Hervormde (Geref.) Predikantenvereeniging.
Woensdag 4 October is in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen .de Herv. (Oeref.) Predikantenvereeniiging voor de eerste maal saamgeweest in vergadering. De zaal was goed bezet ; een 100-tal predikanten waren tegenwoordig, zoowel van de Confessioneelen als van de Gereformeerden, hoewel de eersten de anderen in aantal overtroffen.
Dr. G. Oorthuys van Amsterdam sprak als voorzitter, nadat was gezongen Ps. 2n vers 2 en 7, was gebeden en was gelezen Efeze 4 vers 1 en vervolg, een mooi, pittig, ernstig, gepast openingswoord, waarin hij er op wees, dat het hier was een vergadering van dienaren des Woords, die bedroefd "over de breuke Sions, het goede voor Jeruzalem zoeken. Er zal altijd verschil en verscheidenheid zijn in Gods Kerk, evenals de zonde altijd weer de tegenstellingen zal verscherpen. Maar wij mogen niet berusten in de verscheuring der Kerk door allerlei valsche leer en door partijschap. Wel weten we, dat de eeniigheid des waren gëloofs, die wij zoeken, meer is dan de eenheid van leer, maar wij kunnen en mogen niet dulden, dat er op denzelfden kansel verschillende wegen der zaligheid verkondigd worden. Wij zijn bedroefd over de verscheuring der Kerk door allerlei valsche leer en wij zoeken onder elkaar éénheid des vertrouwens , rustend op éénheid in de belijdenis. Wij zijn één in de ; belijdenis, dat de Heilige Schrift is het Woord Gods ; wij belijden de souvereiniteit van den drieëenigen God, de algenoegzaamheid van het offer en de gerechtigheid van Christus, de rechtvaardiging uit het geloof alleen zonder de werlken der wet. En zóó willen we de Kerk terug voeren tot haar eigen belijdenis ; waarbij ons bedroeft de klove die er dikwijls ligt niet alleen tusschen de herders, miaar ook tusschen de gemeenten, die toch saam staan óp den bodem der belijdenis. Wij wenschen geen partijformatie, wij willen geen schijn-eenheid scheppen, door het afslijpen van de kantjes. Wij wenschen ons de verschillen, die tusschen ons bestaan, klaar voor oogen te houden en wil willen hier ons bezinnen op eigen beginselen, maar om dan te zoeken en aan te kweeken de eenigheid des waren geloofs. Noodig is daarbij, dat de Heilige Geest ons er voor beware eigen meening te stellen boven het Woord Gods, want Gods Woord alleen is de waarheid en alle mensch leugenachtig.
Na dit inleidend woord en voorlezing van de presentielijsten verkreeg dr. P. J. K r o m s i g t van Amsterdam het woord om te spreken over het kenbeginsel der theologie of te wel : „Het principium cognoscendi der theologie."
Het was een helder betoog dat dr. Kromsigt hield, waarbij geen nieuwe dingen werden naar voren gebracht, maar waarbij duidelijk en klaar werd aangegeven hoe in deze de stukken staan in onze dagen, om uiteen te zetten, waar de modernen, de ethischen en de gereformeerden uiteengaan. Het is een merkwaardig verschijnsel — aldus dr. Kromsigt — dat de theologie, zooals dr. Kuyper in zijne Encyclopaedie onweerlegbaar heeft aangetoond, nadat zij haar principium : de Heilige Schrift als eenige regel voor geloof en leven, verloochend heeft, de tering heeft gekregen en thans slechts een slepend bestaan leidt. Haar kroon, de dogmatiek, is haar ontnomen ; de Theologische Faculteit kan zich nauwelijks handhaven ; zij is faculteit van godsdienstwetenschap geworden.en een theologisch student is eigenlijk altijd bezig aan voorbereidend werk en komt niet of nauwelijks toe aan de dogmatiek. De eigenlijke theologische, dogmatische belangstelling is onder de modernen tot het vriespunt gedaald en als we zien op 't geen de ethischen produceeren (b.v. dr. M. van Rhijn) dan zien we ook daar, dat het meer dogmen historische dan dogmatische studiën zijn, die zij leveren. De theologie is zoo vrijwel doodgeloopen. En nu moeten wij weer teruggrijpen naar het reformatorisch uitgangspunt: de Heilige Schrift, Gods Woord, als eenig kenbeginsel of principium cognoscendi. De ervaringstheologie, waarbij de bekeerde mensch tot kenbeginsel wordt gemaakt, kan ons hier niet helpen. Dan zijn we aangewezen op vrome gemoedstoestanden, gelijk de moderne wijst op het geweten en 't geen de onbekeerde mensch voelt en weet. We krijgen dan zooveel theologieën ais er kerken of personen zijn. Dan zijn we aan het subjectivisme van den bekeerden of van den onbekeerden mensch overgeleverd. Wij, Gereformeerden, hebben te kiezen het volstrekte en niet enkel het „zedelijke" gezag der Heilige Schrift Met de Schrift valt voor den Protestant alle gezag in de reliigie, zooals dr. Bavinck in zijn dogmatiek zoo eenig schoon uiteen zet. „Alle pogingen om dan nog weer een of ander gezag terug te vinden, b.v. in den persoon van Christus, in de Kerk, in de religieuse ervaring in rede of geweten, loopen op teleurstelling uit !"
De vraag aangaande het Schriftgezag gaat vóór de Bijbel-critische vragen (dit wordt gezegd aan het adres van de ethischen). Gods Woord is autopistos, dat is : het heeft gezag in zichzelf door zijn eigen goddelijkheid, wat wij weten door het getuigenis des Heiligen Geestes en dit getuigenis mag niet afhankelijk gesteld worden van een zgn. blootwetenschappelijk onderzoek. De kwestie tussclien ons en de ethischen is een reliigieuse en Christelijk - wijsgeerige, niet een historische kwestie. De vragen van de zijde der Bijbelcritiek geopperd, mogen natuurlijk niet met een „dogmatisch" handgebaar terzijde geschoven worden. En het is wel jammer .dat b.v. een man als prof. Noordtzij te Utrecht of de professoren der Vrije Universiteit hier zoo weinig hebben gepresteerd ; waarbij het werk van dr. Hoedemaker gunstig afsteekt. Hier ligt een ernstige taak eenérzijds-ter verdediging, anderzijds Ier nadere preciseering en wellicht óók corrigeering van onze leer aangaande Schriftgezag en inspiratie. We hebben niet te zeggen •: we kunnen niet anders dan ons uitgangspunt nemen in het subject en we gaan dus uit van het getuigenis des Heiligen Geestes, want we kunnen niet rusten in ons geloof, maar alleen in God door Christus, zooals Hij Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard. We moeten dan ook uitgaan van de autopistia van het levend Woord Gods, dat zichzelf handhaaft, dat optreedt met majesteit en goddelijk gezag en ook op onze ziel beslag heeft gelegd. Dit Woord Gods is het eenige principium cognoscendi, het eenige kenbeginsel der theologie.
Nadat een korte gedachtenwisseling gehouden is, waarbij dr. Kromsigt nog eens betoogt, dat wij, bij erkenning van het inwendig getuigenis des Heiligen Geestes, ons standpunt moeten blijven houden in de objectiviteit van 't Woord Gods en dat wij weer terug moeten naar de autopistia, d.i. .de zelfgeloofwaardigheid der Schrift, welke volstrekt geen dor wetboek is, maar een levende bron, —wordt in de morgenvergadering nog - goedgevonden, dat het voorloopig Moderamen nog een jaar zal blijven, aangevuld met nog twee leden. Het bestaat nu uit : dr. G. Oorthuvs, dr. P. J. Kromsigt, ds. L. W. C. Ekering, ds. J. H. F. Remme, dr J. C. Locher en ds. M. van Grieken.
In de middagvergadering trad dr. J. Severijn van Dordrecht op, die sprak over praedestinatie en verantwooordlijkheid.
Daarover de volgende week nog een enkel woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's