De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

„AIIe dingen zijn mogelijlk, dengene die gelooft." Marcus 9 vers 23b.

Gelooven en kunnen.

II.

Wij zagen dus Jezus Woord en de praktijk.

Nu Is er ook nog een andere zijde aan dit vraagstuk. 

Naast de practische zijde letten wij in de tweede plaats op de theorie, of de leering idoor Christus uitgesproken in 't belang Zijner discipelen.

Die jongeling is intusschen al beter. Voor hem behoeven we geen zorg meer te hebben. Christus heeft het alles in orde gebracht, door genadige ontfermiing en goddelijke kracht.

Het klein geloof van den vader was voor Jezus evenmin een verhindering geweest, als zijn groot geloof er middel toe geweest zou zijn.

Almachtige kracht greep hem bij de hand, deed hem ontwaken, zette hem op de voeten, genezen, gezond, normaal.

Schoon dood gewaand, is hij tot het leven teruggebraoht.

En de vader is verblijd. Begrijpelijk. Zijn smart is genezen, zijn breuk geheeld, zijn gebed gehoord, zijn kind behouden.

En de Farizeen, die kibbelende, wangunstige, vijandige lieden, die de eere der mensohen stelden boven de eere Gods en verheerlijking van Christus, zij zijn afgedropen ; weer „een strop", weer bedrogen uitgekomen met hun waanwijsheid en eigenliefde.

Maar nu komt de toepassing. Door een vraag der discipelen, als zij Hem „alleen" hebben, de vraag : „waarom hebben wij het niet gekund ? "

Want zij begrijpen het niet. Zij hadden toch de wijsheid gekregen en de macht, zij hadden het geprobeerd, nog eens en nog eens, dan zus, dan zoo. En alles was mislukt.

Hoe kan dat nu ? Hoe komt dat toch ? Ach, dat spijt hun zoozeer ! Dat ze zoo'n slecht figuur hadden gemaakt.

Leelijk fiasco geslagen. En wie wil dat ? Wie lijdt er gaarne Fiasco tegenover de wereld en de vijanden ? 

Bovendien, de Heiland had het hun toegezegd bij de uitzending.

En zij hadiden het menigmaal ervaren. Hoe verheugd waren ze wel teruggekomen met de betuiging, uiting van blijde vreugd, over verkregen zegepraal : „zelfs de duivelen zijn ons onderworpen geweest !"

„Rabbi, Meester, zeg het ons !" En dan hebben we tweeërlei ant­woord. Bij Mattheus dat scherpe woord der bestraffing eerst : om uws ongeloofs wille. En bij Marcus dat milder geformuleerde : „dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door vasten en bidden.' Ik heb weer dezelfde opmerking als straks, bij het antwoord aan den vader : bevredigt dit woord ons bij het eerste hooren ? Lag het dan werkelijk alleen aan dé discipelen van Jezus ? Is het een antwoord voor het speciale geval en direct aan het adres van de jongeren ?

Ieder gevoelt, bij Marcus is dat zeker niet zoo, daar hebben we de algemeene formuleering, het antwoord in het generaal.

En ik vestig daarbij uw aandacht op het tweeërlei gebruik van het woord „geslacht."

In het eerste geval staat er in het Grieksch „genea" ; dat beteekent : geslacht in den zin van tijdgenooten of afstammelingen.

En hier staat het woord "genos", dat beter, vertaald ware door "slag" of „soort", waarbij Jezus doelt op den aard van het bijzondere geval, en op de bijzondere duivelsche macht die hier openbaar was geworden.

Verschillende gevallen eischen een verschillende wijze van genezing.

Maar zulke heel ernstige, in-boosaardige krankheden, geweldige satanische operaties dan toch zeker een bijzondere behandehng tot genezing van den patient.

Doch ook dit nog er bij. De Heiland doet uitkomen, dat hier geen op zichzelf staand feit is, geen acuut geval, maar een voorbeeld van 'n blijvend verschijnsel, dat alle geslachten door weer zich zal openbaren onder de menschen.

En zoo gezien, wat kan dan alleen het middel zijn om de uitvaring der geesten te bespoedigen, om de uitvaart te bezingen ?

Eén middel slechts, o discipelen van Jezus !

Tegen deze chronische kwaal, deze blijvende ramp, deze altijd weer voorkomende openbaring van duivelsche overheersohing is maar één remedie. En dat is vasten en bidden !

Dat is een gedurige zielsworsteling en levenswijding in afzondering en gemeenschap met den Heere ; jaren van strijd, nachten van tranen, zuchting en gebed. Een aanhouden, een volhouden bij den eenig Machtige, die bekwaam en bereid is om te genezen en te sterken'.

Een momenteel ingrijpen baat hier niet een geniale kunstbewerking geeft geen blijvende genezing. Zoo opeens komt dat niet klaar, al zou de hand, en de macht, het hart en het gebed van de kundigste en meest ervaren, zelfs van de diepst ingeleide der discipelen hieraan te pas komen.

Altijd weer medicineeren ! Want dat slag vaart niet uit. Dat geslacht is onuitroeibaar. Die machten heffen het hoofd weer op en vallen aan met verdubbelde kracht.

Eén strijdmethode blijkt slechts de gezegende en de zegenrijke te zijn : vasten en bidden.

Dat is een moeilijke les voor al de discipelen van Jezus, dat is een harde, wreede boodschap voor alle kinderen

Gods. Zoo vaak wordt de zucht gehoord : zal dan het leed nimmer eindigen ? zal Satan dan nooit zijn prooi loslaten ? zal hij het nimmer overgeven ? En het eenige hemelsohe antwoord is : bidden en vasten, strijd ten bloede toe, blijvende tegenstand tegen zonde, satan en diep verderf ! Altijd weer, altijd weer met vernieuwde kracht, opdat eindelijk, eindelijk en ten slotte, misschien eerst bij de ure des doods, de zegepraal volkomen zal zijn, en de aangevochten en bestreden, fel geprangde en vreeselijk bestookte ziele, die onder moest liggen in smadelijke en smartelijke nederlaag, in Hem, den Kopvermorzelaar van den helschen draak zou triompheeren, en alleen alle eere Hem, en Zijn macht zal bewezen worden.

„Vasten en bidden !"

O, mijne Geliefden, laten wij het ons eens voor gezegd houden.

Waarom breekt er zooveel geestelijk goed opgezet werk bij de handen af. Valt er zooveel in duigen, wat goed bedoeld en eerlijk begonnen en in Gods kracht ondernomen was ?

Eén antwoord slechts ! Omdat er geen geloof was en geen volharding en geen gebed.

Waarom is er in onze dagen zoo weinig echt, gedegen, goed geloofsleven ?

Als bij de vaderen, in vorige tijden ? Het antwoord is : omdat er één ding ontbreekt, n.l. blijvende geloofsoefening.

De oude, vaak aangeprezen middelen tot het leven der heiligmaking en de vreeze Gods zijn nog niet verouderd, maar in allen geestelijken strijd probaat gebleken : zelfbeproeving, meditatie en gebed.

En daaraan ontbreekt het helaas al te zeer in onzen drukken, haastigen, woeligen tijd, met al zijn revolutiebouw ook op geestelijk gebied. Dat wreekt zich. En zal zich blijven wreken.

Waarom is er zoo weinig vordering in de genade, terwijl Gods Woord aanprijst het opwassen en het gefundeerd worden en het toenemen in de kennis en in de genade Gods ?

Omdat er twee aanslagen gedaan worden in onze dagen op het geloofsleven der kinderen Gods, van de zijde der goddelooze wereld met haar verleiding, (doch deze is de ergste niet !) maar ook van de zijde der vrome wereld, die de surrogaten op de geestelijke markt aanbiedt, en de namaak der godzaligheid voor het echte wil van de hand doen.

Nog eens, waarom dit alles ? Omdat er geen geoefend, gerijpt geloof is. Daarom is er ook geen vasten en gebed. Daarom geen standhouden tegen den vijand, die in allerlei gedaante optreedt.

Mattheus zegt: om uws ongeloofs wille. Dat is hard gezegd. Maar het is waar. Waar is het zelfs van Jezus' discipelen. Want volgens den Hebreënbrief is al­les, dat niet uit het geloof is, zonde. En ik geloof dat onze vaderen daarom den kinderen zoo'n breede leer over het valsohe en zaligmakend geloof hebben 'gegeven om hen vroeg te wapenen tegen de duivelsche verleiding in allerlei wegen van tijdgeloof en dergelijken. Voorwaar, één medicijn, n.l. geloof, en dat geloof geoefend en gesterkt doorvasten en bidden. Zoo gezien, verstaan wij het woord, dat Mattheus er bij voegt, als hij zegt : „zoo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, zoudt gij tot dezen berg zeggen : wordt opgenomen en in zee ge­worpen!" Een wonderwoord, onverstaanbaar en onbegrijpelijk voor den natuurlijken mensch, maar voor Gods kinderen om naar te snakken en te hunkeren, om te begeeren en te beoefenen.

Neen, 't zit hem niet in het groote, in het bombastische, effectmakende, zinnenverblindende, maar in het echte, eenvoudige, veerkrachtige, zielssterkende, waarbij geestelijke menschen door geestelijke oefening hebben overwonnen.

En dan vraagt zulk een geloof niet meer : zou het wel in Gods weg zijn en naar Gods wil, maar dan weet dat geloof : Hij kan het en Hij zal het. Dan verstaat de ziel : 't is Gods tijd dat Hij arbeidt, en door Gods Geest geleerd ziet ze, dat alles klaar ligt, dat Hij doorgaat en het zeker zal voleinden.

Daarom zucht Jezus over Zijn geslacht, en klaagt Hij Zijn tijdgenooten aan. Over dat gebrek aan geloof. 't Was hun fout en het is ook de onze. Met begrippen en stelsels over den godsdienst komen wij er niet.

Duizenden in onze dagen zijn nog orthodox in de leer, maar hoe orthodoxwereldsch, of reohtzinnig-kerksch, of kerksch-vróom, zonder geloofsleven en geloofswerkzaamheden, zonder toevluchtnemend geloof en zonder welverzekerd geloof zullen zij eenmaal met al hun verstandsgodsdienst en al hun oppervlakkig Christendom bedrogen uitkomen.

Deze vader maakt duizenden beschaamd. Hij waagt het er op, gaat zooals het gaat, maar hij bereikt zijn doel, en ontvangt Zijn zegen.

Verstaan wij, dat onze tekst zoo in het rechte licht komt te staan ?

„Zoo gij gelooft ! Alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft !"

Want dat geloof venzet de bergen in het hart van de zeeën.

Dat geloof laat God werken een als Almachtig en onwederstandelijk, allesoverwinnend werk.

Dat geloof brengt den zegen mede, die den volkomenste vrede geeft aan hart en leven.

Hebreen 11 zegt het duidelijk genoeg : door het geloof ! En is dat niet bewaarheid de eeuwen door ? Door al die geloofshelden, en door de geheele wolke der getuigen die wij rondom ons hebben liggende ?

Neen, dat geloof kan nooit te veel verwachten. Door dat geloof vermogen wij alle dingen.

Want het omhelst een almachtigen God, een levenden Christus, een Werkmeester, die waarlijk geen half werk doet.

Zelfs, de Schrift geeft het aan die zóó gelooft, zal de heerlijkheid Gods zien !

Want dan ligt de onmachtige zondaar aan de heilige voeten van een machtigen en getrouwen Zaligmaker.

Dan aanschouwt Hij Zijn wonderwerk der genade. Dan leeft hij in een andere wereld, der geestelijke dingen. Dan ligt de aarde onder den voet, en stijgt de ziel hemelwaarts, vanwaar hem de heerlijkheid Gods omstraalt.

Door geloof, vasten en gebed. in een andere atmosfeer. Langs een beteren weg. Tot een zalig leven.

„Alle dingen mogelijk dengene die gelooft."

Nemen wij dat korte woord nu eens mede, zoo veelzeggend en rijk van beteekenis, toegedicht uit de praktijk en door de theorie.

En passen wij dat nu eens dagelijks toe op al onze levenstoestanden en verrichtingen.

Weet gij wat wij dan zien?

Dan zien wij dat wij zulke dood-arme menschen zijn, terwijl wij rijk konden wezen.

En dat wij zullke geestelooze menschen zijn inplaats van mannen en vrouwen des Heiligen Geestes en der kracht Gods.

Wat is het noodig, dat wij elkaar prediken ons gebrek, onze armoede, onze doodschheid ! Dat wij elkaar leeren ons ongeloof.

De meesten zijn er niet aan ontdekt. Daar zijn ze maar niet achter.

Veeleer meenen zij dat zij als geloovigen geboren, gedoopt zijn, lidmaat geworden en gehuwd zijn, om zoo voort te leven en straks te sterven.

Wat zal de ontzettende teleurstelling dan groot zijn, als het zelf- en zielsbedrog te laat ontdekt, betreurd en bejammerd zal worden.

Nog roepen wij u toe : zie dat gij van nature in ongeloof zijt, en daarom in vijandschap en in bitteren jammer.

Maar dan voegen wij er aan toe : hoor dan ook de prediking van Gods genade, dat er nog een Heiland is, die het bewezen heeft, dat Hij alles vermag.

Hij kan het alleen. Zelfs de meest booze geest werpt Hij uit het hart, en van wat kwaal gij ook bevangen zijt en welke satanische overmacht u er onder houdt, vliedt slechts tot Hem, en Hij zal u redden.

Dit is de eenige prediking, die leidt tot den zegen : kom, zooals gij zijt, al mankeert er nog zooveel aan, al ontbreekt er alles aan, al hebt gij over alle soorten van ongeloovigheid te klagen, als die vader met zijn kind, tot Hem alleen, als de discipelen met hun zielsvragen, tot Hem alleen !

Privaat-onderricht wordt op Jezus' school gegeven aan alle hulpbehoevende zielen.

Klaagt uwe klage maar, „dat we geen volkomen geloof hebben" (Avondmaalsformulier) en zoekt bij Hem het zaligste leven in de vreeze van Zijnen Naam.

Wilt gij gezond worden ? Gezond in de leer ? Gezond in het leven ? Gezond worden en blijven ? Tot de bron van het Water des Levens !

Om niet wordt het gegeven ! Tot zaligheid wordt het genoten ! Ten slotte.

Een prachtige les voor disputeerende theologanten en kibbelende schriftgeleerden.

Jezus komt van den berg af. En dan heeft Hij maar één vraag.

„Hebt gij persoonlijk geloof ?  Dan is de discussie afgeloopen. Dan begint de meditatie, en stijgt bet gebed : „Heere, vermeerder mij het geloóven."

Ja, dan voert Hij de zielen op uit de onzalige atmosfeer van een wereldleven met onmacht en ellende, en Hij brengt ze op den berg der Godsverheerlijking, waar de zuchtende, zoekende, aanbiddende ziele stamelt :

„Heere, ik .geloove!" Amen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's