De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

„Alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft." Marcus 9 vers 23b.

Gelooven en kunnen.

I.

Uit de omwandeling van den Heere Jezus op aarde weten wij, dat de Heiland drieërlei macht had.

Beter gezegd, dat Hij macht bezat over drieërlei macht.

Over de machten der natuur. Immers de schare riiep uit : „Wie is deze, dat ook de zeeën en de winden Hem gehoorzaam zijn I ? '

Over de maoht van den dood. En zoo vele bewijzen van opgerichte menschen uit doodelijke krankheid, of van hen, die uit den dood tot het leven gebracht zijn, getuigen van Zijn grootheid en wonderlijke kracht.

Over de machten der duisternis. Want Satan en zijn trawanten, zoo vaak in confllct met de wonderdoende macht en kracht des Heeren, moeten het afleggen tegenover den Koning van het Rijk der zalige geesten.

.lezus legt hem het zwijgen op, werpt ze uit, drijft ze in de zwijnen.

Dat is wel zeer teekenend voor de majesteit van den Zone Gods.

De tegenstelling tusschen licht en duister komt te sterker uit, naarmate het duister duisterder wordt.

Toen was het de wil en de macht van den Vorst der duisternis. Nog eens zou hij het wagen ! Nu in volle krachtsontplooiing. Maar ook deze krachtoperaties worden verijdeld. De Sterkere was gekomen, die den sterke zijn vaten wist te ontrooven.

Over alle machten iler duisternis en over heel de helsche macht heeft Hij getriompheerd.

In ons tekstverhaal vinden wij een sprekende illustratie van een en ander. Wij staan voor een ernstig geval.

Hoe diohter de Heiland nadert, hoe erger het wordt met den kranke maar, God zij dank, Hij laat den Satan zijn gezochte prooi niet ontrooven.

En zoo ligt er een dubbele leering in de genezing van den bezeten knaap ; allereerst voor den vader van den patient tot oefoniing des geloofs, en ten tweede voor de discipelen, in Jezus' onderwijs, tot scherping van het verstand en tot onderzoek des harten.

Uit dit tweevoudig oogpunt willen wij den tekst bezien, en wij ontvangen dus een practisohe ervaring en eén theoretische les, noodig tot zegening van het leven des geestes.

Eerst eohter iets over de historische aanleiding.

Het was „een hopeloos geval" met dat kind, dien jongeling, aangetast door ernstige krankheid. Mattheus noemt hem «maanziek" ; Marcus „van den duivel bezeten."

Een geesteskranke dus in hooge mate en de gevolgen zijn vreeselijk. Hij werpt zich in het water, en in het vuur, hij ligt te tandknersen op den grond  met het schuim op den mond.

En wij kennen die patiënten uit eigen omgeving, misschien met andere en toch soortgelijke verschijnselen. Arme slachtoffers van meest ongeneeslijke krankheden, wel van de treurigste onder de veelheid der geslagenen onder de lijdende menschheid. Hun aantal bedraagt in onze dagen bij de duizenden.

Gode zij dank dat het werk "der barmhartigheid zich meer dan vroeger ook uitstrekt tot dit deel der door de zonde getroffen en door het lijden geknakte deel der menschheid.

Wat heeft die vader gedaan ?

Hij heeft discipelen van Jezus geraadpleegd.

Maar ach, zij wisten geen raad. Daar stonden zij met de handen in het haar. Wat daaraan te doen ? Zij hebben het eene geprobeerd en het andere middel toegepast, maar alles was tevergeefs. Geen baat voor dezen ellendige.

En de Pharizeën hadden dat bemerkt ; met genoegen, duivelsch genoegen, gezien dat zij niets vermochten ; zij hebben het den discipelen kwalijk genomen, en ze zijn met elkaar in woordenwisseling gekomen, waarbij allerlei verwijten door deze mannen naar het hoofd der discipelen geworpen zijn.

Maar daar komt Jezus.

Uiit de stilte van het heilige, boven op den berg der verheerlijking.

In het rumoer van het onheilige beneden in de vlakte, temidden der kibbelende, zondige, vijandige menschen.

Welk een overgang !

Maar ais Jezus komt, worden allen verschrikt.

Wat is hier aan de hand ? zoo vraagt Hij.

Niemand durft spreken. Pihianizeën niet, discipelen niet, de majesteit van den persoon van den Zoon des menschen legt beslag op aller ziel en tong.

Alleen de man uit de schare, de vader van het kind, hij, wien 't gold en trof, de beangste, de verscheurde ziel, hij dringt door allen heen tot Jezus en hij klaagt zijn klacht, wijzend op dat kind, zijn kind met dien stommen geest, en hij roept het uit : „Zij hebben het niet gekund !"

En dat ontperst Jezus een zucht aan de ziel, een weeklage, van beteekenis voor dit geval en voor geheel Zijn optreden op aarde : „O, ongeloovig geslacht, hoelang zal Ik u nog verdragen !" O, tijdgenooten, wat maakt gij het Mij moeilijk met uw ongeloof, wat plage komt er over Mij vanwege de verharding uwer harten !"

En dan het commando : „breng hem tot Mij."

En dan nog één Satanische aanval, vreesèlijker dan de vorige.

En Jezus schouwt het aan, staart met verwondering op het woeden des Satans, én vraagt : „Hoe lang is hem dit al overkomen ? ", waarop de vader weer antwoordt en klaagt : „Zoo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons."

Een kerming uit de diepte van het hulpbehoevend en schreiend hart.

Waarop de Heiland dit magistrale woord doet hooren, dit ontzaglijk geweldige woord, als een alles opzijde zettend en weerleggend getuigenis : „zoo gij kunt gelooven ; alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft."

Mijn lezer.

Het loont de moeite, eerst na te gaan welke uitwerking dit woord heeft op den vader van den bezeten jongeling.

Op den klank af genomen, vinden wij dat geen aangenaam antwoord ; wat klinkt het koel, afsnijdend, handvochtig !

Was dat nu het rechte woord voor deze bedroefde, gefolterde, verscheurde ziel ?

Was het den man, als de Pharizeën zoo vaak, om een dogniatisohe les, om een theoretisohe uiteenzetting te doen ? over Jezus' maoht, of des menschen macht, over Zijn kunnen of over hun niet kunnen ?

Het was toch een schreeuw uit het diepe, bedroefde hart, een kreet om hulp, een welgemeende aanval op Jezus' barmhartigheid en mogelijke macht ? 

Hoe dit zij, de vader heeft dit woord van Jezus aangegrepen zoo goed en zoo kwaad als hij kon.

Hij laat er op volgen in dezelfde zielsontroering : „ik geloof."

Maar alsof hij terstond gevoelt al te veel gezegd te hebben, en dat eigenlijk niet te kunnen verantwoorden, want het is te groot voor hem, den ellendige, hij retireert ook weer dadelijk, trekt het eigenlijk weer in, en corrigeert zichzelf, er bijvoegende : „Kom mijner ongeloovigheid te hulp."

Als wij met de objectiviteit van den buitenstaander het geval mogen beoordeelen, tot onze leering en stichting, dan zou ik allereerst willen zeggen, dat wij ons er niet van mogen .afmaken met de oppervlakkige redeneering van sommigen, die hier, als bij dergelijke gevallen altijd zeggen, laat alle onderzoek en beoordeeling maar terzijde. Die man komt toch, vlucht toch, smeekt toch. Is dat al niet genoeg ? Een schreiend hart tot Jezus vluchtend ? Wat wilt gij meer ?

Want het is mij niet hetzelfde hoe hij komt.

De moeilijkheiid ligt niet in de vraag of Jezus het doen kan, en ook hier blijkt de Machtiige te zijn, maar of dié vader staat in het volle geloof en in de stellige wetenschap, en de zalige zekerheid van het kunnen en het zullen, zooals dat bij ons het geval moet zijn, als onze houding en verhouding tot den Heere recht zal wezen.

En als ik dan lees, dat gelooven is : een vaste grond bezitten der dingen die men hoopt en een bewijs bezitten van ae zaken die men niet ziet, dan, Mijn Lezer, zijn geloof toetsend aan den eisch van Gods Woord, zijn geloof leggend naast het geloof van Hebr. 11, dat is van allen, die door hét geloof hebben overwonnen, dan zie ik den man zinken aan de voeten van Jezus, in het gebrek van het waare geloof, en in het missen van die zekerheid, waarop het kunnen en het zullen van 's Heeren zijde zeker volgen.

Hij zegt : ik geloof.

Hij zegt ook : ik geloof niet, althans niet genoeg.

Hij belijdt, maar zijn belijdenis is tevens een bede om te mógen belijden.

Hij neemt de toevlucht, maar hij voelt dat hij het eigenlijk niet kan.

Hij spreekt iets uit, maar kan het niet verantwoorden.

Hij omvat Jezus' macht en laat ze tegelijk weer los.

Dat is toch een eigenaardig soort van geloof ! Is het wel geloof ? Is het ongeloof ? Ongeloof is het niet. Niet in dien zin zooals wij dat kennen bij de duizenden rondom ons, die in Godsverzaking en wereldzin zioh openbaren in de meest volstrekte ontkenning van het bestaan der hoogere, geestelijke realiteit, alles over boord werpen, met luchtig handgebaar, en onverschillig hart ; die zich niet ontzien God en de zaligheid te lasteren, en verwerpen de hoogste en dierbaarste waarheden van het Christendom en het leven der geloovigen.

.Dat is het niet.

Zijn geloof is geloof, maar verzwakt door „ongeloovigheid." Een onmachtig geloof, een zwak geloof, en gebrek aan geloof.

Hij ziet het liggen, maar hij heeft het niet ; hij weet hoe het zijn moet, maar hij kan er niet bij.

Waarom wij deze dingen met nadruk zóó zeggen ?

Omdat er in onze dagen onder Gods kinderen, die het oprecht meenen, en waarlijk staan naar het bezit der heilige geestelijiie goederen, veel van zulk geloof te vinden is.

En helaas, - wordt het aangeprezen als het beste geloof door predikers en geestelijke adviseurs, en gesanctioneerd als het hoogste, waartoe de ware Christen hier op aarde kan geraken. Welverzekerd geloof schijnt tot de wereld van het ideëele te behooren voor de belijders der Gemeente op aarde ; onbereikbaar tamelijk wel voor de oprechte, heilzoekenide zielen., die hun hope stellen op den levenden God.

En daaraan mogen wij niet mededoen. Hun voorbeeld volgen wij niet.

Ook wij, nemen het op voor .dezulken, wij wenschen het kieingeloof niet te verachten nooh te laken ; Gode zij dank, kunnen wij ze verstaan in hun smart en druk, in hun roepen en toevlucht nemen.

Ook wij nemen positie tegen een andere categorie van toonaangevende leiders, die denken dat er geen strijd noodig is om in te gaan, die blijkbaar niet gevoelen hoeveel worstelingen in de binnenkamer worden af-en uitgeworsteld om tot een besliste overtuiging te komen, die niet  verstaan .de gegronde vreeze van verloren te gaan, eenmaal, eeuwig, vreeselijk, en die geen oor en hart hebben om te beluisteren het zuchten der zielen om te komen tot verlossing en vrede, ja zelfs die al dat tobben zuchten, zoeken, smeeken en bidden voor ziekelijk en misselijk houden, als een ongezonde werking van den geest, en afkeurenswaardige inbeelding en fantasie verfoeien.

Want die allen verstaan den vader niet in zijn klacht, en Gods kinderen niet in hun zuchtingen en strijd.

Dat alles is er wèl.

Dat alles kan zelfs niet gemist worden om te komen tot het geloof. Aanvechting en bestrijding en dus ook worsteling en nederlaag behooren tot den weg die leidt uit het dal der ellende tot de hoogte der verlossing en der blijdschap.

Wee den leeraar die het niet preekt ! Wee den zielszorger, die er geen kennis aan heeft !

Wee den huisbezoeker, die de huizen derzulken liefst overslaat of zoo wei­nig mogelijk bezoekt !

Met beide banden grijpen wij zulke vaders, moeders, jongelingen én jongedochters aan, ai die eerlijke zoekers, zuchters en vluchters, die het belijden en het niet kunnen verantwoorden, die zoeken en weer niet durven naderen.

Wij willen ze leiden tot den Heere Jezus.

Zij hebben aanmoediging noodig van de zijde der geoefeniden.

Gekrookte rietjes en rookende vlaswieken, die niet gebroken en uitgeblusolit mogen worden.

Hun allen roepen wij toe, in al hun nood, strijd en gebed : „vlucht tot den Heiland met uw kind, met uw hart, met üw schuld, met uw smart !"

Gaat zoo het gaat, maar vlucht in alle geval, laat niets u weerhouden. Want het is de eenige weg, en het eenige middel en de eenige voorwaarde.

En de uitkomst is zeker, en zalig en goed.

Er volgt een blijde ontmoetinig en rijke ontvangst, een volle zaligheid.

Deze vader is één voorbeeld uit velen, voor alle treurigen van hart. Een beschamend voonbeeld voor de wereld met haar ongeloof en miskenning ; een vertroostend voorbeeld voor al Gods kinderen in lijden en smart.

Maar...

Als deze practijk getoetst wordt aan het woord van den Heiland, zoo even uitgesproken : „alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft" ; als het een antwoord moet zijn op deze goddelijke stelling, hier verkondigd, wie gevoelt het niet, dan zijn wij er niet met dezen man en met zijn geloof en met zijn gebed en zijn betuiging.

Ook al nemen wij de omstandigheden in aanmerking, ook al weten wij, dat zijn hart is doorvlijmd van smart.

Dan hadden wij een ander antwoord moeten hebben.

Het antwoord der bevestiging en der verzekering des geloofs.

Het antwoord van den genezen blindgeborene, die als hij zijn Heiland heeft gevonden, die naar hem bad gezocht, en zich aan hem openbaart, 't uitroept : „.ik geloof" en in aanbidding nederzinkt aan de voeten van den Zaligmaker.

„Ik geloof", dat zegt de ziel dan. Ik geloof volkomen, onvoorwaardelijk, met geheel mijn hart, in blijde overgave des gemoeds, zonder restrictie, zonder beding.

De laatste, bijvoeging komt er dan niet bij.

Dat enkele „ik geloof, Heere", is voldoende, is het alleszeggend, en eenig gepaste antwoord op Jezus' verstaanbare en welbegrepen machtige voorwaarde voor een zalig leven en kunnen.

Jammer, de meeste van Gods kinderen leven „beneden hun stand."

En de Heiland wil ze hooger opvoeren.

Hij wil ze brengen op den berg der verheerlijking.

'Daartoe daalt Hij af in het midden der disputeerende schare, onder de arme, lijdende menschen, onder de discipelen met hun onmacht en zwakheid.

Op het ideaal worden zij gewezen.

Tot de hoogte der zuivere Godsverheerlijking moeten ze komen.

Zoo komt er leven uit de waarheid vain Zijn Woord, uit dan rijkdom Zijner onttermiing, uit de zekerheid des geloofs

En boven het verkeerde milieu uit van het ongeloovig geslacht, waarover Jezus zucht, stijgt uit de van Hem onderwezen ziel de lofverheffing Zijner aanbiddeliike machten Zijner ondoorgrondelijke liefde.

Ik heb gelooid, daarom heb ik gesproken.

lk heb geloofd en daarom - heb ik dit alles gekund.

Want die ziel vermag alle dingen door Christus die kracht geeft.

Trachten wij ons te verheffen tot die hoogte van geloof en aanbidding, door aan te heffen het geloofslied van Psalm 27: vers 7, Waarin de dichter, het niet gelooven en niet kunnen samenvoegt, om tot gelooven en wel kunnen op te wek­ken. ''

(Slot volgt).

 

.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's