is in zeker dorp eene Gereformeerde Evangelisatie of in zekere-stad een afdeeling-van den Vrijz. Protestantenbond — welnu, laat dan de Kerkeraad (die officieel geen richtingen kennen mag) aan de Kerkvoogden (die officieel geen richtingen kennen mogen) verzoeken, om den menschen van de Evangelisatie of van den Protestantenbond toe te staan zooveel op hun aanslag te korten als zij zelf, particulier, uitgeven voor hun „eigen kerkje." Kost het iemand ƒ 25.— per jaar, dat hij bij „de Evangelisatie" hoort of dat hij lid is van de afdeeling van den Protestantenbond, dan moet de Kerkeraad (die geen richtingen kennen mag) aan de Kerkvoogdij (dito, dito), verzoeken, zoo iemand ƒ 25.— korting toe te staan op zijn kerkelijken hoofdelijken omslag. Dat is het resultaat van het werk van een Synodale Commissie, die benoemd was tot bestudeering van het richtingvraagstuk in de Hervormde Kerk !
ls het wonder, dat ds. Schade van Westrum in „De Hervorming" uitroept : „Onze Vaderlandsche Kerkhistorie is weer een van die „kracht-daden" rijker, waardoor Synodes zoo af en toe de wereld stom van verbazing doen staan."
Nu zal het met dat stom en stil blijven staan van de wereld vermoedelijk nog wel een beetje meevallen, 't Water in de Maas stroomt althans rustig voort net als vóór het publiek worden van dit advies der Commissie en dit besluit van de Synode.
Maar als men meent zóó problemen te kunnen oplossen, dan is de vraag toch gewettigd, of men wel het flauwste begrip heeft van de ernstige dingen, die op het spel staan in deze dagen ten opzichte van onze Ned. Hervormde Kerk. Doch we zullen er maar 't stilzwijgen toe doen.
Laat ons dit artikel eindigen met een ontboezeming van denzelfden ds. Schade van Westrum, waar hij schrijft :
„Dit is het gevaar, dat de genegeerde rechten der minderheden heel de Hervormde Kerk uit elkaar zullen rukken.
In Groningen en in Utrecht een uittocht der Vrijzinnigen naar de Waalsche Gemeenten. In Den Haag geeft, na den teleurstellenden uitslag der laatste kerkelijke verkiezing, het bestuur der afdeeling van de Vrijz. Hervormden het advies om, als er geen verbetering komt in den toestand, geen kerkelijke belasting meer te betalen. Om nu nog niet te spreken van het steeds grooter wordend getal dergenen, die door uittreding uit de Hervormde Kerk geheel voor het kerkelijk leven verloren gaan. En tegenover dit groote en immer grooter wordende gevaar, dat de Hervormde Kerk als „volkskerk" — dat wil zij immers zijn ? — met ondergang bedreigt, weet de Synode geen ander bolwerk op te werpen dan.... een verzoek in de tweede maoht ten opzichte van een eventualiteit."
Nog eens, we zullen nu maar het zwijgen tot deze dingen doen. Hoewel er zoo veel is, dat hier in het midden kan worden gebracht.
Denk eens — om een paar practische voorbeelden te noemen — denk eens aan Hilversum met een ethische „Evangelisatie." Daar moeten de leden van die Evangelisatie op verzoek van den Kerkeraad door de Kerkvoogden vrijgesteld worden (of bijna vrij) van den kerkelijken hoofdelijken omslag ; in Boskoop de menschen van de Gereformeerde „Evangelisatie" en van de Confessioneele . Evangelisatie" in Den Haag, Utrecht, enz., de leden van den Protestantenbond.
Dat moet de Kerkeraad dan verzoeken aan de Kerkvoogden.
En zóó denkt men dan, dat men ieder bevredigen kan, om alles bij elkaar te houden wat niet bij elkaar hoort.
Op die manier krijgt ieder die iets anders wil dan de officiëele Kerkeraad officieel voorstaat nog een premie in geld, waarvoor de Kerkeraad dan bij de kerkvoogden pleiten gaat.
't Is toch een rare wereld waarin we leven.
En wijze mannen zeggen, dat het wijs bedacht is.
Zullen misschien straks de vrouwen moeten komen om kloek te volbrengen waarmee de mannen nu langer dan honderd jaar gespeeld hebben ?
Wie weet of de dagen van Debora niet worden vernieuwd. Waarbij de mannen zich hebben weg te schamen, dat zij zóó laf zijn geweest.
Onze Belijdenisschriften.
Als wij spreken van onze belijdenisschriften, dan bedoelen we de belijdenisschriften der aloude Gereformeerde Kerk, zijnde de drie Formulieren van Eenigheid.
Dat is de Nedenlandsche geloofsbelijdenis in het Fransch (de taal der Zuidelijke Nederlanden) door Guido de Brés (of de Bray) opgesteld. In dit stuk sloot deze godgeleerde zioh aan bij de Fransche belijdenis, maar bewerkte die zelfstandig, daar men in Nederland weer met andere geloofsdwalingen en bestrijdingen te doen had dan in Frankrijk (denk aan de beweging der Wederdoopers hier). Het Fransche stuk is in 1562 in het Nederlandsch vertaald en door de Kerken alhier aangenomen en op de Synode van Dordrecht (1618 en 1619) vastgesteld als belijdenis der Gereformeerde Kerken in Nederland.
Naast de Nederlandsche Confessie in 37 artikelen moet, als van nog grooter beteekenis in de practijk, genoemd worden de Heidelbergsche Catechismus in 1563 in de Paltz (DuitsoMand) op last van Keurvorst Frederik den Wijze opgesteld door Zacharias Urzinus en Casper Olevianus, in Calvinistischen geest ; en in datzelfde jaar door Petrus Datheen, toen predikant der vluchtelingengemeente te Frankenthal, in het Nederlandsch vertaald en later achter zijn Psalmberijming geplaatst, waardoor hij ras bij alle gemeenten in gebruik kwam. Voeg hier nu nog bij de Dordtsche Leer-, regels, die op de bekende Dordtsche Synode, na onderzoek van de leeringen der Remonstranten zijn opgesteld, om de Remonstrantsohe dwalingen te weerleggen en de gereformeerde leer te verdedigen wat betreft : de verkiezing en verwerping, den zoendood van Christus, de verdorvenheid en de bekeering des menschen en de volharding der heiligen.
Deze 3 geschriften worden genoemd de 3 Formulieren van Eenigheid, omdat zij saam vormen het gemeenschappelijk symbool der Gereformeerde Kerken en saam uitmaken den grondslag der gereformeerde kerk, zich hierin een verklarend met de leer der refomatoren, bizonder met hetgeen Calvijn heeft geleerd.
In die belijdenisschriften is het openbaar geworden in welke richting onder de leiding des Heiligen Geestes, de Gereformeerde Kerk in dezen lande zich heeft bewogen, temidden van en tegenover de dwalingen die zich met kracht, bizonder in de 16de en 17de eeuw openbaarden ; en ze zijn bewijs dat de Gereformeerde Kerken niet bij onvaste meeningen hebben willen en kunnen leven, maar er naar hebben gestaan, om, door Gods Geest geleerd en geleid, als Gereformeerde Kerk van Nederland een klaar geluid te doen hooren, als echo op het eeuwig en onfeilbaar Woord van God, dat in alles bron en regel is voor leer en leven voor Gods Kerk op aarde.
Willen we dus weten wat belijdenis ons voorgeslacht in dezen lande heeft doen hooren, dan moeten we de 3 Formulieren van Eenigheid ter hand nemen. En dan zullen we, bij aandachtige lezing, gewaar worden hoe de Gereformeerde Kerken in de 16de en 17de eeuw Gods Woord hebben willen naspreken, om binnen de grenzen der Kerk een banier op te werpen tot vereeniging der broederen, tegelijk daarin een zwaard smedend om de aanvallers van buiten en van binnen tegen te staan, opdat het leven der Kerk niet zou vervloeien in onvaste meeningen en van den wind heen en weer zou worden bewogen of zou worden een huis dat tegen zichzelf verdeeld is.
Die 3 Formulieren van Eenigheid moeten onder ons ook nu weer meer in eere komen.
Niet, als zouden die belijdenisschriften voor ons de plaats van de Heilige Schrift kunnen of mogen innemen. Want dat kannen ze niet en dat mogen ze niet. Dat moeten we goed verstaan en bij alles toch vooral niet vergeten.
De 3 kerkelijke belijdenisschriften waar rondom heen de Gereformeerden in en buiten onze Hervormde Kerk zich scharen, zijn niet op zioh zelf staande stukken, die ons de volstrekte waarheid geven.
Dat doet alleen de Heilige Schrift. Die is bron voor onze Godskennis, als van God Zelf ons gegeven in Zijn bizondere gunst.
Maar de 3 Formulieren van Eeniglieid zijn voor ons de meest zuivere kerkbelijdenis, waarin de geslachten van vroeger en van nu elkander de hand reiken en zich hartelijk één gevoelen in den geloove. ;
Daarom willen ze .die belijdenis ook zoo graag saam kerkelijk belijden.
En wel zijn die belijdenisschriften 300 jaar oud. En wel hebben de Gereformeerde Kerken verzuimd om die belijdenisschriften kerkelijk te examineeren aan den Woorde Gods, wat zij hadden moeten doen op hare driejaarlijksche Synode ; waarbij de Overheid haar ook den voet dwars gezet heeft.
Maar al ligt hierin een verzuim en nalatigheid, toch zijn het gebleven de belijdenisschriften waarin vertolkt is wat voor het Gereformeerde volk van vroeger en nu de hoofdzaken des geloofs zijn.
Juist omdat ze zoo Sohriftuurlijk zijn en niets anders willen dan de Schrift naspreken, verklaren en toepassen.
Wij blijven daarom de 3 Formulieren van Eenigheid noemen het accoord van gemeenschap der gereformeerden en wij blijven er voor ijveren, dat deze belijdenisschriften ook weer meer kerkelijk zullen worden beleefd.
Of die 3 Formulieren van Eenigheid dan niet meer nagezien moeten worden bij het licht van Gods Woord ?
Laat men de Hervormde Kerk de kerkelijke vergaderingen weer terug geven, zooals zij die vanouds heeft gehad, conform de belijdenis Laat zij kerkelijk ziöh weer scharen rondom die belijdenis. En laat dan op hare Synode-vergadering, onder afbidding van de leiding - des Heiligen Geestes, de belijdenis weer getoetst worden aan Gods Woord.
Dan komen we in het rechte spoor. Ons aansluitend aan het verleden, voorwaarts.
En ja — dan dient de belijdenis, als menschenwerk, alleen geloof, omdat en in zoover zij met de Heilige Schrift over eenkomt. Zij moet, als feilbaar menschenwerk, „revisibel en examinabel" aan de Schrift blijven.
Maar laten we beginnen met de Kerk weer terug te geven, wat vanouds haar grondslag en haar symbool was, om dan die kerkelijke belijdenis, welke door niemand particulier zonder meer buiten werking mag worden gesteld of veranderd mag worden, ook kerkelijk tot haar recht te laten komen.
Dan binden we niet de consciënties aan de belijdenis.
Dan zijn we saam gebonden aan de Heilige Schrift.
Om dan saam, staande op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is, in de taal van onzen tijd, één van geest met onze vaderen, de Heilige Schrift na te spreken en te verklanken in een gemeenschappelijke belijdenis, die niet anders zal zijn, dan die door onze Vaderen bij het schijnsel der brandstapels is neergeschreven en openlijk is uitgesproken en verdedigd temidden van vrienden en tegenover vijanden, opdat vriend en vijand zou weten, wat des Christens hoogste wijsheid, diepste troost en zaligste verwachting is voor der tijd en voor de eeuwigheid.
De Vrije Universiteit en de Hervormden
Door overvloed van kopij moet soms een en ander overstaan ter drukkerij. Dat kunnen we den uitgever van ons blad niet kwalijk nemen ; daar hij niet meer ruimte kan gebruiken dan er is. Zoo moesten ook den voorlaatsten keer enkele artikelen van de redactie en enkele ingezonden stukken overstaan, ook het stukske van den heer Uittenbroek over de Vrije Universiteit en de Hervormden. Wij maakten toen een kantteekening, waarin we uitspraken, dat het ons leed deed, dat er van de zijde van de mannen der Vrije Universiteit niet meer over deze zaak geschreven werd, hoewel het nog altijd aan de orde is. En ziet daar, tegelijk dat wij die opmerking neerschreven, zat prof. Grosheide van de Vrije Universiteit een artikel te pennen, dat over deze kwestie handelde. Dat verheugde ons toen we dit artikel in „De Reformatie" zagen, 't Was dus niet van de baan. Maar toen we het stuk gelezen hadden, hebben we het naast ons neergelegd met droef gevoel. Wij willen dat hier eerlijk meedeelen. En waarom ? Omdat wij gelooven, dat de kwestie nu totaal verkeerd gesteld is en verkeerd blijft staan onder ons.
Plaatsruimte verbiedt op het oogenblik het stuk van prof. Grosheide in den breede op te nemen, 't Kan niet. Misschien later. Maar we willen toch trachten om de hoofdzaak even mee te deelen En dan zegt prof. G. dat de Vrije Universiteit altijd een nationale instelling heeft willen zijn ; Calvinistisch gevormd zooals onze natie Calvinistisch gevormd is, .om dan heel ons volk tot een zegen te zijn, bepaald ook alle Gereformeerden. Maar wat is er door de doleantie gebeurd ? Prof. G. zegt dan letterlijk : „Wanneer we de vraag stellen heeft de Vrije Universiteit zich van de Hervormden afgekeerd óf hebben de Hervormden zich van de Vrije Universiteit teruggetrokken, dan moet het antwoord luiden : niet het eerste, maar het laatste is geschied. Niemand heeft ooit gezegd, dat de Hervormden geen lid van de Vereeniging van Hooger Onderwijs konden zijn, dat geen Hervormden hoogleeraar konden worden, dat geen Hervormden student konden zijn. Wanneer Hervormden zich onthouden, dan ligt dat aan hen zelf."
Hier wordt de kwestie glad verkeerd gesteld. En verkeerd gesteld zijnde moeten er noodwendig allerlei verkeerde redeneeringen en conclusies en raadgevingen op volgen.
Want als de Vrije Universiteit zich gekoppeld heeft aan de doleantiebeweging en daarmee saamgeoroeid is, dan kan men wel zeggen : de Hervormden hebben zich van de Vrije Univ. afgekeerd en dat badden ze niet moeten doen. Maar dan springt men over hetgeen de Vrije Universiteit gedaan heeft, heen, en men praat met de Hervormden alsof er heusoh niets gebeurd is.
En zoo mogen dan Hervormden student worden aan de Vrije Universiteit (waarmee wat gebeurd is) ; en ook wordt gezegd, dat Hervormden zelfs hoogleeraar kunnen worden aan de Vrije Universiteit (waarmee wat gebeurd is).
Jammer, dat prof. G. zóó redeneert. Want zóó begonnen, moet hij voortgaan als vokt : „Wanneer Hervormden zich onthouden dan ligt dat aan henzelf" Zoo is het pleit door prof. G. natuurlijk dadelijk en makkelijk en geheel gewonnen.
En als raad geeft hij dan het volgende : „Worden de Hervormden in menigte lid, dan hebben ze stemrecht, kunnen ze invloed uitoefenen, enz."
Maar zóó behandelt men toch geen ernstige en groote zaken als deze ? 't Is toch geen kwestie van overmacht, van invallen met versterkte troepen, van struikrooverij of iets dergelijks ?
Wij althans willen van een dergelijke manier van handelen niets, niets weten. Als het op die manier moet, om en bloc lid te worden van een Vereeniging, om daar door overmacht geveld de aan het roer zijnde meerderheid tot minderheid te maken, dan willen we wel zeggen, dat wij stichtelijk bedanken zullen om als rooverhoofdman te dienen of zelfs als schildknaap, bij de invallende troepen mee op te trekken.
De kwestie moet dan ook anders gesteld worden.
Is er wat gebeurd met de Vrije Universiteit ja of neen ? Is zij meegesleept en vastgekoppeld aan de doleantie-beweging ja of neen ? Is de kennelijke toeleg niet altijd geweest om haar binnen den kring der kerkelijk Gereformeerden te hebben en te houden ?
En wil men werkelijk van de Vrije Universiteit een Universiteit op positief christelijken grondslag maken, waarbij allen die uit de echt Reformatorische beginselen leven willen, zich kunnen aan sluiten, om saam te hebben in het midden van ons vaderland een Vrije, Gereformeerde Universiteit, waaraan heel het Gereformeerde volk zich gebonden voelen kan straks ?
Wil men dat, of wil men dat niet ? Waarbij we dus niets willen weten van een weg, door prof. G. aangewezen, om met geweld invloed te krijgen. Maar waarbij we zéér belangstellend wachten naar een andere expositie der kwestie en een andere verklaring en een andere invitatie.
En wij zeggen Prof. G. na, wat hij aan het slot van zijn artikel zegt : "De Vrije Universiteit is door den loop der historie in een hoek gedrongen. Inderdaad ! Het staat aan de Gereformeerden in Nederland —Gereformeerd hier genomen in den ruimsten zin van het woord — of de Vrije Universiteit kan worden, wat ze in de eerste periode toch wel was, een nationale instelling."
Dat nemen we over.
Om 't dan zóó te zeggen : Kerkelijk Gereformeerden, bizonder gij mannen van de doleantie-beweging, die de Vrije Universiteit van een nationale instelling gemaakt hebben tot een Hoogeschool die in een hoek staat — het staat aan U of zij in dien kerkelijk Gereformeerden hoek zal blijven staan, dan wel of zij weer zal worden een nationale instelling !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 september 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's