De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

9 minuten leestijd

De Rijksfinanciën.

De perspectieven, die de millioenennota opent over den toestand van 's lands financiën, zijn verre van rooskleurig.

Ondanks de bezuinigingen, welke op de verschillende hoofdstukken van de Staatsbegrooting voor 1923 zijn aangebracht, wordt het tekort op de raming der ontvangsten en uitgaven toch nog voor het volgend jaar op 50 millioen gulden geschat, of wanneer men op de voorgenomen uitkeering aan de algemeeije middelen uit de baten van het leeningfonds mag rekenen, wordt het tekort nog ruim 42 millioen.

In deze rekening werden de ontvangsten geraamd op bijna 570 millioen gulden, maar naar de meening van verschillende deskundigen zal zelfs dat bedrag op verre na niet worden ontvangen. Staat het nu zoo met den toestand der rijksfinanciën voor 1923, in de volgende jaren zullen de cijfers nog 'n heel wat ongunstiger blik vertoonen. Men zegt, dat de ontvangsten voor 1924 wel niet meer dan 450 millioen zullen opbrengen.

Bij dezen stand der geldmiddelen komt dan nog bij dat de cijfers der buitengewone uitgaven in een sterk stijgende lijn opwaarts gaan, terwijl ook de Staatsschuld nog altijd vermeerdert.

Wat de Staatsschuld betreft, mag o.a. gewezen worden op het feit, dat in het komende voorjaar de vlottende schuld van Indië reeds alléén met 400 millioen zal omhoog gaan, voor welk bedrag hier te lande de noodige voorzieningen zullen moeten worden getroffen.

Dat in de financiëele crisis, welke ons land doormaakt, wil ons volk niet den weg opgaan van Oostenrijk en Duitschland. krachtige maatregelen dienen getroffen te wonden, om aan de moeilijkheden het hoofd te bieden, laat zich begrijpen.

Echter valt het te bepalen of het tegenwooridig Ministerie en met het Kabinet de Minister van Financiën in staat zal zijn, om een met energie doorgevoerd financieel beleid tot stand te brengen, dat ons land door de moeilijkheden zal heen helpen.

Zeiker, de taak der regeering is niet gemakkelijk, en die taak dreigt nog ingewikkelder te worden, nu naast het financieel probleem ook nog een economisch en sociaal probleem is op te lossen.

Een en ander maakt ons benieuwd naar de dingen die komende zijn. Wij bidden het Kabinet wijsheid toe bij zijne pogingen om land en volk uit zijn benarde positie op te beuren.

Volhardend verzet.

De Grondwetsherziening, die in tweede lezing de vereischte meerderheid in de Tweede Kamer heeft verkregen, heeft bij hare behandeling in het Parlement maar matig de belangstelling getrokken.

Dit nu was te verwachten na de geringe aandacht, welke bij de verkiezingen aan de Grondwetswijziging was gewijd en nadat reeds vroeger enkele onderwerpen, die tot ernstige bedenkingen aanleiding gaven, waren teruggenomen en aan andere bezwaren was tegemoet gekomen.

Toch hebben bij de behandeling van het derde Hoofdstuk der Grondwetsvoorstellen zich momenten voorgedaan, die van niet weinig gewicht waren.

En dan zij op één dezer momenten de aandacht gevestigd, n.l. op het verzet, , dat ook ditmaal van een aantal Antirevoiutionairen uitging, tegen het vastleggen van het Vrouwenkiesrecht in de Grondwet.

Voor de stemmen, welke tegen genoemd Hoofdstuk werden uitgebracht, onzen dank. 

Onze Schoolwetgeving (2).

Waar er na het uitbrengen van het gewijzigd Unie-rapport van 1900 weer zooveel veranderd was inzake, de Scoolwetgeving, kwam men in 1919  voor de vraag te staan : in hoeverre heeft het Rapport van 1900 (G.U.R.) nog waarde ?

In 1919, heeft de Unie „Een School met den Bijbel die vraag aan een nieuwe Commissie voorgelegd, welike Commissie 22 April 1919 haar antwoord behandeld zag op de jaarvergadering te Utrecht.

De commlssie in 1919 bestond uit de h.h.. : ds. A. de Gens, D. Wijnbeek, R. Derksen, H. J. Emous, E. J. Th. à Th. van der Hoop, Jhr. A. F. de .Savornin Lohman,.dr.J. C. de Moor, P. Oosterlee, ds, J. L. Pierson, H. Polleman en mr. J.Terpstra.

Aan-de Commissie waren de volgende vier vragen voorgelegd :

1. Is het gewijzigd Unie-Rapport (1900) ook in dezen tijd — 1919 — nog te beschouwen als de formuleering van onze; wenschen op het gebied der Onderwijswetgeving ? . ... .

2. Is het uitvoerbaar? 

3. Zoo ja, hoe zal evt „G.U.R." in een wet zijn te belichamen ?

4. Indien niet, hoe zal hét gewijzigd dienen te worden ?

De Unie „Een School met den Bijbel" wilde dus practisch werk doen en zich Ie. voor oogen stellen wat er van het Uniê-Rappört reeds verwezenlijkit was en wat er nog onvervuld was gebleven van de wenschen, indertijd uitgesproken. Om dan tegelijk te vragen of hetgeen nog niet vervuld was moest worden gehandhaafd, en zoo ja, of dan ook moest worden getracht dit in de wet vastgelegd te krijgen ?

De-Commissie anitwoordde op de eerste-vraag : dat onze wenschen nu — 1919 — anders geformuleerd moeten worden dan in 1900, daar er sinds veel gewijzigd is op het gebied der Onderwijswetgeving.

Art. 192-toch is opnieuw vastgesteld en daardoor is de toestand geheel veranderd. Ook zijn er nu andere behoeften dan vroeger ; waarbij de Commissie denkt aan het zich krachtig ontwikkelend Voorbereidend L.O., Ü.L.O. en M.U.L.O., aan de opleidinig, enz.

Wanneer dan gevraagd wordt of de Commissie er vóór is, dat, na de herzieniinig van art. 192  het beginsel : de Bijzondere School regel, de Openbare aanvulling, moet worden gehandhaafd en geproclameerd ; en of getracht moet worden dat beginsel in de wet vastgelegd te krijgen, dan is het antwoord, dat verwezenlijking er van aan de maatschappij moet worden overgelaten nu.

„Artikel 192 der Grondwet", aldus lezen we in het Rapport, „geeft thans aan beide soorten van onderwijs gelijke rechten en dus gelijke kansen. Aan welke sohool straks de maatschappij de voorkeur zal geven, moet afgewacht worden. Al betwijfelit de Commissie ook niet, dat die ontwikkeling zich in de lijn van het bijzonder onderwijs zal bewegen, toch oordeelt zij, dat van een wettelijk vastleggen van dezen theoretischen regel, althans voorloopig, geen sprake mag zijn. Niet slechts, wijl dit op het oogemblik vrijwel onoverkomelijke practische moeilijkheden met zich zou brengen, maar ook, omdat elke dwang, om het leven in een bepaalde richting te drijven — juist de fout immers onzer tegenstanders — nutteloos en bovendien ongeoorloofd moet geacht worden.

De Commissie ooncludeert dus, dat het principe : de Bijzondere School regel, de Openbare aanvulling, als beginsel kan behouden blijven ; dat het nieuwe art. 192 de uitwerking van dit beginsel heeft mogeilijk gemaakt, maar dat verder ingrijpen door de wet in de ontwikikèling onraadzaam mag heeten. Na dit betoog komt dan een ander stuk. En wel dit :

„Het Gewijzigd Unie-Rapport gaat voorts uit van de venonderstelling, dat de onderwijskosten in de eerste plaats moeten gevonden worden uit de  opbrengst der schoolgelden en voor het ontbrekende gedekt zullen worden door een vaste bijdrage van het Rijk. Het komt der Commissie voor, dat twee hoofdpunten dezer regeling, n.l. : dat alle ouders zooveel mogelijk een proportioneel schoolgeld betalen en voorts dat de gemeente, voor zoover mogelijk, financieel wordt uitgeschakeld, nog alle aanbeveiing verdienen om tot beëindiging van den schoolstrijd te geraken. Deze beide wenschen zijn onder het nieuwe Grondwetsartikel te reaiiseeren."

Hiermee zijn dus door de Commissie van 1919 de eerste en tweede conclusie van het G.U.R. van 1900 overgenomen en onderschreven.

Maar ten opzichte van de derde conclusie wordt deze opmerking gemaakt: : „wat echter de verhouding van de opbrengst der schoolgelden tot de Rijkssubsidie betreft, oordeelt de Commissie dat zoodanig stelsel, van suppletie door een vaste Rijksbijdrage te groote practische bezwaren met zich zou brengen, dan dat 't nog als onze wensch gehand­haafd zou kunnen worden."

Op practische gronden komt de Commissie tot deze conclusie ; „met te meer vrijmoedigheid" zooals zij zegt „vermits dit zuiver een kwestie van opportuniteit schijnt." 't Gaat om de practische uitvoerbaarheid — zooals zij nog eens herhaalt.

„Een der voornaamste wenschen van het „G.U.R." is ten slotte" — zoo gaat de Commissie in 1919 voort, daarmee doelende op de 3de conclusie van 1900 : „dat bij de gelijkstelling de vrijheid van richting van het bijzonder onderwijs volkomen gehandhaafd blijve." „Deze wensch is door de herziening van art. 192 in vervulling gegaan", zoo zegt de Commissie, maar voegt er aan toe : „slechts zal bij de organieke wet tot uitvoering van dit artikel (192) nauwlettend toegezien moeten worden, dat dit hoofdbeginsel ongerept gehandhaafd blijve."

Tot zoover de aanhalingen uit het-Rapport 1919 rakende de beginselen en de conclusiën van het Rapport 1900.

Er is veel verkregen van hetgeen wij van ouds als onze wenschen op het gebied van het onderwijs en de onderwijswetgeving hebben uitgesproken. De Bijzondere School heeft dezelfde rechten die de z.g.n. Neutrale Openbare School geniet; het Christelijk onderwijs wordt in zijn groei niet meer belemmerd door de financieel zoo bevoorrechte positie Van het Openbaar onderwijs.

Maar nu het einddoel : de Bijzondere School regel, de Openbare aanvulling. Hoe de ouders in beweging gebracht ? Hoe bijzondere neutrale, bijzondere Chnistelijke scholen overal verkregen, met een Bestuur, Schoolcommissie of wat ook ? Hoe moeten de financiëele lasten op het Rijk en van de Gemeente afgewenteld wonden ? En hoe komen we tot de uitwerking van het beginsel : dat de kosten van eene gewone, eenvoudig ingerichte Lagere School, voor zoo ver deze niet uit de schoolgelden te vinden zijn, door het Rijk gedekt worden, waarbij rekening gehouden moet worden met uitbreiding van leerstof en vermeendering van het onderwijzend personeel en hoe komen we tot een regeling, dat, wanneer een Schoolbestuur (Gemeentebestuur) aan de school een kostbaarder inrichting wil geven, 't daartoe bevoegd zal zijn, maar waarbij het de meerdere kosten niet mag dekken door een bijdrage uit de openbare kas, maar door het heffen van een suppletoir schoolgeld of door vrijwillige bijdragen ?

Natuurlijk dat bij deze vragen, ook de vraag moet wórden gevoegd : heeft de nieuwe Onderwijswet-De Visser de vrijheid van richting van het Bijzonder Onderwijs volkomen gehandhaafd ?

Het zal ons aangenaam zijn, indien iemand gevonden wordt die, nu we een nieuwe regeeringsperiode tegemoet gaan, het Gewijzigd Unie-Rapport nog eens wil bespreken in onze Pers en die ons Bijzonder Onderwijs wil dienen met een kalme, principiëele, practische verhandeling, waardoor we straks, indien het inslaat bij onze menschen, nog iets anders en iets méér krijgen, dan een technische herziening van de Schoolwet-De Visser.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's