De Herv. (Geref.) Predïkantenvergaderirig.
Na iets van de morgenvergadering gezegd te hebben willen we nu nog een resumé laten volgen van het referaat door dr. J. Severijn van Dordt, gehouden over „Praedestinatie en verantwoordelijkheid.''
De draad van dit referaat was als volgt :
Er ligt iets strijdigs in de leer der praedestinatie ten aanzien van het besef der verantwoordelijkheid. De moeilijkheid ligt echter niet in het wezen der zaak. De leer der praedestinatie is één stuk des geloofs en ligt op het erf der religie, zeer bepaald op het terrein der positieve Christelijke religie. Als zoodanig is zij onderscheiden van de natuurlijke Godskennisen deel van een bijzondere gnosis. De Dordtsche leerregelen gaan dan ook zeer terecht uit van het factum peccati (feit der zonde), waarmede, zij midden in de werkelijkheid staan van Gods staan van Gods soevereiniteit 's mensen verantwoordelijkheid. Slechts in het eeuwighèidslicht, dat de Heilige Geest ontsteekt in den homo lapsus (gevallen mensch) kan dit worden verstaan In dat licht wordt de religie van Christus die Religion der Erlösung en Religion der Persönlichkeit. Het probleem is slechts probleem voor het denken, dat naar de eenheid georiënteerd, het dualisme tracht uit te bannen. De geschiedenis der nieuwere philosophie heeft aangetoond dat de tweevoudige waarheid van Thomas van Aquino steeds verder uiteenging. De wijsbegeerte heeft getracht de religie in zich op te nemen en kon op den duur geen levensmacht blijven. Haar ontbreekt een vaste bodem der ethiek. Deze is alleen in de religie te vinden. Drews oordeelt dat de philosophie weer levensmacht moet worden en noemt als resultaat van de speculatie sedert Kant : die Philosophie der Zukunft kann nichts anderes sein als Philosophie des Unbewussten. In de idee van de onpersoonlijkheid Gods ligt het gronddogma van de religie der toekomst.
Voor ons is daarmede in den grond gebroken met religie en daarmede alles opgelost, omdat er niets meer op te lossen is. Zulk een wijsgeerige Godsidee is echter vrucht van het subjectivisme. Het is slechts de hypostase van het niet gekende, geponeerd als het niet-ik. Dit moest leiden tót de philosophie van het onbewuste.
De religie verheft zich in een wereld van andere orde, een geestelijke realiteit, welker middelpunt God is. In, het goddelijke bewustzijn ligt het archetype van den kosmos, naar 't welk deze werd gecreëerd en nog wordt onderhouden. Zoo ligt dus in God ook een archetypische kennis der wereld, welke tot openbaring bestemd op onderscheidene wijze geopenbaard wordt, waaraan dus weer onderscheidene ectypische kennis beantwoordt in het creatuur. Hierdoor is de kennis des geloofs onderscheiden van die der wijsbegeerte. In het licht der bijzondere openbaring wordt de God der religie gekend als de almachtige Schepper en als de persoonlijke Godheid. Daarom is de religie dualistisch van karakter. Het monisme is de dood voor de religie. Het adoreert een fetisch van het ongekende geheimvolle leven. Vergeefs streeft het naar de zelfbewuste vrije handeling, het jaagt een beeld der vrijheid na, maar wordt besloten in den mechanischen causaalnexus. Het geloof schouwt alles in het licht van Gods souvereiniteit en vindt de vrijheid in een nieuwe gehoorzaamheid. Niet als een onderwerping aan de necessiteit der necessiteit (Spinoza) maar in de verwezenlijking van de bestemming. Overal verheffen zich de muren van Gods ordonnantiën. Men is niet vrij om door een muur te loopen, doch indien men den muur vermijdt, kan men vrij loopen. In gehoorzaamheid ligt 's menschen heerschappij.
Vooral Schelling heeft zich moeite gegeven om het probleem der zedelijke vrijheid te verklaren. Hij kan het kwaad slechts mogelijk achten, indien in God iets is, dat God zelf niet is. Dus voert hij in dien zin het dualisme door tot in het wezen Gods. Uit den duisteren wil en den universeelen wil Gods komt hij tot den strijd van den particulieren en universeeler wil in de wereld. Feitelijk komt dus het boöze uit het onbewuste. Hij grijpt de hoogere synthese niet, die aan het theïsme der religie eigen is.
De theologie matigt zich niet aan het vraagstuk van de zuivere rede tot klaarheid te brengen. De wereldregeering Gods in het psychisch organisme ontgaat aan onze kennis, doch het geloof erkent ook daar de souvereiniteit Gods, zonder dat de natuur van het zedelijk leven wordt gekrenkt. In het licht van Gods souvereiniteit valt echter juist het volle gewicht, op 's menschen verantwoordelijkheid, buiten den souvereinen wil Gods is deze onverklaarbaar. Daarom maakt de leef der praedestinatie geen zorgelooze en goddelooze menschen. Het cor ecclesiae (hart der Kerk) mag niet verwaarloosd worden in de prediking. De belijder der praedestinatie meent niet beter te weten, wat voor de kerk goed is, dan de Koning der Kerk. Om dezelfde reden moet het Woord gehoorzaamd, ook in de oefening der tucht. Indien de mannen der praedestinatie hun verantwoordelijkheid bewust zijn, en hierin getrouw zijn, zal het blijken, dat de kerk geen volkskerk is, maar dat God zijn Kerk in het volk in stand houdt.
Bij de discussie merkte dr.Kromsigt op, dat er wat meer materiaal uit de Schrift zelf had bijgebracht moeten worden, waardoor we dan ook vermoedelijk niet zoo gebleven waren in de afgetrokken, filosofische sfeer. Ds. Buenk had gehoopt, dat de referent er op had gewezen, dat het antwoord Gods in Christus aan den gevallen mënsch tegelijk zijn verantwoordelijkheid in het licht stelt. Ds. Bakker prijst den stijl van het referaat, maar vindt het wat........ meer gewaardeerd hebben, wanneer het principium cognoscendi meer op den voorgrond had gestaan. Dr. Woudstra acht zich door dit filosofisch betoog versterkt in de overtuiging, dat er geen tegenstrijdigheid is tusschen de praedestinatie en de verantwoordelijkheid van den mensch. Dr. Oorthuys herinnert aan de wijze, waarop Calvijn dit leerstuk heeft uitgewerkt en zegt dat het probleem voor ons altijd een heilgeheim zal blijven. Hij wijst er op, dat de oude theologen ook steeds tegen de wijsbegeerte, zoover zij in strijd is met de theologie, te velde trekken.
Dr. Severijn zegt in zijn antwoord, dat hij geen theologische uiteenzetting heeft willen geven, omdat het probleem op religieus terrein geen probleem voor ons is, maar wel een probleem op filosofisch terrein. Wij moeten als gereformeerden buiten het venster durven zien, we staan met onze theologie nog altijd in het jaar 1618, maar ook in de filosofie van de laatste drie eeuwen zit een stuk openbaring, dat in het licht van Gods Woord moet worden beschouwd. Spreker wil dat men vanuit de praedestinatie preekt, wat kan geschieden zonder dat het woord zelf wordt genoemd. Spreker wijst er nog op, dat de oude theologen de filosofen van hun tijd hebben gekend, maar wij zijn dat wel wat kwijt ; wij kennen de oude en ook de nieuwe filosofen niet meer.
De voorzitter betoogt tenslotte nog, dat de toenadering tusschen de groepen hier aanwezig haar natuurlijken gang moet gaan, niet geforceerd mag worden.
Dr. Kromsigt spreekt woorden van dank aan den voorzitter (applaus), waarna ds. Remme eindigt met dankgebed.
Ook wij zouden éeze zaak nu stil willen laten doorwerken, in de hoop, dat het in den vöortgang blijke, dat hier een bodem is, waarop gemeenschappelijk kan worden gebouwd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's