Financiën.
Postrekening 35683. Telefoon 2379.
Aan mej. den Hartog, Maliebaan 70a, te Utrecht, de chef van onze affaire in postzegels, capsules, zilverpapier, koper lood en aanverwante artikelen, had ik dezer, dagen gevraagd of zij mij eens op de hoogte wilde brengen van den gang van zaken in het bedrijf. Ik veronderstelde, daar zij zich zoo muisstil hield, dat de zaken uitstekend liepen en dat ze wellicht einde November mij met een som zou verrassen, als resultaat van het aigeloopen jaar, waar ik m'n handen vam in elkaar zou geslagen hebben. Ik rekende daarop al stilletjes bij de overdenking van mijn eigen eindcijfer en was daarom benieuwd naar het antwoord op mijn schrijven.
Nu, dat ontving ik dan gisteren. Maar o, bittere ontgoocheling, welk een teleurstelling was dat. Luister maar eens eventjes.
Zeer geachte Penningmeester.
In antwoord op uw schrijven dient dat ik, na alles wat ik ontvangen heb tot geld herleid te hebben, nu een totale ontvangst heb van ƒ 50.—. Een bedrag, dat u zeker wel niet groot zult vinden en dat een heel stuk lager is als waarmede wij het vorig jaar eindigden. Ik zeg, let wel, eindigden. Want ik weet wel, dat vorig jaar ongeveer 6 weken vóór 1 December het bedrag ook niet hoog was. Maar u hebt toen in „Financiën" er eens op gewezen en toen kwamen de pakjes binnenstroomen en eindigden wij nog met een flink bedrag. Misschien kan u het nog wel nazien.
Het zal dus, geachte Penningmeester, grootendeels van u afhangen of u de lezers nog eens weet op te wekken tot het zenden van de noodige pakjes. Ik hoop daarom, dat u nog eens uw best zult doen. Het is in uw eigen belang.
Met vriendelijke groeten,
J. DEN HARTOG.
Daar zit ik nu leelijk mee. De juffrouw daar in de Maliebaan, weet heel aardig de last en de zorg op den penningmeester te schuiven. Maar laat ik eerst eens nazien hoe dat verleden jaar gegaan is. Ik zal mijn oude preeken even opzoeken. Toch wel goed, om oude preeken te bewaren. Men zegt, dat dominé's het ook altijd doen. Niet om zoo'n preek nóg eens te houden. Neen, dat niet ! Maar men kan ze toch wel eens noodig hebben, dat zie ik nu al weer..
Wacht, hier heb ik hem. Het is van 21 October 1921. Ik lees daar :
„Omdat het nu tegen 1 December liep en ik een heetje nieuwsgierig was, heb ik de juffrouw gevraagd hoe na ze nu was en hoeveel ze dacht mij einde Nov. te kunnen afdragen. Zij antwoordde mij dat ze op het oogenblik aan ƒ 60.— was en dat het haar bitter zou teleur stellen als ze mij geen .ƒ 100.— zou kunnen zenden, want dat had ze zich van het begin af voorgesteld."
Dit had de juffrouw geantwoord, en nu lees ik in die oude preek verder, dat ik daar dit aan toe heb gevoegd :
„Waarde lezers, oude en nieuwe. Zouden wij met vereende krachten het niet zoover kunnen brengen, dat ze vóór 1 December de ontbrekende veertig galden bij elkaar heeft gekregen? Wij moeten den moed erin houden, want zij heeft er zooveel werk aan. Als we nu onze zolders en kasten eens nazien, wat we daar aan oude spullen hebben van zilver, koper, lood, tin, enz., en we sturen haar dat mogelijk met een gulden in een papiertje er bij, dan komen de veertig gulden er wel."
Zie, lezer, volgens juffrouw Den Hartog hebben deze woorden zooveel uitgewerkt, dat niet alleen de veertig gulden, maar er een bedrag gekomen is, dat de ƒ100— verre overschreed.
Dat de ƒ40.— er gekomen zijn, dat weet ik, maar dat dit door mij gekomen is, dat is niet zoo. Neen, de lezers en lezeressen zijn zèlf tot de overtuiging gekomen dat het noodig is deze zaak in stand te houden en te steunen en dat een bedrag van ƒ 100. —per jaar er moet komen. En geweldig, wat zijn daar in de Maliebaan in November 1921 een pakjes gekomen, 5 a 6 stuks op een dag. Elke post bracht er mee. Het was onbegrijpelijk waar de massa vandaan kwam. Welnu, die massa is er nu na een jaar weer. Stuur ze nu toch gauw. Neem den last van mij af. Ik zal er u altijd dankbaar voor blijven. En wat het voornaamste is : de kas heeft het noodig ! Zie zoo, we stappen van het eene onderwerp op het andere over.
Toch verschillen ze niet veel. „'t Is geen principieel verschil, maar een gradueel." Dit woord heb ik eens gelezen in een dissertatie van een theol. dokter, die zoo verschenen en zoo verdwenen was, maar waarom ik altijd het idee heb, dat we hem nog eens zien opduikelen.
Maar zoo is het nu hier ook. Bij het eene onderwerp gaat het over honderden en bij het tweede over duizenden. Ze bedoelen echter beide hetzelfde : de steun voor onze fondsen.
Vette letters heb ik de vorige week gebruikt. We hadden ze in lange niet gezien, 't Is wel aangenaam, wanneer men oude kennissen, die men graag mag, weer na een langen tijd terugziet. Er was ook een reden voor. Ik had ze noodig en heb ze nóg noodig ; hard noodig ; en dan is het altijd prettig dat ze komen willen.
Ik zit in de war, ik ben ongerust dat ons eindcijfer, voor het eerst zoolang onze Bond bestaat, dit jaar lager zal zijn omdat wij vorig jaar zoo'n grooten sprong vooruit gemaakt hebben. Ik hoop dat het ook dit jaar „Excelsior" zal wezen, zoo heb ik de vorige week geschreven. 20 menschen die 100 gulden geven, zal ik daarvoor wel noodig hebben. Vorige week was er één, en nu, ziet, deze week weer één, Dat is moedgevend. Als er nu elke week één komt, dat zou mooi zijn, maar niet genoeg. Ik wil mij daarom niet houden aan 100 gulden. Ik stel gaarne de gelegenheid open om dooréén 200 of 300 of 500 gulden te geven ; ƒ 1000.—, dat durfde ik niet te zetten. Ik zou heel lang moeten zoeken naar de vette letters, die voor zoo'n cijfer geschikt zijn. En u weet 't, ik spreek nooit over het onbereikbare, maar over datgene dat met een ernstigen wil en de noodige belangstelling mogelijk is.
Veenendaal, afgezonden door ds. M. Jongebreur
Honderd Gulden
voor het Studiefonds en gecollecteerd tijdens den dankstond van het Heilig Avondmaal.
„Deze gever wil blijkbaar één van de 20 medewerkers zijn aan „Excelsior", schrijft ds. J.
Hartelijk dank aan den milden gever. De ontbrekende leden van „Excelsior" willen zeker wel vroeg genoeg hun namen en het bedrag opgeven, want de tijd is kort. Och, wacht er toch niet mede !
Veenendaal, door ds. M. Jongebreur van NN. uit Zwolle ƒ 2.50 voor den Geref. Bond ; ƒ 2.50 voor het Studiefonds en ƒ 2.50 voor het Leerstoelfonds, tezamen ƒ 7.50. Verder ƒ 20.— uit mijn catechisatiebus voor het Studiefonds en Zondagmorgen hier in de kerk gecollecteerd ƒ 5.— voor het Studiefonds.
Hilversum. Een lid van het bestuur van de afdeeling bracht mij een bezoek ter informatie voor een en ander en liet daarbij ƒ 5.— achter.
Ooster-Nijkerk, van Th. A. Faber ƒ 10.65 zijnde de opbrengst van busje 49 over de maanden Juni, Juli, Augustus en September.
's Gravenhage ƒ 5.— door ds. W. Bieshaar, zijnde vóór 3 weken gecollecteerd in een doopbeurt. Voor den Geref. Bond.
Zegveld, van C. Bardelmeijer de som van ƒ 3.96 uit busje no. 20 van de maand October.
Mastenbroek, door ds. S. C. van Wijngaarden /5.— zijnde de helft van een gift van ƒ 10.—als dankoffer gecollecteerd voor den Geref. Zendingsbond en het Leerstoelfondsr „Ik hoop voor u en voor hen zelve, dat de Heere nog maar vaak hier in Mastenbroek harten tot waarachtigen dank voor genoten zegeningen naar ziel en lichaam moge stemmen, dan zal ongetwijfeld deze naam nog wel eens weer onder uw opgave verschijnen", schrijft ds. van W. er bij.
Meerkerk, door A. Woudenberg, penningmeester der afdeeling ƒ27.75, zijnde de contributie der leden na aftrek der 25%.
Leiden, door J. Serdijn, penningmeester der afdeeling, aan contributie der leden na aftrek der 25% ƒ 69.— ; van de cursusvergjaderingen van ds. G. H. Beekenkamp ƒ 20.— ; uit het , busje van den heer Montenberg ƒ 5.-; idem van den heer Lardé ƒ 2.— ; totaal de som van ƒ96.—.
Feijenoord en Omstreken, door Jb. Bot, penningmeester der afdeeling, aan contributie na aftrek der 25% de som van f 40.25 ; collecte op drie ledenvergaderingen ƒ 4.83 ; collecte op twee vergaderingen der Godsdienstschool de som van f 3.92 1/2 ; tezamen ƒ 49.01/2.
Wij zijn aan het einde, van onze mededeelingen en danken allen hartelijk voor hun gave. Moge de Heere er Zijnen zegen over gebieden.
De Penningmeester,
J. C. FLIEHE. '
Arnhem, Pels Rijckenstraat 28.
Postzegels, capsules en zilverpapier.
Ontvangen van :
1. Mej. A. Mostert, Dalem, zilverpapier en postzegels, verzameld door de kinderen der Zondagsschool „Eben Haëzer" aldaar.
2. Willem Bikker, Leerbroek, capsules, postzegels en zilverpapier.
3. J. H. Mangert, postzegels, zilverpapier en capsules, benevens 22 halve stuivers en 70 halve centen.
Het begint wat meer te druppen. Zou dit misschien het begin zijn van den stroom van pakjes, waardoor we het vorig jaar zoo'n heerlijk resultaat bereikt hebben ?
Ik hoop het van harte en vertrouw dan ook zeer op aller medewerking.
Intusschen hartelijk dank voor de ontvangen gaven.
Mej. J. DEN HARTOQ.
Maliebaan 70a, Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's