Uit het kerkelijk leven.
Het beginsel der Kerkhervorming.
'De stoot tot de Reformatie is gegeven door de ziel die worstelde in de kloostercel, hijgend naar vergeving der zonde en vrede met God. Luther had ervaren dat de Roomsohe heilsleer geen vrede bieden kan aan een schuldverslagen ziel. En van het oogenblik zijner bekeering, in het jaar 1513, werd de leer van de rechtvaardiging uit het geloof de alles beheerschende factor van zijn leven.
Volgens de Roomsche Kerk stort God den mensch bij de rechtvaardiging de naar God gerichte gezindheid of heiligheid in. En zoo maakt God, volgens Rome, den mensch werkelijk een rechtvaardige. In den doop wordt, zegt Rome, de zondevergevende en heiligmakende genade ingegoten, waardoor een begin gemaakt wordt met de heiliging des menschen ; en door die instorting van de genadegaven in den mensch kan hij dan Voortgaan van deugd tot deugd en zoo door de goede werken, — die niet alleen vruchten van de rechtvaardiging, maar wezenlijike vordering in de heiligmaking zijn — , het eeuwige leven verdienen. Zoo grondt zich de rechtvaardigmaking in de Roomsche Kerk op twee dingen : van Gods zijde op den doop, toen de genade ingestort werd, en van 's menschen zijde op zijn vrijen wil.
Maar daaruit volgt ook terstond, dat iemand nooit volstrekt zeker kan worden van zijne rechtvaardiging, ja, dat hij die zelfs verliezen kan. Evenwel kan, wat de gerechtvaardigde, die in doodzonde vervalt, verliest, door de Kerk weer goedgemaakt worden door het sacrament van de boete. Dit is de oor-zaak, dat de Kerk natuurlijk het één en het al wordt. De Kerk toch kan zorgdragen dat de gevallene weder in het bezit van de genade komt; waardoor alles voor den mensch komt drijven op de gewilligheid van de Kerk en de daad van den priester.
Hierbij kon de ziele van Luther niet tot rust en vrede komen. En het was een openbaring van den Hemel, toen hij leerde zien dat hij niet door zijne werken aangenaam kon worden bij God, noch door de Kerk kon worden verlost van zonden, maar dat alleen de genade Gods hier de grond is, in het volbrachte werk van Christus vrede gevend aan een iegelijk die gelooft. Toen de algenoegzame Zaligmaker, Jezus Christus, hem werd bekend gemaakt en hij in geloove Hem mocht aannemen, toen daalde de rust in zijn ziele en hij mocht vrede met God genieten.
Dat werd het uitgangspunt van de reformatorische actie. Luther wordt niet moede om het historisch feit van de verzoening door Christus te noemen en te roemen. Hij leeft, om te prijzen de almacht der goddelijke genade, die hem uit de macht des duivels heeft verlost en hem altoos bewaart en troost. Het is alleen die genade, die behoudt. Zoodra de mensch maar het geringste zou moeten doen tot zijne behoudenis, om in Gods gunst te komen, wordt hij nooit verlost van de onrust.
Indien nu de grond voor de zaligheid niet ligt in iets dat des menschen is, maar in de goddelijke genade, die almachtig en getrouw is, en alle gerechtigheid gelagen is in Jezus Christus, wiens bloed reinigt van alle zonden, is daarmede ook de zekerheid der zaliglieid gegeven. „Zoo is er dan geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn !"
Door het geloof bezit dus de geredde ziel een band der gemeenschap met: God en mag de ziele weten, dat God een genadige Vader is in Christus, die Zijn kinderen lief heeft met een eeuwige liefde. Daar is dan de plaats om stil neer te zitten. Daar is de plaats van rust en vrede en zaligheid en troost en blijdschap voor leven en sterven beide.
Maar heeft dat den stoot gegeven tot de groote worsteling ; is dat het uitgangspunt der Reformatie geweest, het beginsel waardoor ze tot kerkreformatie geworden is, ligt ergens anders. Dat ligt in het opkomen voor het absolute gezag van het Woord Gods alleen.
Dat is het wat Luther op den Rijksdag te Worms heeft uitgesproken. Want daar vermaande hij voor den keizer en al de vorsten van het Duitsche Rijk, dat hij alleen dèn herroepen wil, wanneer hij uit Gods Woord van ongelijk overtuigd is.
Grooter moment is er in de geschiedenis der Reformatie niet geweest, of het moest zijn toen hij den pauselijken banbul en de pauselijike declaratiën verbrandde buiten de Elsterpoort van Wittenberg, 10 December 1520, en daarmee het gezag van den paus in 't vuur wierp en de autoriteit van Gods Woord boven alles verhief.
Het absolute gezag van het Woord Gods, en dat Woord alleen, dat is de grondtoon van het Protest door de Protestantsohe vorsten op den Rijksdag te Spiers ingediend ; dat is het, wat alle reformatoren .met Luther, zoowel een Zwingli als een Calvijn, hebben beleden. Daarom is de aanklacht van Rome, dat de Reformatie een daad van revolutie tegen het wettig gezag zou zijn geweest, even onwaar als de lofspraak van het moderne protestantisane, dat Luther zou zijn opgekomen voor de vrijheid van denken en dat hij het individualisme ten troon zou hebben geheven.
Noch het een, noch het ander is waar. Tegenover Rome zeggen we, dat de Hervormers het vreemde juk hebben verwisseld met het juk van Christus en teruggekeerd zijn tot het Woord van Christus en Zijn apostelen.
En tegen het moderne protestantisme zeggen we: wie de gebondenheid in alles aan Gods Woord weglaat, heeft het grondbeginsel der Reformatie verloochend en houdt van de vrijheid van den Christenmensch niets over dan een caricatuur.
Het Woord moet dan ook nu het centraal punt zijn en blijven ; meer en meer worden ook, waar het helaas ! uit het centrum verdwenen is.
Want heeft God in de 16de eeuw Zijn Kerk gereformeerd en de wereld een nieuw aanzien gegeven. Hij heeft dat gedaan niet door een machtig vorst, die over legerscharen beschikken kon, niet door een prins der geleerden, om wiens gunst ieder bedelde, maar door een eenvoudigen monnik, uit een onbeduidend stadje in Duitschland, die, tot God bekeerd, in die ontzaglijke worsteling met kerkprelaten en rijksgrooten, geen ander wapen bezat dan het Woord.
In dien weg moet het ook nu, door Gods genade, onder ons, waar zooveel in de Kerk en in het volksleven met dat Woord van God in strijd is.
Van waar de naam Protestant.?
De naam Protestant dateert van de 16de eeuw, de eeuw der groote Reformatie, en staat in verband met het protest, dat door de Evangelische vorsten in Duitschland op den Rijksdag te Spiers in den jare 1529 gehouden, is voorgelezen. Waar het telkens blijkt, dat velen, die zich bij voorkeur Protestant noemen, eigenlijk niet weten dat deze naam historische beteekenis heeft, en ook niet op de hoogte zijn van hetgeen het protest te Spiers inhield, gelooven we goed te doen hier een en ander, dat betrekking heeft op deze zaak, mee te deelen.
Bij den voortgang der Hervorming in Duitschland, kwam vooral In Zuid-Duitschland een beweging, om de Lutherschen heftig tegen te staan, wat in Noord-Duitschland de Evangelischen met grooten weerzin vervulde. Een scherpe beslissing in dezen van de zijde der Roomschen bleef uit, waarvan de oorzaak wel zal zijn te zoeken in het feit, dat de keizer, bij zijn oorlogen met Frankrijk en Turkije, de Evangelische vorsten noodig had en dus ontzien móest.
Deze laatsten boeren zeer goed, waarom men hen met rust liet en achtten het daarom verstandig, waar de Roomsche vorsten in 1524 te Regensburg een verbond hadden gesloten, in 1526 onder leiding van Philip van Hessen, te Torgau eveneens een verbond te sluiten, ter bescherming tegen mogelijke gevaren.
Zóó stonden de zaken, toen 25 Juni 1526 de Rijksdag te Spiers bijeenkwam. De Roomsohgezinden maakten daar de. meerderheid uit, maar men durfde niet doortasten en men besloot, dat de Hervormden zich gedragen zouden tot op een algemeen Duitsch Concilie de zaken nader onderzocht en vastgesteld zouden worden, „zooals men het voor God en den keizer zou kunnen verantwoorden.' Door dit besluit van den Rijksdag werd het mogelijk gemaakt, dat de vorsten in hun gebied onafhankelijke landskerken. stichtten.-
Toen echter in 1529 weder een Rijksdag te Spiers igehouden werd, stonden de zaken anders. De keizer had over zijn machtigen mededinger, Frans I, op schitterende wijze getriomfeerd. Het Fransche leger was den 24sten Februari 1525 bij Pavia geslagen en de koninklijke aanvoerder zelf was onder het getal der gevangenen. In de hoofdstad van het Spaansche rijk werden hem de harde voorwaarden ter teekenlng voorgelegd.
Daarna was wel weer enige verandering gekomen. Want onder bescherming van den paus was de Fransche koning weer tegen Karel V opgestaan en had Rome, Engeland, Frankrijk en enkele kleine Italiaansche vorsten in een „heilig verbond" (la sainte ligue) te, Cognac, 22 Mei 1526 vereenigd. Doch de keizer had zich weten te wreken op Rome en den paus met gevolg dat Paus Clemens VII 6 Mei 1527 gevangen genomen werd, en voor vele maanden opgesloten werd op den Engelenburg.
Deze onrust was nu voorbij. De keizer had zich weder geheel met den paus verzoend en in Augustus 1528 werd een nieuwe Rijksdag te Spiers uitgeschreven.
Nu wilde men van Roomsche zijde doortasten ! Men besloot het Edict van Worms van 8 Mei 1525, waarbij Luther in den ban gedaan was en het koopen en lezen van Luther's geschriften was verboden, te handhaven in de Roomsche landen, en in de Evangelische landen zou men met de reformaties niet verder mogen gaan. De mis mocht daar aan niemand belet worden, de geestelijke stand moest in zijn rechten worden geëerbiedigd, de goederen en de kerkelijke belastingen moesten aan de priesters terug gegeven worden ; ook mochten verder geen nieuwigheden worden ingevoerd. Hierdoor werd de Roomsche godsdienst dus feitelijk beschermd en geholpen, terwijl de Hervorming werd gedoemd tot doodelijken stilstand.
Hiermee konden de Evangelische vorsten geen vrede hebben ; en de vorsten van Keur-Saksen, Hessen, Luneburg, Anhalt, Brandenburg en veertien rijkssteden dienden 19 April 1529 dan ook een protest in tegen de besluiten van den Rijksdag, terwijl zij tegelijk. de vergadering verlieten.
Gevolg van dit optreden was, dat op 22 April reeds, toen ook de Rijksdag zoo ongeveer gesloten werd, een verbond tot stand kwam tusschen Keur-Saksen, Hessen en de steden Straatsburg, Neurenberg en Ulm.
Nu dat protest-geschrift dat door de Evangelische vorsten 19 April 1529 werd ingediend. Hoe zag dat er uit en wat hield dat in ? Daar is een heele geschiedenis aan verbonden, zooals zeer goed te begrijpen is voor ieder, die weet onder welke omstandigheden dit protest-woord en dit protest-geschrift is gesproken en is ingediend. Want eerst heeft men het mondeling ingediend en daarna schriftelijk. En zelfs heeft men 't toen nog eens officieel oiwesteld en verzegeld ingediend, opdat het daar als een beteekentsvol, historisch document zou liggen voor het aangezicht van den keizer en de rijksgrooten.
In wezen verschillen deze drie protesten niet. De quaestie was er allëën maar een van vorm.
„Geliefde Heeren, Neven, Oomen en Vrienden !
Wij zijn op dezen Rijksdag verschenen ingevolge de oproeping van Zijne Keizerlijke Majesteit, om maatregelen te helpen beramen in het algemeen belang van het Rijk en van de Christenheid. Het is daarom met droefheid, 'dat wij gezien hebben dat men de goede bepalingen van den Vorigen Rijksdag (1526), met betrekking tot ons dierbaar en heilig geloof, wil vervallen verklaren en daarvoor drukkende en ons inziens, ondoelmatige wetten wil in de plaats stellen.
Intusschen hebben toch Koning Ferdinand en de andere commissarissen des keizers, door hun zegel te hechten aan het besluit van den laatsten Rijksdag, plechtig en onvoorwaardelijk in naam van den keizer op zich genomen, om dat besluit in allen deele en getrouwelijk uit te voeren en nauwlettend toe te zien, dat niets geschiede wat daarmede in tegenspraak zoude zijn. Evenzeer hebben wij allen, die hier vergaderd zijn : keurvorsten, hertogen, edellieden, geestelijken, heeren en afgevaardigden, ons verbonden om de bepalingen van dat besluit na te leven en te doen naleven.
Wij, voor ons, mogen; dan niet berusten in de herroeping van die bepaling (n.l. van den vorigen Rijksdag van 1526).
Eerstelijk, omdat wij vermeenen, dat Zijne Majesteit de Keizer, gijlieden allen als wij, gehouden zijn om gezegde bepalingen, die toch met algemeene stemmen, in den behoorlijken vorm en in het algemeen belang zijn gemaakt en aangenomen, te handhaven en te onderhouden uit alle macht en met alle vermogen.
Ten andere, en voornamelijk, omdat het hier een aangelegenheid geldt, van het allerhoogst gewicht.: de dienst van God en de zaligheid onzer onsterfelijke zielen. In zulk eene zaak gelooven wij den wil van God boven alle menschelijk gezag te moeten stellen en Hem, die Koning der koningen en Heer der heeren is, naar ons geweten te moeten gehoorzamen. , Wilt zullen toch eenmaal, elk in het bijzonder, van onze daden rekenschap moeten afleggen en ons dan geenszins kunnen rechtvaardigen over eene verkeerde daad, omdat, de meerderheid die zoo gewild heeft.
Wij willen echter niet oordeelen, Heeren en Vrienden, over hetgeen u in dezen te doen staat. Wij bidden alleen dagelijks en zonder ophouden, dat het den almachtigen God behage moge, om ons allen te brengen tot eenheid des geloofs en tot waarheid, liefde en heiligheid, in Jezus Christus den eenigen Verlosser en Middelaar.
Maar wat onszelven aangaat, wij herhalen het : dat wij ons niet onderwerpen kunnen of mogen aan het besluit, dat nu genomen is. Wij laten leder van u in onpartijdigheid en billijkheid oordeelen of wij niet zoodoende tegen ons geweten zouden handelen ; of wij niet eene leer zouden helpen tegengaan, die wij overtuigd zijn dat zuiver Christelijk is ; en of wij niet zouden medewerken niet slechts om de voortplanting en uitbreiding dier leer te beletten, maar ook om de prediking van het Evangelie in onze eigene Staten aan banden te leggen en alle vrucht te benemen; gesteld dat wij daartoe bij machte mochten zijn.
Dit ware onzerzijds niet minder, dan eene verloochening van onzen Heere Jezus Christus en eene opzettelijke verwerping van Zijn heilig Woord ; terwijl wij daardoor onder 's Heeren veroordeeling zouden komen en Hij over ons ten laatsten. dage het vonnis uitspreken zou : „Zoo wie Mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik ook verloochenen voor Mijnen Vader, die in de hemelen is." (Matth. 10 vers 33). - Hoe zouden wij dan met mogelijkheid dit Edict kunnen aannemen ?
Hoe ooit mogen helpen hinderpalen daar te stellen, voor de toeneming van de kennis Gods onder de menschen ?
Wij mogen en kunnen aan zulk een daad niét schuldig staan.
Wij protesteeren derhalve in hét algemeen tegen den maatregel, dien men ons wil opdringen.
Wat bijzondere punten betreft : wij vermeenen, dat in onze Staten en landen het Heilig Avondmaal gevierd en onderhouden wordt in overeenstemming met den waren aard der instelling. Intusschen zoo zich dusgenaamde sacramentarissen binnen ons gebied zouden voordoen, gelooven wij geene vrijheid te hebben hen te behandelen zooals het Edict dat wil. Er bestonden tot hiertoe nog geen bepalingen omtrent hen, en alvorens zij de gelegenheid hebben gehad, om hunne gevoelens voor eene kerkvergadering' te verdedigen, mogen wij althans hen niet veroordeelen.
Er is een ander punt, en dat van het hoogste belang is. Het Edict zegt, dat de leeraars bij de prediking van het Evangelie zich, wat de uittlegging aangaat, houden zullen aan de opvatting der heilige Christelijke Kerk. Wij gelooven, dat, zou deze bepaling eenige waarde of mogelijkheid van uitvoering hebben, allereerst had moeten uitgemaakt zijn, wat door die Kerk te verstaan zij. Wij voor ons weten dat er 'over dit punt-verschillende meeningen bestaan, en schroomen niet, te verklaren, dat wij van gevoelen zijn, dat geene uitlegging bestaan kan, die niet berust op Gods Woord, en dat elke andere leering in tegenspraak is met den geopenbaarden wil des Heeren. Wij gelooven, dat de Schrift uit de Schrift verklaard moet worden : dat de Bijbel duidelijk en verstaanbaar is in alle dingen, die den Christen noodig zijn te weten : en wij hebben ons daarom voorgenomen om, met Gods hulp de hand te houden aan de zuivere én onvervalschte prediking van het Woord van God, zooals dat ons geopenbaard en te vinden is in de boeken des Ouden en des Nieuwen 'Festaments, zonder daarbij eenige bijvoeging of afwijking te gedoogen.
Dit Woord alleen is waarheid en slechts daarin kunnen wii leering, bestuur en troost vinden, onder alle omstandigheden des levens. Dat Woord is een leidsman, die ons nooit verlaten of een verkeerden weg voeren zal. Dat Woord is het eenige vaste en onwankelbare fundament ; die daarop bouwen, zullen niet beschaamd gemaakt worden en de machten der hel zullen tegen hen niets vermogen. In vergelijking met dat Woord is alle menschelijke Woord en leering ijdel, dwaas en verwerpelijk.
Wij bidden u dan, geliefde Heeren, Oomen, Neven en Vrienden, dat gij onze bezwaren in gezette en ernstige overweging neemt. En: .zoo gij nochtans mocht vermeenen, dat het genomen besluit moet in werking komen, verzoeken wij u wèl te willen in het oog houden, dat wij daartegen steeds zullen blijven protesteeren, gelijk wij bij deze plechtelijk doen, in tegenwoordigheid van alle levende zielen en onder aanroeping van God, onzen Schepper en Behouder, onzen Verlosser en Zaligimaker, die ten jongsten dage ons voor Zijne vierschaar roepen en oordeelen zal. Wij verklaren, dat wij noch de onzen aan het bedoelde besluit onze goedkeurlng geven of ons aan de bepaling daarvan. onderwerpen kunnen, voorzoover wij vermeenen dat dit besluit strijdig is met den wil en het Woord van God, in tegenspraak met ons geweten, gevaarlijk voor de rust en de zaligheid onzer zielen en gansohelijk afwijkende van het besluit, dat op den vorigen Rijksdag-te Spiers genomen is.
Wij mogen inmiddels niet anders vertrouwen, dan dat Zijne Majesteit de keizer zich over ons zal betoonen als een Christelijke vorst, die boven alle dingen liefde en eerbied heeft voor God ; terwij wij nóch omtrent Zijne Majesteit den keizer, nóch jegens u, geliefde Heeren en Vrienden, ooit wenschen te kort te komen in de getrouwe en gehoorzame vervulling van elken phcht, dien wij naar recht en wet schuldig zijn te volbrengen." •
Merkwaardige woorden ! De zwakke Protestanten staan sterk als moedige, jonge leeuwen. Zij hielden zich jure humano, naar menschelijk recht, vast aan het vroegere Edict van Spiers, en juro divino, naar goddelijk recht, aan den Bijbel als Gods onfeilbaar Woord, dien veiligen gids voor leer en leven.
Met voorbijzien van de kroon van Keizer Karel V zagen zij op de kroon van den hemelschen Koning, Jezus Christus, en tegenover de eigenwillige leeringen van de Kerk van Rome kwamen zij zich beroepen op Gods Woord, begeerende de zuivere en onvervalschte prediking des Evangelies, naar de Schriften, zonder eenige bijvoeging , of afwijking ! .
Aan alle eigenwijsheid is dit protest gespeend. Geen woord, van zelfverheffing of ijdel vertrouwen op hetgeen des menschen is. Niet de mensch, maar Gode is en blijft de hoogste autoriteit en Gods Woord gaat boven alles.
Toen de Rijksdag in de zitting, van Donderdag 22 April 1529 besloot om niet van handelwije te veranderen, werd in de laatste zitting van Zaterdag 24 April door de Evangelische vorsten het protest herhaald.
Zondag 25 April is vervoigens het protest met alles wat dienaangaande op den Rijksdag was verhandeld, officieel in geschrift opgesteld, twaalf bladen perkament vullende, terwijl het dertiende blad de onderteekeningen en de zegels bevatte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's