Uit het kerkelijk leven.
Het genadeverhond en onze kinderen.
(Slot).
Is dat niet van ouds de taal van onzen Heidelberger Catechismus, als die de oorzake gaat noemen, waarom wij in de Kerk van Christus de jonge kinderen doopen ? is het dan niet : „dat zij zoowel als de volwassenen in het verbond van God en in Zijne Gemeente begrepen zijn en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt." (Zondag 27, vr. en antw. 74).
Dat ligt daar dus toegezegd voor onze kinderen : verlossing van de zonden door Christus' bloed en het geloof, door den Heiligen Geest te werken.
Daarbij moeten onze kinderen dan worden opgevoed en onderwezen, dat zij kinderen des verbonds zijn en dat de Heere hun al deze geestelijke weldaden heeft toegezegd. Waarbij het aan onze kinderen zal moeten worden voorgehouden, dat al deze weldaden van Gods genadeverbond, zijnde vergeving van zonden, vernieuwing des levens, heiligheid en heerlijkheid, alleen ons kunnen toekomen uit den Verbonds-Middelaar Jezus Christus, die ze verworven heeft voor den prijs van Zijn bloed. En geenszins zullen wij deelen in deze geestelijke weldaden, dan wanneer wij deel hebben ontvangen aan Zijn persoon. De mystieke, geestelijke vereeniging met Christus gaat aan alle weldaden vooraf en door deel te krijgen aan Hem komt geloof en bekeering, verzoening en vernieuwing.
Dat is het werk des Heiligen Geestes, die de harten besnijdt en wederbaart ; die dooden levend maakt ; uit de duisternis overzet en doet wandelen in het licht en nemend uit Christus de ziele des zondaars komt begiftigen met de schatten des Koninkrijks, zijnde rechtvaardigheid en vrede en blijdschap.
Om de toepassing van die genadegaven wordt gebeden door de Gemeente van Christus vóórdat de doop aan hun kinderen wordt toebediend. Dan verheft zich 't harte van de geloovigen, vragende den Heere : „wil, in Uwe grondelooze barmhartigheid, Heere, deze kinderen genadig aanzien en door Uwen Heiligen Geest Uwen Zoon Jezus Christus inlijven ; opdat zij met Hem in Zijnen dood begraven worden en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven."
Daarom wordt gebeden.
En als dan het teeken en het zegel van Gods genade aan de kinderen der geloovigen, in het midden van Christus' Kerk is toebediend, dan zingt de Gemeente : „God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken. Zijn Woord' wordt altoos trouw volbracht, tot in het duizendste geslacht, 't Verbond met Abraham, Zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind." Dan wordt gezongen : „Maar 's HEEREN gunst zal over die Hem vreezen, in eeuwigheid altoos dezelfde wezen ; Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht, dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden, noch van Zijn wet af-keerig d' ooren wenden, maar die, naar eisch van Gods verbond, betracht.'*
Dan staan we saam, in het midden van 's Heeren Gemeente, als bondelingen voor het aangezichte van den God des Verbonds. En roemende Gods genade, die zoo rijik en die zoo vrij is, zingen we : , , God zal hen Zelf bevestigen en schragen, en op Zijn rol, daar Hij de volken schrijft, hen tellen als in Isrel ingelijfd en doen den naam van Sions kinideren dragen.
En gezongen hebbende, danken we en bidden we met de dankzegging en het gebed van ons Doopsformulier, staande in hët midden van Christus' Gemeente, waar de Heere Zijn Naam verheerlijkt als trouwe Bonds-God :
„Almachtige, barmhartige God en Vader ! wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen door het bloed van Uwen lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door Uwen Heiligen Geest tot lidmaten van Uwen eeniggeboren Zoon, en alzoo tot Uwe kinderen aangenomen hebt en ons hetzelve met den Heiligen Doop verzegelt en bekrachtigt."
Dat spreken we dankend en God lovend blijde uiit, in het midden van Christus' Gemeente staande.
En dan wordt het een zaak des gebeds, een zaak der opvoeding, een zaak van onderwijzen en doen en helpen onderwijzen, dat ons kind persoonlijk aan deze dingen toah niet vreemd mag blijven, maar door Gods genade en de wenking Zijns Geestes persoonlijk met Christus vereenigd mag worden, om door dien Geest te wandelen en deel te hebben aan de goederen des heils, zonder welke geen ziel leven kan. Opdat er een vroom, godvreezend geslacht op groeit, dat naar God vraagt. Zijn Woord bemint, Zijn Naam vreest. Zijn deugden roemt. Zijn eere vermeldt en Zijne daden prijst.
Daarom ons gebed voor onze gedoopte kinderen :
„Wij bidden U ook, door denzelven Uwen lieven Zoon, dat Gij deze gedoopte kinderen met Uwen Heiligen Geest altijd wilt regeeren, opdat zij Christelijk en godzalig opgevoed worden en in den Heere Jezus Christus wassen en toenemen, opdat zij Uwe Vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hun en ons allen bewezen hebt, mogen bekennen en in alle gerechtigheid, onder onzen eenigen Ieeraar, Koning en Hoogepriester, Christus Jezus, leven en vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn gansche rijk strijden en overwinnen mogen, om U en Uwen Zoon Jezus Christus, mitsgaders den Heiligen Geest, den eenigen en waarachtigen God, eeuwig te loven en te prijzen. Amen."
Dat is de worsteling om genade door en voor de kinderen van het genadeverhond in het midden van Christus' Kerk. De worsteling óók in de opvoedinig en het onderwijs, in huis en in de school, voor het aangezichte van Hem, Diè als de God der genade, gezegd heeft : „Ik wil uw God zijn èn de God van uw zaad."
De kenteekenen des nieuwen levens.
Uit de vruchten wordt de boom gekend. En zoo is het dan ook in de weken die achter ons liggen openbaar geworden wat een appel-, wat een pereboom was. De jonge, teere boomen lieten het nog zoo duidelijk niet zien, dewijl zij nog geen vruchten voortbrachten, maar de boomen die jaren gestaan hebben maakten ziohzelf openbaar en we plukten van den een de appels, zijnde de vrnchten naar den aard des booms, en van den ander haalden we de peren, zijnde naar den aard des booms.
Zoo wordt het openbaar uit de vruchten of de mensch een nieuwgeboren schepsel is, in Christus ingeënt, of dat hij nog de onwedergeboren mensch is, vreemd van Christus en zonder bedeeling des Geestes Gods.
Daarom zijn ook mee de goede werken noodzakelijk, opdat het zal uitkomen voor God en de menschen, dat het oude is voorbij gegaan en dat alles nieuw is geworden en opdat we bij ons zelf zullen verzekerd worden, dat er bij ons hartveranderende genade is. Want die in de zonde voortvaren hebben God niet lief en zijn kinderen des vleesches, wandelend in de duisternis. Maar die de beginselen der genade mogen bezitten zullen dat openbaren in een Godverheerlijkenden wandel, waarbij een geestelijk hongeren en dorsten naar God openbaar wordt en lust en liefde om in den weg van Gods geboden te wandelen.
Bij de vraag of wij dus genade kennen en of wij reeds een wedergeboren schepsel zijn, een kind van God en een erfgenaam des eeuwigen levens, hebben we nauwkeurig onzen weg na te gaan en te vragen, of er in ons leven reeds kenmerken zijn van dat Godsleven, dat uit God ons toekomen moet, door God in ons onderhouden wordt en tot Gods eere strekken moet.
En wat zijn dan alzoo de kenmerken van dat genadeleven, dat den kinderen Gods geschonken is door de bedeeling des Geestes ?
Het eerste kenmerk van hartsverandering is, of wij vanwege onze zonden een mishagen aan ons zelve hebben en ons vanwege onze overtredingen voor God verootmoedigen. De natuurlijke, onwedergeboren mensch is blind voor zijn diep bederf en algeheele verdoemelijkheid voor God. Hij weet niet, dat hij zoo arm en ellendig is en zich in. zoo groot gevaar bevindt om voor eeuwig verloren te gaan. Dat hij voor eigen rekening staande, straks in alles schuldig zal worden bevonden en uit 's Heeren mond zal hooren : „ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend."
Hij mag misschien wel eens spreken over zonde en oordeel, maar gaat ook weer rustig voort ; hij troost ziichzelf met valsche troostgronden ; hij werkt zich op tot deugd en vermaakt zich in allerlei plichtsbetrachting of gaat roekeloos voort met eten en drinken, vroolijk zijnde met degenen die de ijdelheid najagen. En heeft hij geloof, dan is het niet anders, dan een uitwendig aannemen der dingen en een vormelijk naspreken der waarheid, maar alles toch buiten zijn hart omgaande. Hij stelt zijn werken, zijn deugd, zijn geloof, zijn gebed in plaats van Christus. Omdat hij nooit verbrijzeld is en niet weet wat het is tot God te roepen uit de diepte van verlorenheid is ook het werk van Christus hem nooit dierbaar aan het harte geworden en verstaat hij niet, wat het is door genade zalig te worden in den weg des geloofs.
Dat alles is nu zoo : anders, indien er genade verheerlijkt is aan ons. Dan komt de Geest Gods het harte verbrijzelen en het oog, van de windselen ontdaan, staart in de diepte van schuld en verlorenheid, waarbij de ziele, mee als vrucht des Geestes, komt roepen uit de diepte van ellende tot God.
Het geestelijk leven vangt aan met zelfkennis. Leeft de mensch van nature in valsche rust, als genade over de ziele komt, dan wordt de mensch met zichzelf bekend gemaakt en als een schepsel, dat van God is afgevallen en de zonde heeft liefgehad en het vleesch heeft gekoesterd en de wereld heeft bemind, schreit het tot God, tot den levenden God, om bij Hem vergeving, verzoening, genezing te zoeken, waar dit nergens anders te vinden is.
Dan komt er vrees, droefheid. Dan komt er strijd, werkzaamheid. Dan komt er verlangen en zoeken, Dan komt er hongeren en dorsten. Dan komt er een uitstrekken van hart en hand naar den hemel. En als vrucht des Geestes, die ontdekkend werkt om alle hope te ontnemen, gaat het oog zich richten op Christus, die van God gesteld is tot een volzaligen Borg en. Middelaar, die uit den hemel is nedergedaald, om te zoeken wat verloren is en om zondaren zalig te maken.
Daar heeft dan de Geest lust in om Christus voor oogen te stellen waartoe Hij gebruikt het Woord, dat van Christus spreekt, die Zijn ziele gesteld heeft tot een rantsoen en Zijn bloed heeft uitgestort tot verzoening.
Dan wordt Christus' persoon lieflijk en Zijn zoenoffer onmisbaar tot zaligheid. Dan strekt zich het begeeren uit Hem meer te mogen leeren kennen en er komt vreugde in de ziele, als Zijn Woord in geloove mag worden aangenomen : Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Gelijk er een zuchten des harten wordt uitgestooten voor God, als Christus niet helder voor oogen staat en de ziele de vertroostingen missen moet van het heil door Hem voor een arm zondaarsvolk aangebracht.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's