Staat en Maatschappij.
Niet duidelijk.
Bij artikel 85 van de begrooting voor het Departement van Financiën, dienstjaar , 1923, worden gelden aangevraagd voor het oprichten van enkele nieuwe predikantsplaatsen in de Nederlandsche Hervormde Kerk.
De noodzakelijkheid van het instellen dezer predikantsplaatsen wordt in de stukken, bij de begroötiing gevoegd, in den breede toegelicht.
Het trekt de aandacht, dat de toelichting noch bij het genoemde artikel noch bij artikel 80, waarbij ten behoeve van de tractementen van 1519 predikanten een bedrag van ruim 11.5 ton wordt uitgetrokken, ook maar met 'n enkel woord spreekt over eenig voorbehoud, dat bij de uitkeering der tractementen. zal zijn in acht te nemen.
Het Rijk kent aan de gemeenten de gelden toe, zoo zonder meer.
Zoo zal, wanneer de tractementen, bedoeld bij artikel 85, op de begrooting gehandhaafd blijven, b.v. de gemeente Eindhoven voor-haar 2de predikantsplaats ƒ2000.— en de : Buurtgemeente Heerlen en de gemeente Terwinselen elk voor een te stichten nieuwe predikantsplaats eveneens ƒ 2000.- ontvangen.
Deze gelden worden het eigendom van de genoemde gemeenten, teneinde daaruit het tractement van den te beroepen of reeds beroepen predikant te betalen.
Met welk recht nu de Synode kan bepalen, dat wat het Rijk voor de predikantstractementen bestemt, van haar kant aan voorwaarden wordt verbonden, is niet duidelijk. .
Aan een geheime overeenkomst tusschen den Minister van Financiën en de Synode van de Nederlandsch Hervormde Kerk valt natuurlijk niet te denken.
Maar kan de Synode dan vaststellen, dat door weigering van het .doorzenden van handopening door het Classicaal Bestuur het Rijkstractement aan de gemeente niet zal worden toegekend, zoolang deze b.v. tegen het opvolgen an het Reglement op de Predikantstractementen bezwaar maakt ?
Het zal noodig zijn, dat de Minister van Financiën zich ten aanzien van deze kwestie duidelijk uitspreekt,
De Schoolraad aan het woord.
De Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel heeft aan de Tweede Kamer der Staten Generaal een adres gericht met een Rapport naar aanleiding van het wetsontwerp tot wijziging der Lager Onderwijswet 1920.
Het adres vindt hieronder een plaats.
De Schoolraad voor de Scholen, met den Bijbel, waarbij zijn aangesloten 1171 scholen met den Bijbel en in wiens midden bovendien vertegenwoordigers van de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, het Gereformeerd Schoolverband, de Unie „Een School met den Bijbel" en de Vereeniging van Chr. Onderwijzers in Nederland en de O.B. zitting hebben, heeft de eer, U hiemevens aan te bieden een rapport naar aanleiding van het wetsontwerp tot wijziging der Lager Onderwijswet 1920, Gedr. Stukken 1922—'23, no. 201
In dit rapport heeft de Schoolraad zich beperkt tot opmerkingen, die vallen binnen het kader eener techinische herziening van de L.O. wet 1920, waarbij tevens naar bezuiniginig gestreefd is. Besproken zijn bovendien ook enkele artikelen der wet, welke in het wetsontwerp niet genoemd worden, maar naar de meening van den Schoolraad noodzakelijk gewijzigd dienen te worden.
Bij het wetsontwerp, is gestreefd naar bezuiniging. De Schoolraad dringt er echter op aan, dat bij de te nemen maatregelen de verbeteringen, bij de L.O. wet 1920 in ons onderwijs aangebracht, zooveel als slechts eenigszins mogelijk is zullen ontzien worden.
De Schoolraad is in dit rapport niet teruggekomen op de ernstige principiëele bezwaren, welke z.i. tegen-de geldende wet bestaan en voor een deel zijn opgenomen in het Rapport inzake het ontwerp der Lager Onderwijswet, in het jaar 1919 door hem uitgebracht en aan Uw College toegezonden Op wegneming van deze bezwaren blijft de Schoolraad krachtig aandringen.
Ernstige bezwaren bestaan ook tegen enkele der thans voorgestelde wijzigingen. Dit wetsontwerp toch legt der bijzondere school, terwiile van een dusgenaamde, maar verkeerd begrepen „gelijkstelling'.' (alsof dit hetzelfde ware als dé financiëele 'gelijkstelling, welke de Grondwet eischt!) nieuwe banden aan, welke door niets gerechtvaardigd worden ; het beknopt .opnieuw de vrijheid van 't bijzonder onderwijs en weert iedere uiting van het particulier initiatief, elk ontplooien der maatschappelijke krachten welbewust af. M.6n zie • de wijzigingen in de.art. 28, het nieuwe art. 36bis, de wijzigingen in art. 73 en in de daarmede samenhanigende artt. 79, 83, 96, 205 ; de veranderingen in art. 125 en in de artt. betreffende de opleiding (156, 163, 170). Het wetsontwerp zet ons opnieuw een schrede terug op den weg der vrijheid. De Schoolraad en de in hem vertegenwoordigde organisaties zouden hun roeping verzaken, als zij niet met klem voor deze nieuwe banden-waarschuwden. In de vergadering van den Schoolraad, op 5 October 1922 gehouden, kwam dan ook bet volgende besluit van het Bestuur der Unie „Een School met den Bijbel" ter tafel : „Het Bestuur der Unie „Een School met den Bijbel", kennis genomen hebbende van het wetsontwerp tot herziening der L.O. wet 1920 (Gedrukte Stukken 1922, no. 201) ; overtuigd, dat dit wetsvoorstel ons nog verder zal voeren op den weg, waarlangs de School met den Bijbel van haar vrijheid wordt beroofd en 'het particulier initiatief wordt gedood ;
spreekt als zijn meening uit, dat, overeenkomstig het Gewijzigd Unierapport, noodzakelijk gestreefd moet worden naar verzekering van de vrijheid van het bijzonder onderwijs, versterking van het particulier initiatief en. opwekking van de in de maatschappij schuilende krachten, waardoor tevens eene groote bezuiniging op de onderwijsuitgaven zal verkregen worden ;
en besluit, den Schoolraad uit te noodigen, een-commissie te benoemen om hem te dienen van advies terzake van de te gebruiken middelen ter bereiking van dit doel."
Deze uitspraak der Unie bleek het gevoelen van alle gedelegeerden der Schoolbesturen èn van alle afgevaardigden der organisaties weer te geven en met algemeene stemmen werd : dan ook tot voldoen aan het verzoek besloten.
Inderdaad, blijkt uit dit wetsontwerp weer zeer duidelijk, dat wij met onze Onderwijswetgeving op den verkeerden weg zijn. Het thans gekozen stelsel leidt tot een steeds verder terugdringen van het particulier initiatief, een al meer uitschakelen van de krachten, welke in dè maatschappij' leven, en tot een opdrijving van kosten, die niet afdoend te keeren zal zijn.
Het onderwijs is niet allereerst een zaak van den Staat, maar van de maatschappij. „Het kenmerk van een liberalen Staat en een liberaal Gouvernement" zegt Thorbecke in zijn beroemde Narede '•) „is, dat zij de ontwikkeling van zelfstandige kracht bevorderen Het zijn in wezen, bestemming en middelen andere levensmachten dan de Staatsmacht, welke de Kerk, het onderwijs, wetenschap, kunst, maatschappelijk te vormen en te besturen hebben. Machten in wier sfeer burgerlijk overheidsgebod of dwang niet te pas komt De toeleg der liberale regeering was over het algemeen aan de maatschappelijke werkzaamheid wat hare taak is toekennend, vermenigvuldiging van scheppend vermogen te bevorderen."
Eerst wanneer bij de Onderwijswetgeving van dit standpunt uitgegaan wordt, kan het onderwijs waarlijk vrij zijn, zal het, losgemaakt van centralisatie en verstijvende Overheidsbemoeiing, zich naar zijn eigen aard en de behoeften der maatsohappij kunnen ontwikkelen, zal een aanzienlijke bezuiniging, en, wat van het grootste belang is, een opleving van het particulier initiatief en een krachtig meeleven der ouders verkregen worden.
Parlementaire Redevoeringen, Deventer, 1870, VJ, blz. VIM en IX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's