Op Kerkelijk Erf
XXV.
Kerkorde en Confessie.
Hoe zal die staat van verwarring worden herschapen in een welgeordenden ?
Een vraag die velen misschien wel eens een oogenblik ernstig voor den geest kwam, doch door de weinigen, die zich er langer mee bezig houden, niet tot een oplossing werd gebracht, die inderdaad voldoende instemming kon veroveren, wijl zij met recht een strijdvraag werd en in de kerkelijke polemiek menigwerf aanleiding tot bitterheid, die het inderdaad moeilijk maakt steeds aan de edelste drijfkracht te-blijven vasthouden.
Ongegrond idealisme, misverstand, vooroordeel om van erger niet te gewagen, hebben daarin, voortdurend in den weg gestaan om tot een ernstige saamwerking te geraken, terwijl de nood aan alle kanten dringt en de Kerk allengs verzwakt en steeds meer in haar roeping te kort schiet tegenover een wereld en een wereldcultuur, die vijandig aan den waren Christelijken godsdienst wegzinkt in een afgrond van ellende en zedeloosheid. Geen Kerkeraad, die is samengesteld uit mannen, die het op het stuk der belijdenis of omtrent het gezag van Gods Woord oneens zijn, is bij machte in de plaats, waar hij behoort te regeeren, ook maar iets te doen, dat in onze tijden zoo broodnoodig is ten opzichte van zoovele belangen, die om verzorging roepen. Daarvan moet toch ieder overtuigd zijn, die op de hoogte is van den toestand. Men denke aan ds groote steden, die meer dan ooit het volksleven beïnvloeden en degenereeren.
De beginselen van de moderne werelden levensbeschouwing, die het hedendaagsche cultuurleven beheerschen hebben het geloof in de Heilige Schrift reeds sedert lange jaren overwoekerd. De antithese tusschen de nieuwere denkbeelden en de belijdenis van het gezag des Woords bestaat voor de wetenschap zelfs niet meer. De moderne geest acht dat standpunt overwonnen. De belijdenis der Kerk van Christus wordt gewaardeerd als een door den huldigen mensch overleefde en voor hem verouderde dogmatiek. Aan dat oordeel staat de Kerk mede schuldig en nog dagelijks neemt haar schuld toe, naarmate het aan den dag treedt, dat de moderne cultuur niet bij machte is om het zedelijk bewustzijn der menschheid te scherpen en een saamleving zonder religie te scheppen. Met een pseudo-religie zal men voortgaan op den ingetreden weg.
Het is inderdaad onverantwoordelijk om zich in strijd-en twistvragen te verliezen, instede van de hand aan den ploeg te slaan. Wat baat het elkander zwart te maken en allerlei beschuldiging ten rechte en ten onrechte naar 't hoofd te werpen en verder geen resultaat te verkrijgen dan vertroebeling van een reeds half verloren zaak. Al twistende zal men ervaren, dat hét leven doorgaat.
Wil men daarom aan den strijdzin den vrijen loop laten, dan is de lijdelijkheid boven dat alles geprezen, die ook het eigen gemoed niet verontrust, dan enkel wanneer de ure komt om rekenschap te geven.
Het is daarom te betreuren, dat allen, die zich geroepen gevoelen om hun kracht aan het welzijn der Kerk des Heeren te wijden, niet gezamenlijk optrekken of minstens elkander leeren waardeeren. De nood behoorde te dringen. Zelfs onder degenen, die strijden willen voor het erfdeel der vaderen, zijn er, behoudens anderen, die het anders inzien, voor wie het een zeker genoegen schijnt te wezen om verwijdering en hatelijkheid te zaaien. Weinig nut kan althans een optreden uitwerken, zooals men dat kan waarnemen van den eindredacteur der „Gereformeerde Kerk", die er steeds op uit is al wat van Gereformeerde zijde geschiedt, te plaatsen in het licht van separatisme. Dat hij in kerkelijke vraagstukken een andere meening is toegedaan dan de onze, zal niemand hem euvel duiden, evenmin dat hij zijn meening tracht te verdedigen, maar of hij recht heeft om in onze woorden in te leggen wat er ganschelijk niet in is geschreven, mag toch zeker worden betwijfeld. Het is ons trouwens om den strijd niet begonnen en wij wenschen allerminst voet te geven aan hatelijk krakeel om de verwarring niet nog grooter te maken. Daarom zouden wij ds. L. alleen willen raden goed te lezen en als hij citeert volledig te zijn. Hij zal dan zien, dat wij in het door hem bedoelde artikel en ook in den door hem gewraakten zin in 't geheel niet hebben gezegd, dat de Synodale organisatie aan de Hervormde Kerk een bevoorrechte positie heeft bezorgd, doch wel, dat zij het ideaal van een volkskerk heeft versterkt. Een tweede zin, die den schrijver schijnt te hebben geprikkeld, gaat over de mogelijkheid van tuchtoefening op de leer. Wij schreven ^)': „Kon zulks geschieden, dan zou ook de Kerk in haar leden overwegend een belijdend karakter dragen, wilde men die echter van bovenaf opleggen, dan zou men noodwendig geraken tot 'n stelsel, dat de rechten der plaatselijke gemeenten zou krenken of een deel ontevredenen uitdrijven, dat van de opgelegde prediking niet zou gediend zijn." Het laatste gedeelte van deze zinsnede neemt de schrijver niet over. Het is trouwens duidelijk dat iedere tuchtoefening een deel der Hervormden zou uitdrijven, indien zij werd doorgevoerd. De schrijver neemt echter aanstoot .aan dat gedeelte, dat voorafgaat : „wilde men die (tuchtoefening) van bovenaf opleggen, dan zou men noodwendig geraken tot 'n stelsel, dat de rechten der plaatselijke gemeenten zou krenken." Vooreerst is het luce clarius, dat iedere van boven opgelegde maatregel in een toestand, waarin thans de Kerk zich bevindt, zich aan zulk een krenking schuldig zou maken. Even klaar is het, dat in een welgeordende Kerk van boven opgelegde maatregelen niet voorkomen, wijl de vergaderingen van onder naar boven worden geformeerd en de hoogste vergadering dus besluit krachtens wettig kerkelijk gezag en overeenkomstig de belijdenis der Kerk. Stelt men zich echter de huidige Kerk voor oogen met haar plaatselijke gemeenten onder het regime der leervrijheid, en stel daarbij dat van bovenaf handhaving der leer wordt gedecreteerd, zal dan niet blijken, dat de plaatselijke gemeente ook een woordje heeft mede te spreken over de leer ?
Te meer nog, waar dit op welgeordende wijze sedert 1618 niet is geschied en sedert 1816 ook practisch onmogelijk was ? Men leze in de „Gereformeerde Kerk" van 12 October, wat het artikel over „de Kerkelijke kwestie" omtrent deze materie schrijft. De schrijver leest nu, dat wij een autonomie der plaatselijke gemeente op het oog zouden hebben, waarbij zij zoo ongeveer haar eigen leer zou kunnen vaststellen. Wie ons Gereformeerde volk van zulk een subjectivisme verdenkt, moet wel overal separatisrhe vreezen en het thuis brengen bij de Libertijnsche geesten. En indien de Gereformeerden inderdaad zoo waren, moesten zij wel gebroken hebben met de Waarheid door God geopenbaard en slechts leven bij subjectieve opvattingen der waarheid. Zij, die ons echter in den Libertinistischen hoek willen drijven, komen dan wel voor een raadsel der historie te staan, als zij bij de gebeurtenissen van 1886 worden bepaald. Immers indien de Gereformeerden door hen recht beoordeeld worden, moesten zij zich in de practische leervrijheid der Hervormde Kerk wonderwel thuis gevoelen en dan blijft het onverklaarbaar, dat zij streven naar verbetering en evenzeer, dat zij zich voorheen hebben afgescheiden in nieuw kerkelijk verband. Hun separatisme zou dan toch slechts behoeven te leiden tot het vormen van kringetjes, waarin ieder vond, wat hij begeerde en daarmede uit. Daarmede zouden zij dan ook inderdaad zijn afgeweken van de Heilige Schrift en in strijd met den eisch van gezond kerkelijk leven zijn.
Anderzijds wordt men niet moede ons op de doleantie van '86 te wijzen, soms zelfs met een drang, als wilde men den gereformeerden zoo ongeveer zeggen : „Gij moet gaan." Dat schijnt de eenige consequentie. Men begrijpt niet, dat zulks ganschelijk niet wordt gezocht noch bedoeld. „En wie dat niet erkent, dat onze Kerk is een Gereformeerde Kerk, wat doet die als Gereformeerde nog langer in onze Kerk", zoo vraagt ds. L. Hij grondt zijn bewering, dat de Hervormde Kerk een Gereformeerde Kerk is, n.l. op art. 11 Van het Algemeen Reglement en eischt: dat hebt gij ook te erkennen en anders is er voor u geen plaats. Wij meenen juist, dat art. 11 ons een plaats in de Kerk geeft en voorts is liet voor ons van meer beteekenis, dat er nog een Gereformeerd volk in de Kerk mag worden gevonden, ook al kan de werkelijkheid ons niet anders doen zien, dan dat de Hervormde Kerk als Kerk zich niet als Gereformeerde Kerk openbaart en zich, zoolang geen verandering wordt gebracht, ook niet als zoodanig openbaren kan. Onderstellen wij toch, dat de Synode de kwestie van de belijdenis eens aan de orde stelde, dat de Hervormde Kerk, zooals zij thans is, zich over de leer zou uitspreken, waaraan dus alle richtingen zouden deelnemen. Zou men dan inderdaad meenen, dat de uitspraak der Kerk, de vaststelling der belijdenis inderdaad zou overeenkomen met wat er leeft in de levende gemeente des Heeren ? Zou het volk, dat een levenden Christus belijdt, inderdaad gezag kunnen toekennen aan een belijdenis, waaraan in niet geringe mate vrijzinnige godgeleerden zouden hebben mede gearbeid ?
Indien men zulk een weg zou willen ingaan en aan de Kerk, zooals ze thans bestaat, zulk een gezag zou willen toekennen, dan hebben de Hervormers toch wel het voorbeeld gegeven van ongereformeerd te zijn, toen zij tegen de Kerk in verzet, kwamen. Doch blijkbaar hadden zij een andere voorstelling van de Kerk dan het pausdom en zagen het wezen der Kerk van Christus op andere wijze, dan de openbaring, die zij in de Roomsche Kerk waarnamen, zou kunnen, leeren.
En wat de separatie van 1886 betreft, hoezeer wij de doleantie als zoodanig betreuren moeten, als separatie was zij noodzakelijk, als afzonderlijke Kerkvorming zouden wij die liever niet hebben gezien. Wij zouden zeggen, de afscheiding had aan den anderen kant behooren te vallen. Wie zich rekenschap geeft van den staat, waarin ons volk verkeerde na de Fransche Revolutie en onder den invloed van een liberalistische politiek, zal kunnen verstaan, hoe wij dit bedoelen. Toen behoorde het Nederlandsche protestantsche volk massaal tot èèn Kerk. Doch gelet op de gisting in het geestelijk proces in de vorige eeuw, moest het bij de herleving van het oudvaderlijk geloof uitloopen op de antithese tusschen de beginselen der revolutie en wat daartegen zich stelde. Wij denken hier aan het optreden van Groen van Prinsterer. Naarmate het anti-revolutionair beginsel veld won en aanhang verkreeg, moest het volk in twee hoofdgroepen uiteengaan en wijl de diepste levensbelangen daarbij op het spel stonden en de tegenstelling opkwam uit die geestelijke factoren, die in het geloofsleven werkzaam zijn, moest dus op kerkelijk terrein de splitsing zich openbaren, te meer, waar dat uiteenbrekend volk in èèn Kerk, althans overwegend, was saamgebracht. Lang vóór de doleantie was dit waar-te nemen. Uit dit proces kwam de doleantie op. Maar ook zonder die ware de eenheid gebroken op de controversen, schoon de ontwikkeling van het proces wellicht zonder de nieuwe Kerkformatie der Gereformeerde Kerken de Hervormde Kerk als Gereformeerde Kerk aan het licht had kunnen brengen, doch ook dan niet zonder verlies op den linkervleugel van 't volk.Zelfs de Roomsche Kerk is niet bij machte ook innerlijk haar eenheid te bewaren in het volk, getuige de politieke partijen in Roomsche landen.
Met het oog op de ontwikkeling van het historisch proces zien wij niet de Gereformeerde Kerken al? de voortzetting van de oude Nederlandsche Gereformeerde Kerken, maar alle Gereformeerden, hoe zij kerkelijk verdeeld liggen, als de nazaten van de Kerk der vaderen. Wat de belijdenis betreft hebben zij kerkelijk geen ander fundament dan de belijdenis van Dordt, terwijl zij daardoor gebonden innerlijk èèn zijn, door de erkentenis van het gezag van Gods Woord, zooals dat in de belijdenis der vaderen werd uitgedrukt. Daardoor staan zij niet alleen in besliste antithese met den geest dezer eeuw, maar vormen de Kerk, wijl aan het Woord van den Christus gebonden, schoon deze jammerlijk verdeeld en verscheurd in de worsteling van den tijd, zich machteloos vindt in den kamp van zondigen partijstrijd en kerkisme.
Hoeveel meer kracht zou er van ons Gereformeerde volk kunnen uitgaan, indien het ook kerkelijk Gereformeerd kon leven. Juist door de verdeeldheid der Gereformeerde Kerk, kan zij zich niet uitspreken, terwijl dit op zoovele punten noodig is. Vele vraagstukken kwamen in het proces der geestelijke ontwikkeling op, die om oplossing vragen in het licht van Gods Woord. Doch zoolang de Kerk, die zich aan de positieve belijdenis van den Christus der Schriften vasthoudt, in haar verdeeldheid geen weg vindt om als geheel zich daaromtrent uit te spreken, blijven wij in de verwarring en onzekerheid. De scheidsmuren der kerken zien wij niet voorbij, zij zijn er, doch een geestelijke eenheid hebben wij op het oog, die over de muren heengaat en die er ook inderdaad is, waar de Kerk des Heeren is. Die Kerk behoort zich te doen hooren. Niet wat een groep beweert, heeft kerkelijk gezag, zelfs wat de Hervormde Kerk, ook al beschouwt men die als Gereformeerde Kerk, zou uitmaken, kan zonder meer niet als uitspraak der Gereformeerde Kerk van Nederland gelden, omdat er Gereformeerde Kerken buiten haar zijn, tenzij men die niet als Kerk erkent. Die op de Kerk in de belijdenis ziet, zoekt geen separatisme maar de eenheid. Maar daarom kan de oplossing niet gevonden in het stichten van kerkjes, zoomin als de aanvang in het bres schieten der muren. Zij ligt hooger.
O Zie „Waarheidsvriend" 22 Sept. 1922.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's