Stichtelijke overdenking.
Ik delg uwe overtredingen uit als eenen nevel, en uwe zonden als eene wolk. Keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost. Zingt met vreugde gij hemelen, want de Heere heeft het gedaan ; juicht gij benedenste deelen der aarde, gij bergen maakt een groot gedreun met vreugdegezang, gij bossohen en alle geboomten daarin, want de Heere heeft Jacob verlost en Zich heerlijk gemaakt in Israël. Jes. 44 : 22, 23.
Reden tot Blijdschap.
Hoe groot is de breuk, die door de zonde tusschen den Heere en den mensch is geslagen!
Adams kroost is van nature den booze toegevallen! Het keert zijn rug naar het goede.
De natuurlijke mensch onderwerpt zich niet van harte aan Gods gebod en 's Heeren woord. Hij staat er vderkant tegenover. Hij verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Ze zijn hem een dwaasheid. Naar eigen goeddunken en maar eigen wijsheid wil jij handelen.
Hij wil zijn hoofd niet ontblooten, maar zich zelf kronen. Hij wil zijn handen niet vouwen, maar zijn eigen zaligheid bewerken.
Hij wil geen discipel zijn, maar Meester. Hij wil geen dienstknecht zijn, maar vrije.
Die booze natuur blijft zelfs Israël eigen. Als ik het goede wil doen ligt het kwade mij bij, zegt de apostel. Ook hij hen glijden bij tijd en wijle de voeten uit, ongedurig als ze zijn. Zeker de heerschappij van den Boze is gebroken in hen, maar de strijd is nog niet gestreden. De booze loert met uitgestrekten schepter voortdurend op hen, om ze in zijne valstrikken te drijven. Zij ondervinden een machtigen tegenstand en hebben een zwaren kamp te doorstaan. Van meet af aan met den zondeval is hij begonnen 's Heeren woord dn twijfel te trekken en de leugen te stellen tegenover de waarheid. Steeds gaat hij daarmede door. De resultaten van zijn vernielingswerk zijn vaak verbijsterend.
De profeet Jesaia geeft ons een beeld van zijn macht onder Israels volk, dat zoo zeer door den Heere was gezegend. De boosheid van Israël was zoo groot, dat het licht was weggenomen. Hunne zonden waren saamgepakt als een wolk hunne overtredingen waren zoo dicht als een nevel. En dat, waar de Heere hun tallooze verleende eer-en gunstbewijzen had getoond!
Zegt de Heere van dat volk niet, terwijl Hij hemel en aarde tot getuigen neemt: „Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar ze hebben .tegen Mij overtreden"?
Klaagt Hij niet: „Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns heeren, maar mijn volk verstaat niet. Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen"?
Vangen wij niet de roerende klanken van 's Heeren heilige lippen op: „Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken, het gansche hoofd is krank en het gansche hart is mat van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar woorden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn en geen derzelve is met olie verzacht"?
't Is hopeloos nog iets van Israël te verwachten. Het werkt den Heere, zooveel het kan, tegen.
Maar bezie nu de keerzijde van de medaille!
Zie, tegenover satan's macht, tegenover de werkelijkheid der feiten van zonde en afval, tegenover de vreeselijke zuchten, die de Heere slaakt, staat daar verder in onzen tekst de eerlijke poëzie, de zalige jubel, de prediking van licht en liefde, van vrede en blijdschap, waarbij hemel en aarde andermaal tot getuigen worden aangeroepen: „Zingt met vreugde, want de Heere heeft Jacob verlost en zich heerlijk gemaakt in Israël."
De Heere had Israël eerst geslagen, en toen beschenen met Zijne liefde. Toen de orkanen van Gods toorn bulderden, om ze het zondige kleed uit te trekken, hadden zij zich verhard en het eigengereohtige kleed vaster aangegord, zooals de reiziger zijn strijd strijdt tegen de elementen dër natuur. Nu was Gods ontferming nedergedaald en met de warmte Zijner liefde had Hij het beschenen en nu kon Israël het niet langer uithouden, nu werd het eigengerechtige kleed uitgetrokken, zooals de reiziger zich van zijn kleed ontdoet bij de warme zonnestralen.
„Keer weder tot Mij" zoo roept Hij, „Ik heb u verlost". De reden ligt in Hem zelf. Zooals door den nevel en de wolken heen het licht breekt en de regenboog zich vormt, het teeken van Gods verbond en ontferming met zondaren, zoo breekt door de wolken en nevel van Israels zonden en ongerechtigheden het licht van 's Heeren liefde heen en gedenkt de Heere aan Zijn verbond met Abraham en zijn zaad, wetend, wat van Zijn maaksel is te wachten.
Hij ontfermde zich hunner! Vandaar die zang der vreugde. De reden lag in den Heere. „De Heere heeft het gedaan". Let daarop.
Dit is nog immer het lied van 's Heeren kerk. Niet zij, maar Hij. De Heere!
Satan heeft groote overwinningen behaald. Maar de Heere overwint de machten der hel!
In het Paradijs, dat ongeschonden, onbeschrijflijk schoon was, vergiftigde hij den mensch, het pronkjuweel der schepping en het zondegif deed zijn werking door Adam en Eva in de gansche menschheid. Straks komt de tweede Adam. Ook met Hem bindt hij den strijd aan. Eene ontzaglijke worsteling ontstond. De Allerheiiligste leed. De haat vlamde hoog op, en het slot was dat Gods Zoon roerloos aan het kruishout hing, den dood was Hij ingegaan. Maar Gode zij dank, des Heeren Naam is Ontfermer. Alles is Hem onderworpen, ook de duivelen kunnen zich noch roeren, nooh bewegen zonder Hem. In het Paradijs had de Heere reeds redding beloofd en de slangvertreder, met spot en schande overladen, uitgestrekt aan het kruishout, om onzer zonden wil, wordt uit den dood opgewekt tot rechtvaardigmaking van de onrechtvaardigen. De overwinnaar, de Satan, wordt overwonnen, en de Overwonnene, Christus de Heere, wordt Overwinnaar. De gevangenis wordt gevangen genomen. De wederhoorigen zullen bij den Heere wonen. Zoo kon ook de Booze Israël niet bekneld houden, waar de Heere aan Zijn verbond gedacht.
O, heilbegeerige ziel, wat beeft ge dan langer voor Satans macht ? Christus is de Simson van het Nieuwe Testament, die de poorten der hel in Zijn macht heeft, en 's Heeren arm beschermt de vromen, en redt hun zielen van den dood. Des Heeren sterke rechterhand, houdt door haar kracht Gods volk in stand. Moge Satan machtig zijn, de Heere is de Almachtige !
Wel is ier reden, om ook met vreugde te zingen-:
„Laat ieder 's Heeren goedheid loven ; Want goed is d' Oppermajesieit. Zijn goedheid gaat het al te boven, Zijn goedheid duurt in eeuwiigheid."
De Heere heeft het gedaan.
Wat Hij gedaan heeft ? De beleediging Hem aangedaan vergeven, wetend wat maaksel de mensch is.
Liefde in het hart gelegd. Verzoening tot stand gebracht. Een kruis gehaald door hun sohuld. Onwililigen gewillig gemaalkt.
Och, dat de Heere, die de harten der koningen kan neigen als waterbeeken. Zijn barmhartigheid. Zijn genade, zoo ook over onze Vaderlandsche Kerk, ons land en volk, over het arme Europa, over de gansche wereld moge doen nederdalen.
Hoe tart men Hem ! Hoe wordt Hij onophoudelijk beleedigd! Hoevele afgoden worden gediend !
Hoe maohtig zijn de straffen, en hoe wordt des ondanks de ongerechtigheid nog grooter !
Dat het ons aller bede zij : O, Heere, erbarm U onzer !
Ooh dat gij de hemelen soheurdet ! De Heere heeft het gedaan.
Gedaan, dat is : volbraoht ! Lees dit goed. Er staat niet zal of wil doen, maar heeft gedaan. Er schiet niets te doen meer over. Het werk is volkomen voleindigd.
En wien geldt dit volbrachte werk, dat werk der verlossing, de noodiging tot wederkeering, bekeering ? Jacob— Israël. In zichzelf geteekend als :
Ie. het zondige onheilige volk, maar Hij maakt het heilig;
2e. het volk van zware ongerechtigheid, maar Hij begenadigt het;
3e. het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen, die Hij maakt tot het zaad van Abraham, tot kinderen Gods.
En zoo werkt de Heere nog !
O werkzame, vermoeide ziel, die ondanks uwe inspanning het gebod niet kunt houden, uwe zonde niet kunt vernietigen, den toorn Gods niet kunt afwenden, van Golgotha's kruisheuvel klinkt het, onheiligen, ongerechtigen boosdoeners, over de geheele wereld tegen : „Het is volbracht." Goddeloozen rechtvaardigt Hij. Geen draad hebt gij toe te voegen aan het kleed der gerechtigheid, door Christus geweven. Het is genade, en nog eens genade, genade voor genade. „Uit genade zijt gij zalig geworden, en dat niet uit u, het is Gods gave."
Tot u, die zucht over de opgestapelde zonden en schulden, roept de Heere : „Keer weder tot Mij." Gij arme, gij bedelaar, gij, die niets bezit, dan zonde en schuld, want de Heere heeft het gedaan. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gezonden heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet zou verderven, maar het eeuwige leven hebbe."
Zingt, o, zingt met vreugde gij hemelen. Immers er is blijdschap in den hemd over één zondaar, die zich bekeert.
Zingt, o, zingt met vreugde gij benedenste deelen der aande, gij bosschen, gij bergen en dalen, immers ook de plaatsen waar afgoderij gepleegd is zullen God gewijd zijn, Rahab en Babel zullen naast Zion plaatsen van aanbidding en dankzegging zijn.
Zingt, o zingt met vreugde, o Jacob, o Israël, want de breuk door de zonde slagen, heelt de onwillige en zwakke mensch niet, maar de Heere Zelf, de klove tusschen Hem en zondaren wordt overbrugd door het Kruis van Christus, in Wien de Heere Zijn werk voor Jacobs kinderen volbraoht, en die het dagelijks nog waar maakt, dat Hij het gekrookte riet niet zal verbreken, en de rookende vlaswiek niet zal uitblusschen.
— Amen. —
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's