Op Kerkelijk Erf
XXIII.
Kerkorde en Confessie.
Het karakter van belijdende Kerk kan dus in de volkskerk moeilijk worden gehandhaafd, indien men althans aan de volkskerk wil blijven vasthouden. Het is mogelijk, dat een volkskerk als vanzelf ontstaat, zooals dat hier te lande eenigermate het geval is geweest, doch er zij nogmaals op gewezen, dat reeds' spoedig de eenigheid des geloofs inwendig ontbrak en dientengevolge de bloei van het geestelijk leven verwelkte en plaats maakte voor dogmatische versteening naast velerlei afwijking van leer. Desondanks bleef de oude idee het volk bij en terwijl het geestelijk proces voortging en in menig opzicht een stadium heeft bereikt, dat naar andere vormen dringt, oefent de herinnering aan het verleden nog steeds wonderen invloed uit op hen, wier belangstelling in het kerkelijk leven niet ganschelijk is uitgedoofd. Gedachtig aan de vestiging der Kerk in deze gewesten, waarvan de geschiedenis gewoonlijk in ideaal licht wordt voorgesteld, verschijnt het oude, volk voor den geest , van het nageslacht niet zelden in, een beeld, dat door de werkelijkheid niet werd gedekt, zoadat het oordeel aan nuchterheid inboet. Hoe gaarne zag men ons volk als Christelijke natie vereenigd in eenigheld omtrent de fundamenteele stukken des geloofs, doch hoe vaak moet het ideaal dienen om tegenwicht te geven aan het besef van het gemis in het heden. De werkelijkheid is zoo geheel anders en kan ook worden aangetoond, dat er ook in de dagen van kracht zooveel ontbrak aan hetgeen men daarvan droomt, er waren toch ook zoovele toestanden en factoren, die in den loop der dingen destijds andere verhoudingen schiepen dan dewelke thans worden gekend. Men leefde in een anderen tijd, met andere nooden en omstandigheden. Ook al kunnen de kiemen worden nagespeurd, die in het proces der geesitesontwikkeliing sedert de Reformatie zouden uitgroeien tot verschillende geestesstroomingen, die onderling onvereenigbaar tenslotte elkander vijandig zouden toonen, in den aanvang kwamen de tegenstellingen veel minder scherp uit. In het algemeen leefde men uit de Chirisitelijke levens- en wereldbeschouwing of onderwierp zich aan haar gezag. Omtrent den invloed der Overheid op kerkelijke zaken en de denkbeelden, die daaromtrent heerschten, hebben wij reeds voldoende opgemerkt om te verstaan, dat de vorming van een volkskerk door haar sterk werd bevorderd en het bekende Art. 36 der geloofsbelijdenis kan getuigen, dat men zich een Christelijk volk met een Christelijke Overheid dacht. Bovendien was het ook met de volksziel anders gesteld dan in onze tijden, wijl het sociaal bewustzijn veel sterker sprak dan het lndividueele. Men leefde in allen kning in sociaal verband, men gevoelde zich deel van een geheel, van kerk of stad, van gilde of compagnie, veel nauwer dan in onze dagen van organisaties en vereenigingen. Hiermede hing saam het streven om den wil van een groep te verheffen tot algemeen geëerbiedigden wil, waardoor wel de partijstrijd werd verscherpt, maar ook weer de onderwerping gebillijkt aan den wil die tot heerschappij kwam. Wij zagen, hoe dit in den strijd om een kerkorde tusschen Kerk en Overheid tot uiting kwam, daar de Kerk haar wil zocht te verkrijgen en de Overheid haar inzicht tot het eenig gezaghebbende poogde te. maken, zooals ook in den strijd om de praedestinatie de in geschil zijnde groepen naar de heerschappij dongen van de leer, die zij aanhingen met verwerping van de tegenpartij. De individueele wil onderwierp zich aan dien van een sociaal geheel en deze trachtte zich algemeen te doen erkennen. Ook op deze psychologische gesteldheid werd vroeger reeds de aandacht gevestigd en het laat zich verstaan dat zij niet weinig heeft bijgedragen tot het ontstaan van de volkskerk.
Naarmate echter de persoonlijkheid van den enkeling zich meer bewust werd en, dies ook gelden liet, en onder den invloed van de zich ontwikkelende wijsgeerige denkbeelden het individualisme zoo zeer postvatte, dat de enkeling eigen wil en inzicht stellen ging tegenover dan algemeenen of groepswil, viel het verband uit elkander in veelheid van groepen en meeningen. Het behoeft niet gezegd, dait deze ontwikkeling vooral ontbindend moest inwerken op de eenheid van de volkskerk, daar men ook op het stuk der belijdenis van inzicht ging verschillen. Geheel in de lijn dier ontwikkeling van het individualisme uit de toenmalige sociale gesteldheid der ziel, volgt dan ook, dat men aanving met ziin denkbeeldan. Ofschoon wezenlijk in strijd met de rechtzinnige leer, zoo voor te stellen alsof zij daarmede overeenkwamen. Op den duur kon dit echter niet worden volgehouden en kwam men ook openlijk tot geschil en vormden zich stroomingen, die door èèn geest bezield als zoodanig bijeenvloeiden, terwijl zij zicih jegens elkander steeds meer vijandig leerden kennen.
Men begon critiek te oefenen op de prediking des Woords, veroordeelde hier den nadruk die gelegd werd op de leer van Gods gerechtigheid bij de wetsprediking en zocht in kleinen-kring zijn voldoening aan een blijmoedig evangelie, niet zelden verwant aan wijsgeerige denkbeelden, die werden verbreid door geleerde en ongeleerde voorgangers, terwijl men elders na vergeefsche pogingen om een onrechtzinnigen prediker van den kansel te verdrijven in conventikels de leer der zaligheid beluisterde en beoefende, 't Ligt ook voor de hand, dat plaatselijke gesteldheden naar plaatselijke behoeften wanen geregeld, tenzij de Overheid aldaar tegen den wensch der consistorie in, wat anders had opgelegd. Van de eenheid en eenigheid was dus in de Gereformeerde Kerken van het oude vaderland weinig meer te vinden en een gedwongen verband in een instituut was er daarenboven evenmin. Integendeel, de gewestelijke zelfstandigheid der zeven republiekjes geeft veeleer aanleiding om te denken aan zeven innerlijk verdeelde provinciale kerken.
Hoe geheel anders zou de oplossing bij de herleving der Gereformeerde religie kunnen gevonden zijn, indien men in het herboren Nederland na de Fransche omwenteling dat heterogeen mengsel van kerken en kerkelijk leven niet in één vorm had besloten. Men heeft daarbij wellicht juist het oog gehad op de gewestelijke verdeeldheid en gemeend de staatkundige eenheid daarmede te bevorderen, doch de. kerkelijke eenheid heeft men daarmede allerminst gediend. Zij wordt niet verkregen door een instituut, maar door den innerlijken drang der gemeenschap en de eenigheid des geloofs. Wel is de volkskenkddee door het instituut versterkt, doch in een tijd, die aanving uit beginselen te leven, welke daarmede geheel in strijd zijn en dus tot botsing op geestelijk terrein steeds meer aanleiding zouden geven, ja zelfs tot openbare antithese met de Christelijke levens-en wereldbeschouwing moesten voortwerken. Het Christelijk volk, dat zich weleer vergaderde als in een volkskerk, scheidde zich allengs als onverschillig van haar af in den stroom der revolutionaire denkbeelden, terwijl een deel dat de belijdenis der vaderen aanhing in eigen kerkverband naar die belijdenis zocht te leven en zij zelf als een schouwtooneel van twist en partijstrijd bleef staan. Daarin ligt het duidelijk voor ons, dat zij geen volkskerk is, tenzij men alles in haar vereenigd wil zien, wat zich nog zeer in het algemeen tot het Christelijk volk wil voegen, maar dan ook met een leervrijheid, die slechts èèn Christendom kent in velerlei dooreengeloopen kleuren, zonder te letten op de kenmerken der Kerk, die zij behoort te dragen. Alle verschil in leer wordt dan ondergeschikt, wijl het algemeen als Christelijk religieus beschouwde de saamhoorigheid vertolken moet.
Doch ook zoo zal het belijdende deel der Kerk geen volkskerk wenschen. Practisch zal het zich stellen op de belijdenis, de zuivere prediking wenschen te hooren en de sacramenten naar het Woord bediend en zij zullen dus scheiding maken tusschen rechtzinnig en niet reohtzinnig. Dan zijn zij dus de belijdende Kerk, de Kerk in de mengeling van het geheel. Wat wil men dan van een volkskerk ? Men vormt dan toch in wezen een Kerk in een Kerk, die geen Kerk meer is, een Kerk in een instituut. Wil men een volkskerk, dan behoort het geheele volk in de Kerk, doch ook dan zal men niet mogen verwachten, dat 't geheele volk de belijdenis aanvaardt, tenzij men die zoo ruim stalt, dat allen er mede kunnen accordeeren. Indien men daarin zou slagen, is bij de gesteldheid van onze volksziel niet meer te verwachten, dat men op grond van die belijdenis zulk een Kerk van het geheele volk nog de kenmerken van de ware Kerk zou kunnen schenken. Ook dan zou men in dat volksinstituut weer de openbaring der Kerk-onderscheiden en dus de Kerk zien in het volk en niet het volk in de Kerk.
Die aan de belijdenis vasthoudt, komt dus steeds uit bij de Kerk in het volk of zoo hij in een kerkelijk instituut is gezet, dat geen leertucht kan oefenen, vormt hij een Kerk in het instituut; De practijk leert zulks dan ook in menig opzicht. Men denke b.v. aan de evangelisaties, die door de mannen van de belijdenis worden gevormd ter plaatse, waar de Kerk hun niet geeft, wat zij wenschen in de leer. Zij missen de kerkelijke ordening en regeering en vormen als zoodanig geen Kerk, doch als leden van de plaatselijke Kerk, deel van het geheel der Hervormde Kerk, zijn zij in wezen een Kerk in het instituut, zij 't dan ook een doleerende, die veel moeten missen, omdat zij de zuivere prediking begeeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's