De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

Hereeniging!

Iemand die onzen Bond en onze Herv. Kerk goed gezind is, maar verlangt naar het samenwonen van allen die-in belijdenis één zijn, verzocht ons het volgende stuk uit „De Saambinder", Correspondentieblad der Geref. gemeenten in Nederland en N. Amerika, (Redactie Ds. Kersten te lerseke en Ds. den Hengst te Leiden), over té nemen in „De Waarheidsvriend". Wij hebben daar niets op tegen. Want ook wij kunnen er naar verlangen, dat de onderscheidene kerkformaties, die op den grondslag onzer belijdenis staan, mogen vereenigd worden. Het zijn zulke booze en bange dagen, die wij beleven nu. En wij gelooven dat de eere Gods er mee gemoeid is en dat de zaak van Gods koninkrijk er mee verband houdt, dat toch niet gedeeld en verscheurd blijft liggen, wat bij elkaar hoort. Zeker, we kunnen deze dingen niet „maken" en mogen het niet forceeren of dwingen; maar als er van die heimwee-klanken ergens gehoond worden, dan willen wij ze gaarne overbrengen ook onder ónze menschen, met de bede, dat de Heere het nog gebruiken mag in Zijn hand, om bij elkaar te brengen wat bij elkaar hoort.

In „De Saambinder" van 28 Sept. j.l. komt dan, onder het opschrift „Hereeniging" de volgende belangrijke en sympathieke brief voor van ds. W. den Hengst uit Leiden:

Waarde Vr.! 't Verwondert mij niet, dat de wensoh en begeerte van velen naar eenheid en vereeniging der onderscheidene kerkformaties, die op den grondslag onzer Belijdenis staan, ook uw aandacht getrokken heeft. ; Het lijkt ook mij toe, dat vooral den laatsten tijd die begeerte zich sterker openbaart dan in tientallen van jaren het geval geweest is. 'k Heb geen bezwaar ook mijn gedachten omtrent dit punt u kenbaar te maken. Ik verblijd mij in dat zich uitend verlangen; ik verblijd mij er in met de stille hoop, dat het gewerkt wordt en aangevuurd zal worden door den Geest des Heeren, die de Geest van 't eene Lichaam Christi is, opzuchtend in de harten der geloovigen om vervulling van des Hoogepriesters bede: Vader, dat ze allen één zijn. . . . opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt.

Met instemming las ik kort geleden in „de Wekker" een vraagbeantwoording van Ds. Geels, docent aan de Theologische School te Apeldoorn, waarin over het onderhavige onderwerp gehandeld wordt.

Ik kan mij niet weerhouden een gedeelte daarvan af te schrijven, waarbij ik mij de vrijheid veroorloof enkele woorden tot meerderen nadruk te cursiveeren. Ds. G. schrijft het volgende :

'k Herinner imij als jongeling eens op een gezelschap van Gods kinderen, die tot de Ned. Herv. Kerk behoorden, te hebben verkeerd. In die dagen was ik in mijn kerkbegrip bij Roomsch af; 'k beschouwde de Chr. Geref. Kerk bijna als de zaligmakende kerk, een andere bestond feitelijk voor mij niet. Maar op dat gezelschap spraken die vromen over de verdeeldheid van de kerken; en ze deden dat met smart, met persoonlijke schulderkentenis om eindelijk met dien jammer Gods aangezicht te zoeken.

'k Zat daarbij in diepe beschaming en droefheid, want zoo had ik eigenlijk de zaak nog nooit bezien. En nu ben ik Chr. Gereformeerd en heb mijn kerk lief, maar anders dan toen. Sedert dien tijd leeft er een verlangen in mijn hart, dat het God nog eens mocht behagen, een zoodanige kerkelijke eenheid te werken, welke afschaduw mocht heeten van den staat der volmaaktheid van het hemelsch Jeruzalem.

Neen, ik bedoel in de allereerste plaats niet dit, dat er een uiterlijke eenheid en vereeniging van kerken kome. Dat beteekent hoegenaamd niets. Dan brengt men de onderlinge verdeeldheid" over in één kerk, en dan ware wellicht kerkelijke gedeeldheid te verkiezen boven zulk een uitwendige eenheid, maar die innerlijk krank was. Neen, als er van samenwonen van hen, die thans kerkelijk gescheiden zijn, sprake is, dan is dat bedoeld als vrucht van des Geestes werking ; een eenheid, wortelende in de liefde, die als band der volmaaktheid allen saambindt.

En nu zal men zeggen, deze ideale toestand zal eerst in den nieuwen hemel en op de nieuwe aarde gezien worden. En zelf denk ik dat ook wel eens en kan ik de vrees niet van mij afzetten, dat de verdeeldheid eer toe, dan afnemen zal.

Maar ik meen niet te veel te zeggen met te beweren, dat er onzerzijds een drang en pogen naar die eenheid moet gezocht. Moeten we dan verloochenen de historie en het beginsel onzer kerk, die ons lief is, zal misschien iemand vragen ? Neen en nogmaals neen. Maar het zou al veel gewonnen zijn, als we onszelf eens konden verloochenen ; ons beginsel, ons inzicht, en eens van harte mochten vragen naar wat des Heeren is. En dan denken we niet uitsluitend aan vereeniging met een bepaalde kerkgroep, maar we breiden onze armen uit tot allen, die met ons een even dierbaar geloof hebben ontvangen. Wie zich niet blind staart op 't eigen kerkelijk leven, maar ook oog heeft voor wat voorvalt op het breede terrein van het Koninkrijk Gods, zal met blijdschap zien, hoezeer het gereformeerid beginsel in de Ned. Hervormde Kerk aan invloed wint, wat ons doet denken aan het woord : „De woestijn zal bloeien als de Karmel" ; die zal met hope in het hart vernemen, dat ook in de Gereformeerde Kerken een andere toon wordt beluisterd ; dat men het daar ook lang niet meer eens is met de leer der veronderstelde wedergeboorte, aangezien de practijk met de theorie in strijd blijkt ; dien zal het goed doen, te weten, dat men in de Gereformeerde Gemeenten het pogen om nader tot elkander te komen niet heeft afgestooten.

Wat wij dan hebben te doen ? Ik meen, dat het wellicht het beste ware, dat wij eens begonnen met niets meer té doen ; geen zelf-pogen tot vereeniging, maar ook geen zelfgenoegzaamheid, die terugstoot. Maar dat wij, als die het niet kunnen en niet weten. God eens mogen laten werken. Ja, dan mogen wij ook iets dóen, en wel met ernst Gods aangezicht zoeken, opdat Zijn hand Zijn Kerk vergadere, vereenige en doe bloeien van geloof en liefde.

Of het hier ooit zoover zal komen ? Laat ons hopen. Laat ons bidden. Laat ons wachten op dien morgen, den morgen, ach, wanneer ?

Wat dunkt u, mijn vriend, klinkt hier geen toon, (die u weldadig aandoet ? Ds. G. heeft, dunkt mij, kennelijk in later tijd zoowel op eigen kerkgemeenschap als op de Ned. Hervormde Kerk een anderen (kijk gekregen, dan welken hij in vroegere levensperiode den eenig juisten achtte, en spreekt zulks vlak en onomwonden uit.

Veel meerderen dan wij weten zijn er waarschijnlijk in den lande, in wier binnenste 'n soortgelijke wijziging van overtuiging zich voltrokken heeft of bezig is zich reeds te vormen.

Tot die vermoedelijk velen reken ik ook mij zelven. Met schaamte en leedwezen over zoo menige harde oordeelvelling in onverstand en kwalijk bestierenden ijver geuit, verwarrend als zoovelen nog, de organisatie der Kerk met het wezen der Kerk zelve, en vergetend dat ons schuldaandeel door uit te treden niet vereffend werd. Sinds de Heere echter mij een weinig heeft geleend te letten op Zijn daden en acht te geven op 't werk Zijner handen, sinds ik Zijn ontfermende Verbondstrouw zie in de toenemende levensteekenen op vele plaatsen in de oude Moederkerk, nadat veel levensbloed herhaaldelijk (ik denk aan 1834 en '86) haar werd afgetapt, nu weer haar „tempels" zich met breede scharen vullen als op den kansel een aangroeiend tal van predikers de leer der Waarheid kloek en klaar verkondigen, nu speur ik ook weer de historische lijn, wel als vervaagd, maar evenwel niet afgebroken in de kerk der vaderen, hoezeer ze ook in ellende, door onze en der Vaderen schuld, uit duizenid wonden bloedt.

Kan het dan wel anders of mijn hart gaat uit, niet enkel naar persoonlijke gemeenschap met de geloovigen, afgedacht van het kerkelijk standpunt, dat zij innemen, maar evenzeer naar hereeniging van de tijdelijk uitgeweken dochterkerken met de aloude Moederkerk, de kerk der martelaren, door Gods genade in de 7de eeuw hier geplant, in de 16de gereformeerd, en, ondanks inzinking en diep verval, door Godes hand, niet losgelaten.

O, als dat eens gebeurde, hoe zouden ze zingen, zij die Sion liefhebben en begeeren „te onderhouden de eenigheid der kerk."

Zeker, dat zal nooit geschieden zonder voorafgaande verootmoediging, gewrocht door 's Heeren Woord en Geest. Als dat ons van den hemel geschonken wordt dan liggen wij, de Moeder en de dochters, in onze schaamte en onze schande overdekt ons, dan moet de farizeër er aan, dan verstomt de ijdele roem van des Heeren tempel te zijn op onze bevende lippen.

Legge de Heere zelf wat ge in de nieuwe berijming van Psalm 106 in de verzen 4, 24 en 25 kunt lezen als belijidenis en bede in de harten van Zijn volk en kerk.

Mijn vriend, bid om den vrede van Jeruzalem ; wél moeten zij varen, die haar beminnen.

L.

d. H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's