De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

8 minuten leestijd

Het genadeverbond en onze kinderen.

Het genadeverbond vindt zijn oorsprong, zijn grondslag en zijn vastigheid louter en alleen in Gods genaderaad. Het rust niet in den mensch ; het rust in den soevereinen God ; en is eeuwlg, onveranderlijk, onwankeilbaar als God Zelf „Bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer."

Het genadeverbond is geheel en al uit en door en tot God. Het welt op uit genade, het wordt in genade toegepast en het einddoel zal wezen Gods genade groot te maken.

Van den aanvang af tot aan zijne voleinding toe komt er niets bij en niets in van dan menscih. Het is louter en alleen werk van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Alle roem is uitgesloten hier. Soli Deo Gloria !

Het heet en het is daarom een verbond van genade. In de goddelijke deugd der genade heeft het zijn oorsprong en wat er uit voortkomt is louter genade; verheerlijking der genade is het einddoel er van.

Het is geen wederzijdsch verdrag, dat met onderling goedvinden tusschen twee partijen. God en den mensch, is tot stand gekomen. Neen! het is éénzijdig, om-. — dat het van één kant komt, n.l. van den God aller genade, een gave zijnde in Chrstus voor een in zonden gansch verloren volk.

Buiten en zonder onzen wil, bij genadige beschikking Gods, komen de heerlijke zegeningen van dit verbond Gods kinderen toe. Het is de volmaaktste gift, welke van boven tot ons nedendaalt van den Vader der lichten. En dit vrije en eeuwige verbond ontsluit een rijk van geestelijke en stoffelijke, van hemelsche en aardsche, van eeuwige en tijdelijke zegeningen. Het is een volheid van zaligheid, een fontein van heil, een springader van leven. De eene genade wisselt de andere genade af en wordt op haar beurt door eene nieuwe genade vervangen. En zoo juichen de bondelingen tot eere Gods : uit de volheid van Christus ontvangen we genade voor genade.

Uit dat verbond der genade dat de Heere in Christus met Zijn volk heeft opgericht spruit voort : de wedergeboorte en de bekeering. In het harte werkt de Heere dat door Zijn Heiligen Geest. En in Christus ingelijfd worden zoo de bondelingen vergeving der zonden, verzoening met God, geloof en bekeering, heiligmaking en volharding deelachtig. Zij worden andere menschen door den Geest, die in hen woont en werkt. Zij zijn uit God geboren en door den Heere aangenomen tot kinderen en voor de hemelsche erfenis bestemd. Zij mogen zeggen : „het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden."

En niet alleen geestelijke zegeningen vloeien uit dit genadeverbond ; neen ook tijdelijke, stoffelijke weldaden, zoo noodig voor het lichaam. Die de Heere in Zijn verbond opneemt belooft Hij verzorging van lichaam en ziel. Want die eerst het Koninkrijk Gods mag leeren zoeken en vinden, worden door den Heere alle dingen toegeworpen.

Neen, het Koninkrijk Gods bestaat - niet in spijze of drank, maar in rechtvaardigiheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest, doch die in Christus God tot hun Vader krijgen, behoeven niet, gelijk de heidenen, te vragen : wat zullen wij eten en wat ziullen wij drinken en waarmede zullen we ons kleeden ?

Want onze hemelsche Vader weet wat wij behoeven, en die Zijn eigen Zoon niet heeft gespaand, maar voor schuldigen heeft overgegeven, zal ons voorts met Hem ook alle dingen schenken. De haren van Gods kinideren zijn geteld en er zal er niet één vallen zonder dan wil huns hemelschen Vaders. Hun brood is zeker en hun water is gewis.

.Wel zullen zij hier veel verliezen en veel moeten zij loslaten ; zij zullen ook door veel leed en veel strijd moeten henen gaan ; maar die zijn vader en zijn moeder, zijn huis en zijn akker verlaten moet om des Heeren wil, zal gewisselijk in dit leven door Gods genadige beschikking vaders en moeders, broeders en zusters, vrienden en akkers terug krijgen en in de toekomende eeuw het: eeuwig, zalig leven.

Zóó heerlijk is het om in dat genadeverbond te zijn inbegrepen en door de wederbarende kracht des Heiligen Gees tes uit Christus de zegeningen Gods te ontvangen. Ja, de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging ; zij is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van dit en van het toekomende leven.

Nu wil de Heere nog op één ding bizonderlijk den nadruk leggen bij dit genadeverbond. Hij zegt tot Zijn volk : „Ik wil uw God zijn en de God van uw zaad."

Hoe groot zou het reeds zijn, als de Heere zoo bier en daar aan deze en aan gene Zijn genade kwam openbaren in Christus. Dan mocht hier en daar, waar Gods kinderen aangetroffen werden, gehoord worden : „Hij is de rotssteen onzes harten en ons deel in eeuwigheid."

Maar nu komt daar nog deze belofte Gods bij : Ik wil uw God zijn en uws zaads Gods.

Wat gaat de Heere organisch te werk ! Wat houdt Hij Zich aan de geslachten om in die geslachten Zijn genade te verheerlijken ! Dat heeft de Heere aanstonds aan Adam toegezegd, dat Hij dat zóó doen zou ; toen aan Abraham, den vader der geloovigen. En door alle tijden heen wordt het openbaar, dat de Heere de verkiezing ten leven uitvoert in den weg des venbonds. Hij wandelt als Vader aller barmhartigheid in het spoor der geslachten, door Hem Zelf geschapen en bewaard.

Daarom is het verbond der genade ook voortgaande door alle tijden en zal nimmer afgebroken worden. Het genadeverbond moge verschillende bedeelingen doorloopen en in onderscheidene vormen optreden, toch is het één en het zelfde verbond, dat een onvernietigbaar goed der menschheid is geworden.

De Heere is en blijft daarin de eerste en de laatste.

Hij is de eerste, die Adam en Noach, Abram en Israël roept tot Zijn gemeenschap en Hij is het ook die hunne kinderen roept en aanneemt, zich openbarend als die God van genade, die in den weg der geslachten wandelen wil en wandelen zal, tot in de landen, waar de wildste volken wonen, straks tot Hem bekeerd.

„Ik zal u tot een God zijn en uwen zade na u" — met deze belofte heeft de God der genade Zich aan de uiitverkorenen in hunne geslachten verbonden.

Bn zoo komen de kinderen der geloovigen, in het midden van de Gemeente van Christus geboren, niet in het verbond, daardat de ouders ze den Heere opdragen. Zij komen er nog veel minder in, doordat zij zelven door eenige deugd of verdienste ziich de opneming in het verbond waardig maakten. Maar z|j zijn er in krachtens de genadebelofte Gods. Omdat die ordinantie van den God aller genade zoo rijk is, worden zij er in geboren en zijn er van hun eerste zijn af inbegrepen, niet van nature, maar uit genade, wijl God Zelf gezegd heeft, dat Hij de God der geloovigen en van hun zaad wil zijn, alle eeuwen door.

Evenmin als wij het natuurlijk leven ons zelf hebben gegeven, maar het door ontvangenis en geboorte deelachtig worden, waarbij wij geheel lijdelijk zijn, zoo worden we alleen door 's Heeren wonder bestel als kinderen des verbonds, uit geloovige ouders, in het midden van Gods Gemeente geboren.

En zooals wij door de natuurlijke geboorte ingaan tot een machtige erfenis der beschaving, welke wij uiit de handen der voorgeslachten ontvangen en staande op hunne schouderen mogen gemeten van wat zij in het zweet des aanschijns hebbben verworven en saamgebracht, zoo worden wij ook door onze wondere geboorte in het midden van 's Heeren Kerk ingeleid in de geestelijke goederen des verbonds.

Dan komt de Heere Zichzelf aan ons voorstellen. Wij komen niet tot Hem, maar Hij komt tot ons. En de doop is hiervan het teeken en zegel. Want als wij gedoopt worden in dan Naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keeren wil. En als wij in den Naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van alle onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding inlijvende, alzoo, dat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest, door dit heilig Sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de Gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.

Daar mag de Gemeente van Christus staat op maken, dat de Heere hun God en de God van hun zaad wil zijn.

Want niet als de kinderen tot geloof en tot bekeering gekomen zijn, zegt de Heere, dat Hij ze wil aannemen. Neen, 't gaat van Hem, den God des verbonds uit, om te zeggen : Ik wil uw God en uws zaads God zijn. En als de God der genade, des eeds en des verbonds, wil Hij in de geslachten de weldaden van dat verbond schenken, zoo goed aan de kinderen als aan de volwassenen, zijnde de wedergeboorte, de bekeering, de verzoening, de heiligmaking, ja, het eeuwig zalig leven.

(Slot volgt)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's