De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

29 minuten leestijd

De strijd om de belijdenis in de Duitsche Kerk.

Het is de moeite waard onze aandacht te schenken op hetgeen in Duitschland op het gebied van de school en op het terrein van de Kerk voorvalt nu. Toen wij voor kort het genoegen hadden bij een bevriende familie in Duitschland een poosje te vertoeven, hoorden wij van een en ander en het trof ons, dat men nu bij onze Oostelijke naburen een strijd te strijden heeft waaraan wij hier in Nederland in het geheel niet vreemd zijn, maar waarbij de Duitschers nu hebben en nog krijgen zullen, wat wij, althans op schoolterrein, reeds achter ons hebben, terwijl ook op kerkelijk gebied hier al veel is uitgevochten, wat daar pas in het eerste stadium is.

Om iets op schoolgebied te noemen. In Duitschland heeft men de Christelijke Staatsschool gehad. Op militaire wijze werd bevolen bijbelsch onderwijs te geven, zooals vroeger hier gedwongen kerkgang was bij de soldaten, met al de stichtelijke tooneelen daaraan verbonden. Er werd dus op hoog bevel op alle scholen door alle onderwijzers christelijk onderwijs gegeven. Maar men moet niet vragen hoe. We hebben — wat wij zouden noemen : gymnasiasten en burgerscholieren gesproken en toen hadden we ook een indruk van het christelijke bij het Staatsonderwijs in Duitschland. Zooals wij het niet gaarne hier zouden hebben !

Nu is door en na de revolutie veel veranderd bij onze naburen. Ook dit, dat nu niet meer op hoog bevel christelijk(? ) onderwijs gegeven wordt, maar dat nu de schoolhuishouding in Communistischen zin is ingericht. En een Duitsche leerares heeft daar voor enkele weken hier frappante staaltjes verteld ! Haast ongelooflijk ; maar helaas ! ontleend aan de werkelijkheid.

Daarom beraadslagen nu de christenen in Duitschland wat hun te doen staat, om te krijgen de vrije, christelijke school, waar christenouders hun kinderen naar den Woorde Gods kunnen doen onderwijzen. Wat wij voor 50 jaar begonnen zijn en nu onder ons een vasten vorm heeft aangenomen, dat staat nu in Duitschland te beginnen.

Maar we wilden het nu eigenlijk niet over de school, maar over de Kerk hebben. Ook daarover hebben wij op een avond, in vriendenkring gezeten, allerlei gehoord en het deed ons met belangstelling uitzien naar eenig bericht in de bladen, dat ons zou kunnen inlichten in welk stadium men gekomen is nu.

Door de revolutie is de Duitsche Lands kerk in heel andere conditie gekomen. De keizer als opperste bisschop is verdwenen, gelijk in Rusland de Tsaar als hoofd der kerk. Een heel andere inrichting moest de Duitsche Kerk gaan aan­ nemen en in financieel opzicht en in confessioneel opzicht stond zij midden in een crisistijd.

Wat dat laatste betreft was de groote zorg van onze Duitsche vrienden, of er een beslissing zou vallen vóór of tegen Gods Woord, vóór of tegen de aloude Waarheid, in de confessie der Kerk vervat. Groote en kleine vergaderingen zijn gehouden ; predikanten-conferenties en samenkomsten van gemeenteleden. Getuigenissen waren door onze vrienden gehoord, die hen ontroerd hadden, die hen deden beven en sidderen, die hen deden weenen. Het was op sommige vergaderingen zoo goed te merken, zeiden ze, dat sommigen zich nu vrij dorsten uiten en dat zij niet meer aarzelden de hoofdwaarheden van Gods Woord, de fundamenteele stukken van ons christelijk geloof te loochenen en ruw te ontkennen. Men had het nooit zoo gehoord — waarbij wij onwillekeurig dachten aan ónzen kerkdijken strijd, bij welken strijd reeds, zoo lang geleden geloochend is, wat onze Duitsche vrienden diep ontroerde en wat sinds onder ons rustig is geduld en toegelaten, zelfs in 't midden van onze aloude Hervormde (Geref.) Kerk.

Volgens de bladen is er nu in het midden van de Evangelische landskerk in Pruisen (zie Avondblad N.R. Cour. van 25 September j.l.) een beslissing inzake de confessie gevallen, bij meerderheid van 127 tegen 81 stemmen, ten gunste van de oude, bijbelsche waarheid.

De constitueerende vergadering — zoo lezen we — heeft een verklaring aangenomen en gesanctioneerd die door de vereenigde partijen der Rechterzijde was voorgesteld en die aldus luidt :

„Getrouw aan de erfenis der Vaderen staat de Evangelische Landskerk der oude provincies , van Pruisen op het, in de Heilige Schrift gegeven Evangelie van Jezus Christus, den Zoon des levenden Gods, die voor ons is gekruisigd en opgestaan, den Heer der Kerk ; en erkent de voortdurende geldigheid van hare belijdenissen, de Apostolische en de andere oud-kerkelijke : verder van de Augsburgsche Confessie, de Apologie, de Smalkaldische Artikelen en den kleinen en grooten Catechismus in de Luthersche Gemeenten en den Heidelbergschen Catechismus in de Gereformeerde Gemeenten, alsmede van de andere belijdenischriften, waar die van kracht zijn.

Het Evangelie, dat in deze belijdenisschriften beleden wordt, is onaantastbare grondslag voor de leer, den arbeid en de gemeenschap der Kerk. De Kerk heet voortaan : Evangelische Kerk der Oud-Pruisische Unie." (N.R. Cour. Ochtendblad 28 October l.l.).

Hier is dus de historische schat der Christelijke Kerk bewaard. De Apostolische geloofsbelijdenis, de belijdenis van Nicea en Athanasius, zijn als de oudste confessies der Christelijke Kerk niet verloochend. De Luthersche belijdenisschriften en de Heidelbergsche Catechismus zijn gehandhaafd. En er is verklaard, dat het Evangelie, dat in deze belijdenisschriften beleden wordt, het Evangelie van Jezus Christus is, dat in de Heilige Schrift is geopenbaard, het Evangelie van Jezus Christus, die is gekruisigd en uit de dooden opgestaan.

Dat is een beslissing in de Pruisische Landskerk die ons verblijdt. De orthodoxen hebben het dus gewonnen van de vrijzinnigen. En onwillekeurig denken we aan den strijd om de belijdenis hier te lande in het midden van de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk gevoerd. Wat is er door Groningers en door modernen, om niet meerderen te noemen, nu honderd jaar en langer in onze Hervormde (Geref.) Kerk gesold met en geknoeid aan onze aloude kerkelijke belijdenis, waarvan men ook in 1816 heeft gezegd, dat zij zou worden gehandhaafd ! Wat heeft men woorden en vérklaringen en formules en omschrijvingen uitgedacht, om de belijdenis om hals te helpen. En wat zijn de pogingen, om de belijdenis der Kerk wat nader vast te leggen, altijd voorgesteld, als een poging om de Hervormde (Geref.) Kerk te verderven en uiteen te doen spatten ! De zachtste, voorzichtigste formuleering In deze werd altijd voorgesteld als exclusief, onverdraagzaam, geestdoodend, enz.

Wat is er nu meer dan honderd jaar een „onwaarachtig geschipper en geknoei" geweest  zooals de moderne dr. Hooykaas indertijd zeer terecht schreef.

De Pruisische Landskerk is dus geluk te wenschen met deze beslissing en we hopen liartelijk, dat zij èn wat belijdenis en wat kerkregeering aangaat, zich conform den Woorde Oods ook verder mag ontplooien. De Heere beschaamt niet, wie het met Hem waagt, wandelend in den weg Zijner inzettingen !

Natuurlijk dat er in Duitschland nu veel over deze zoo gewichtige en veel beslissende gebeurtenis gesproken en geschreven wordt. Waarbij velen blij zijn, maar ook velen verontwaardigd !

Verontwaardigd, omdat de Kerk gebleven is in de historische lijn, gebleven bij de waarheid naar Oods Woord, gebleven bij het Evangelie des Kruises ?

Ja daarover zijn velen verontwaardigd ; en dan natuurlijk in vrijzinnig godsdienstige kringen.

Daaromtrent lezen we in de N. R. Crt. Oclitendblad 28 October j.l. :

„Vele zijn reeds de protesten, die tegen deze formuleering zijn opgegaan. Zelfs is reeds hier en daar de vraag gesteld of men niet beter zou doen de Kerk te verlaten, maar talrijker en krachtiger zijn de waarschuwingen, geen historische rechten prijs te geven. Ook is het de vraag, welke houding de Staat zal aannemen tegen een reglement, waardoor een zoo groote minderheid het blijven in de kerk wordt bemoeilijkt. Reeds is de wetgevende kerkvergadering zelve zijn protesten gehoord. De Evangelische opperkerkeraad te Berlijn - wees met nadruk alle verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zich Geheimraad Kahl waarschuwde : „Hier zijn wij in de minderheid, maar daarbuiten onder het volk niet." Prof. Schmidt verklaarde namens de buiten de partijen staande arbeidsgemeenschap: . „Het is in strijd met de waarheid, als in de belijdenisformuleering van de Evangelische Kerk iets gezegd wordt, dat slechts door een deel van hare vertegenwoordigers ter vergadering is beaamd. Het is tegen het wezen van het Evangelie, als een blijde boodschap, als men zijn geldigheid in de kerk door het wereldsche machtsmiddel van een meerderheidsbesluit wil waarborgen. Het is tegen den wil van den gekruisigden Heer, als aan gewetens wettelijke lasten worden opgelegd." De predikant dr. Luther oordeelde : „Deze vernauwing van het geloofsbegrip aan de rechterzijde is een gebrek aan echt geloof."

De mogeliikheid is intusschen niet uitgesloten dat deze beslissing de vrijzinnige elementen in de Evangelische Kerk in Pruisen meer wakker zal schudden, want de lauwheid en laksheid der vrijzinnigen is ook hier niet geheel zonder invloed geweest op het feit, dat het zoo geloopen is.

„Wij zullen, aldus de bovengenoemde predikant dr. Luther, „het martelaarschap van vrijzinnige theologen verder dragen, ook het geringschattend lachje, waar men ons mee zegt, dat wij nog slechts in den voorhof staan." Terwijl de redacteur van het Protestantenblatt zijn uitvoerig artikel aldus besluit : „De toekomst is vol vragen en raadselen. Het wordt ons bang te moede, maar wij versagen niet."

Net precies als we hier in Nederland gewoon zijn !

De vrijzinnigen mogen de belijdenis verdraaien zooals ze willen. Ze mogen van de fundanienteele, historische waar heden maken wat ze verkiezen en dan zijn zij degenen die het bij het rechte eind hebben, die de Kerk opbouwen en het volk stichten en behouden zullen. Maar als de orthodoxen er op aandringen, dat het historisch gewordene zal geëerbiedigd en de waarheid naar Gods Woord zal gehandhaafd worden, dan schreeuwen ze moord en brand, alsof de onrechtvaardigste en vreeselijkste daad der wereld geschiedt.

En dan liebben de vrijzinnigen altijd de meerderheid onder het volk !

Wel niet in de Kerk, maar dan toch onder het volk, dat in meerderheid vrijzinnig-godsdienstig zou zijn !

Wij hopen, dat onze Duitsche broeders zich niet uit het veld zullen laten slaan door het geschreeuw der vrijzinnigen en dat zij, dankbaar in den Heere, met Zijn hulp en onder Zijn zegen mogen voortgaan, om de Kerk des Heeren onder hen te doen staan als een pilaar en vastigheid der Waarheid.

Wanneer zal de tijd komen, dat onze Hervormde (Geref.) Kerk eens kloek voor haar belijdenis en voor den Naam des Heeren zal uitkomen ?

Zullen wij het nog beleven ? Zal zij het zelf nog beleven ? God geve het ! Oh! zoo!

Op de laatste Classicale Vergadering te Franeker is 't voorgevallen, dat vrijzinnigen gekozen zijn in het Classicaal Bestuur en zoo is o.a. dr. C. J. Niemeyer toen ook op z'n ouden dag lid van dat Bestuur geworden.

Natuurlijk hebben de modernen daar nog al wat ophef over gemaakt en er werd al op gezinspeeld, dat de Classis Franeker zoowat „om" was of „om" ging. Er is van orthodoxe zijde toen gezocht naar een oorzaak. Er waren er, die meenden dat het door de toevoeging van 't eiland Terschelling kwam. Maar nu blijkt het, volgens een uiteenzetting in het Hervormd Zondagsblad voor de Provincie Friesland, dat het anders zit. Daar lezen we :

„De zaak zat, of liever, zit zoo : er waren 5 orthodoxe leden niet tegenwoordig. Ook bleven 2 modernen absent. Eén moderne ouderling kon niet komen, of liever één moderne gemeente kon niet vertegenwoordigd worden, omdat aldaar het Classicaal Bestuur doet, wat des kerkeraads is.

Juist geteld en gewogen is dus Franeker niet „om." Dat de stemming „om" ging, lag aan de absentie van de 5 orthodoxe leden, èn aan het feit, dat van moderne zijde, nadat men blijkbaar de neuzen geteld had, twee modernen vóór de stemming zijn opgehaald. „Men" zegt per auto, doch zegsman, die de vergadering niet heeft verlaten, durft daarvoor niet instaan, wèl voor het feit, dat die twee modernen zijn opgehaald om te stemmen !

Een novum in onze kerkelijke vergaderingen, dat men de vergadering verlaat om zijn mannekes vóór de stemming nog even op te trommelen. En al betreuren wij het nu zeer, dat de orthodoxen door hun absentie de schuld dragen voor het „omgaan" der stemming, een schuld, waarvan zij zich moeilijk zullen kunnen zuiveren (dat deze schuld een baken in zee zij voor meerdere thuis blijvers !), toch laten wij in dezen gaarne aan de vrijzinnigen in de Classis Eraneker de eer(? ) om op zulk een wijze, die toch zeker met de waardigheid van een Classicale vergadering in strijd mag worden geacht, een overwinning te behalen.

De nieuwe heeren-Classicaal-bestuursleden komen op een eigenaardigen zetel te zitten. Onze verwondering is nu weggevallen, en wij zeggen alleen : oh ! zoo !

Wat Rome leert.

Door de zonde van één mensch, met wien de Heere ons allen in verbondsbetrekking heeft gesteld, is de zonde gekomen in en over allen en we hebben het woord der Schrift hier over te nemen : „tezamen zijn zij afgeweken ; tezamen onnut geworden, er is niemand die goed doet, er is niemand die naar God vraagt, ook niet tot één toe."

Het is wel in-droevig, dat we de zaak zóó stellen moeten, maar de Schrift verbiedt ons het anders te doen. Tien plaatsen voor één zijn uit Gods Woord bij te brengen, om te bewijzen, dat het zóó is. En die Schriftwoorden zijn dan tegelijk brokstukken van het leven ; van het leven, zooals onze vaderen dat kenden, zooals wij het kennen, zooals onze kinderen dat zullen kennen.

Ja — de Schrift spreekt de waarheid ! De Schrift vleit den mensch niet. De Schrift is naar het leven en een iegelijk, die bij Geesteslicht zichzelf mag leeren kennen, zal tevens leeren getuigen, dat de Heilige Schriftuur als het geopenbaarde Woord Gods de waarheid spreekt. Dezelfde Geest, die in het binnenste het licht der waarheid heeft ontstoken, straalt den mensch dan ook tegen uit de Heilige Schrift en legt het getuigenis van haar goddelijken oorsprong in het hart ; en zoo werken Geest en Woord saam, om den mensch klaar te doen zien wat tot zijn zaligheid dienen moet.

Zoo moeten we beginnen bij de algeheele verlorenheid van den mensch ; van de menschheid ; van alle menschen, groot en klein. En , het is een groote fout, dat men telkens ergens anders wil beginnen. Wel hoort men dan telkens van een paradijs, dan hier en dan daar, maar het geeft telkens een treurspel, vol desillusie ; met pijnlijke teleurstelling tot wanhopens worden toe.

Zie maar naar de heidenen, - die den eenen waren God hebben verworpen en zichzelf goden gemaakt hebben, om die goden nu altijd voor te komen met een streven om door des menschen doen hen te bevredigen en alsdan een gelukkig leven te hebben, met een plezier hemel na den dood. En laat de Mohammedaan dan in veel met den heiden verschillen, hierin stemt hij toch weer met het heidendom overeen, dat hij droomt van zelfverlossing door gebed, aalmoes, vasten en bedevaart ; waardoor de verlossing voor hem niet meer is een gave Gods, maar een eigene daad van den mensch.

Dan is de mensch dus nog niet zoo héél ellendig. Want met hulp en vriendelijkheid van de goden is er in een weg van goede werken nog veel te verkrij­gen ; waarbij de Buddhist meent zijn eigen toevlucht te moeten zijn om door zelfdooding zichzelf te verlossen.

Aldoor het zélf doen. Wat niet verschilt van hetgeen de wijsgeerige stelsels voordragen. Want ook daar is het om in den weg van deugd, kennis, zedelijke zelfvolmaking, ascetische zelfverloochening of mystieke bespiegeling te komen tot de begeerde rust.

De mensch hijgt naar de verlossing. Het paradijskind voelt zich niet gelukkig. Zijn hart is ook tot andere dingen geschapen, dan hij nu ziet en bezit. Het koningskind voelt zich in z'n ellendigen, gevallen staat zoo ongelukkig. Hij vindt ook nérgens rust, evenmin als de vogel, die vliegt boven de wijde, wijde zee. En dan zoekt en tast de mensch als een blinde, doof voor de stem van Gods Woord en ongevoelig voor het evangelie der vrije genade in Jezus Christus geopenbaard. Telkens bittere teleurstelling oogstend, maar telkens ook weer een bewonderenswaardige streefkracht aan den dag leggend om met telkens nieuwe energie een Babel-toren te bouwen, waarvan het opperste zal reiken in den hemel. Het. is telkens een cultiveeren van doornen en distelen, om toch te bereiken, dat er vijgen van een doornstruik en druiven van een distel zullen kunnen worden geplukt.

Te midden van dat alles en van die allen staat Rome's Kerk daar, zich noemende de alleen-zaligmakende Kerk, om de menschen tot zich te lokken, maar zij is een blinde die de blinden leiden zal. De mensch komt er in den weg, dien Rome uitgedacht en in elkaar geknutseld heeft, beter af, dan de Schrift en de Heiland, Jezus Christus, den mensch altijd aandient. Want zegt de Schrift, dat de mensch, die naar Gods beeld geschapen is, in Adam is gevallen en sinds onbekwaam is tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad, zoodat de mensch nooit of tè nimmer door eigen deugd of innerlijke kracht kan opklimmen tot het goede, de Roomsche Kerk leert, dat de mensch in en door den val wel zijn bovennatuurlijke gerechtigheid verloren heeft, maar in zijn natuur ongeschonden is gebleven zoodat de menschelijke natuur dus niet zondig en verdorven is geworden. Wel is die natuur van haar sieraad beroofd, zij is niet zoo mooi en zoo sterk meer, doch zij is geenszins verdorven Daarom moet God nu den mensch helpen zijne zinnelijkheid ten onder te brengen, door hem daartoe werktuigelijk kracht van boven mee te deelen. En door de samenwerking van de goddelijke genade met de menschelijke vrijheid om het goede te doen, wordt de mensch in den kerkelijken weg steeds zondeloozer en heiliger, totdat eindelijk de mensch rechtvaardig wordt in heiligheid.

Dat geeft een weg van goede werken voor den ijverigen Roomsche !

En neen ! de Heilige Schrift kan hier den ongelukkigen mensch, die misleidt wordt, niet tot een beteren weg leiden. Daar zorgt Rome wel voor, dat zulks niet gebeurt ; wetende, dat, als het gebeurt, Rome de zielen kwijt raakt.  (Wordt vervolgd).

Catlharina van Bora.

Ook Luther's vrouw Catharina van Bora mag in deze dagen wel eens genoemd worden, want ook zij is een figuur uit den Hervormingstijd, aan wie wij in den middellijken weg veel te danken hebben; en waar het nu juist 400 jaar geleden is, dat zij het klooster verliet (1522), is er nu gereede aanleiding iets over haar te schrijven.

Catharina is den 29sten Januari 1499 te Lippendorf bij Leipzig geboren. Hans van Bora en Catharina van Haubitz waren haar ouders. Reeds als klein kind verloor zij haar moeder en in 1505 werd zij naar een kloosterschool te Brehna gezonden, waar zij onder leiding van zusters van de orde der Benedictijnen is opgevoed. Haar vader huwde voor de tweede maal en mee door de zorgvolle financiëele omstandigheden besloten hare ouders Catharina non te doen worden, dan was zij voor naar leven geborgen. In het klooster der Cisterciënsers te Nimbschen, waar een verwante van moeders zijde, Margaretha van Haubitz, abdesse en een verwante van vaderszijde, Magdalena van Bora, non was, werd zij opgenomen einde 1508 of begin 1509. Den 8en Oct. 1515 had haar inzegening plaats.

In 1505 toen de kleine Catharina door haar vader naar de kloosterschool der Benedictijner zusters werd gebracht, nauwelijks 6 jaar oud, klopte Maarten Luther — 17 Juli 1505 — aan de poort van het klooster te Erfurt. En toen de 10-jarige Catharina naar het klooster der Cisterciënsers te Nimbschen ging, werd de weg van den monnik Maarten Luther van het klooster te Erfurt naar de Universiteit te Wittenberg gebaand.

Natuurlijk dacht de een daarbij niet aan den ander, hoewel beider weg zoo wonderlijk werd geleid. De non uit een verarmd adellijke familie kende den monnik niet, die uit een boeren-en bergwerkers-familie was gesproten. Maar toch zou de een voor den ander ten ze­gen zijn. opdat, zegening ontvangen licbbende, de gezegende ziel den ander weer tot zegen zou worden gesteld !

Ook tot de zusters der Cisterciënserorde drongen de woorden van Luther door. De dikke kloostermuren konden ze niet buiten houden. Als de Heere spreekt, dan zal Zijn Woord doen wat Hem behaagt en het zal voorspoedig zijn, waartoe Hij het zendt.

Hoe het precies gegaan is, weten we niet. Misschien kwam het Evangeliewoord van uit Grimma, 'n plaatsje dicht bij Nimbschen, waar Luther reeds in 1516 kwam als visitator der Augustijnenkluizenaars en waar zijn woord zoo 'n ingang had gevonden, dat in 1522 de helft der monniken, met den Prior aan 't hoofd, de zijde van Luther koos. Of anders van uit Torgau, waar een vurig prediker, Gabriel Zwilling, een volgeling van Luther, het woord des Evangelies verkondigde.

De woorden van Luther in zijn geschriften : Sermoen over de goede werken (1520) en „van de vrijheid van den christenmensch" (1520) en „van de kloostergeloften" (1522) vielen als goede zaden in weltoebereide harten. En er werden plannen gemaakt om het klooster te verlaten, daar de ziele had geleerd op andere wijze vrede te vinden dan door vasten en goede werken. Ook verstond men nu, dat God op andere wijze door Zijn volk wil gediend worden, dan door zich in een klooster op te sluiten.

Goedschiks was er evenwel geen weg te vinden om uit het klooster te komen. Daarom werd er een vlucht beraamd. Luther, die van de plannen wist, had Leonard Koppe van Torgau, een zestigjarigen vriend, bereid gevonden de helpende hand te verleenen en in den nacht van 4 op 5 April 1522 werden 12 nonnen op een wagen weggebracht. Drie van de 12 hoorden in het keurvorstendom Saksen thuis en keerden terug naar de familie aldaar. De negen anderen hoorden thuis in 't gebied van Hertog Georg van Saksen, die de hervorming zéér tegenstond. Ze werden gelukkig veilig geborgen achter ledige haringtonnen door het midden van zijn vijandelijk gebied op 'n wagen naar Wittenberg getransporteerd en Luther wist ze bij verschillende families onder te brengen ; Catharina van Bora bij den stadsschrijver Reichenbach.

Luther woonde nog altijd in het klooster der Augustijners. Van den Wartburg den 3den Maart 1522 teruggekeerd, had hij er weer opnieuw zijn intrek genomen. Maar het aantal bewoners was langzamerhand geslonken tot twee : de Prior en Luther.

Reeds lang had Luther het Coelibaat (de ongehuwde staat der geestelijken) openlijk veroordeeld, zoowel in gesprekken, redevoeringen, als ook in geschriften. Hij wilde hiermee niet zeggen, dat de geestelijken moesten getrouwd zijn, maar hij wilde betoogen, dat het huwelijk niet macht worden gebrandmerkt als iets minderwaardigs, maar veeleer moest worden geacht een heilige en heerlijke instelling. Gods, ook voor Zijne knechten. Hijzelf dat er evenwel niet over een eigen huisgezin te stichten. Hij was op een leeftijd gekomen, waarop mannen het huwelijk eerder plegen te maken tot voorwerp van kritische beschouwingen, dan het nog te zoeken. Er kwam evenwel bij Luther nog wat bij. Was hij niet overladen met werk ? Elken dag werd hij zóó door allerlei in beslag genomen, dat hij gedurende een gansch jaar elken avond oververmoeid op zijn onopgemaakt bed neerviel. Bovendien was hij elken dag in gevaar, ja, in doodsgevaar. „Mij zullen zij geen vrouw opdringen" zegt hij op den Wartburg, toen hij hoorde dat vele monniken huwden. 30 November 1524 schrijft hij aan Spalatinus : „Zooals het op 't oogen blik met mij gesteld is, zal het niet gebeuren, dat ik een vrouw' neem. Niet alsof ik geen mensch van vleesch en bloed ben, maar ik denk niet aan trouwen, omdat ik dagelijks den dood en de welverdiende straf van een ketter voor oogen heb."

Zoo kwam het niet tot een huwelijk. Had hij willen trouwen, dan zou hij, volgens zijn eigen zeggen, Ave van Schönfeld hebben genomen, een van de negen nonnen, die het klooster Nimbschen waren ontvlucht Doch deze was intusschen gehuwd met een jong, flink geneesheer, Basilius Axt te Wittenberg.

Zonder veel over een eigen huwelijk te denken, sprak hij er toch zoo nu en dan van. „Ik drijf met zooveel argumenten anderen tot het huwelijk aan, dat ik er spoedig ook zelf toe zal moeten overgaan, wijl de vijanden niet ophouden den echtelijken staat te verdoemen en onze kleine wijze vrienden er dagelijks; om lachen", schreef hij eens. En 3 Juni 1525 schreef hij aan zijn vriend dr. Johann Rühel : „Het is toch klaar als de dag, dat de geestelijke stand tegen God en Zijne eere is. Het is immers Gods werk en wil, dat een man een vrouw zal hebben. In Genesis 2 vers 18 heet het : „Het is niet goed, dat de mensch alleen zij. Ik zal hem een hulpe maken, die als tegenover hem zij." Wanneer God nu geen wonder doet en van een man een engel maakt, kan ik niet inzien, hoe hij zonder Gods toorn en ongenade op zich te laden, ongetrouwd mag blijven. Vreeselijk is het, wanneer hij in den dood bevonden wordt zonder vrouw te zijn. Wat zal hij antwoorden, wanneer God hem vragen zal : „Ik heb u tot man gemaakt, die niet alleen zijn zal, maar een vrouw moet hebben. Waar is uw vrouw ? "

In dezen trant schreef en sprak Luther over het huwelijk, doch zelf meende hij dat hij niet geschikt was voor het huwelijk, daar hij een zwakke gezondheid had en steeds met den dood rekenen moest, daar hij overal van gevaren was omringd.

De eenzaamheid in het klooster was op den duur echter voor Luther niet om uit te houden. Hij haatte de eenzaamheid, snakte naar gezelligheid. „De mensch is voor samenleving, niet voor de eenzaamheid geschapen" zei hij eens. En intusschen zorgde er niemand voor hem. In eenzaamheid sleet hij zijn dagen, temidden van al zijn bezigheden en beslommeringen. Des avonds viel hij zóó maar op zijn legerstee neer.

Catharina van Bora was intusschen bij de familie Reichenbach te Wittenberg Daar raakte zij in kennis met Hiëronymus Baumgartner uit Neurenberg, voor wien zij hartelijke genegenheid opvatte. Gaarne zou zij met hem zijn getrouwd. Maar, omdat deze patriciërszoon er ten slotte voor terugdeinsde een huwelijk aan te gaan met een onvluchte non, verbrak hij de verloving. Hij huwde later een rijke vrouw.

Toen had Luther, die zich het lot aantrok van de negen meisjes, die tusschen ledige haringtonnen (het was toen vastentijd !) heimelijk gevlucht waren en te Wittenberg min of meer voor zijn rekening kwamen, den predikant Glatz uit Orlamünde voor haar bestemd als echtgenoot. Maar Catharina had geen zin in Glatz. Zij voelde geen genegenheid voor hem, ja, had zelfs een afkeer van hem ; en hierin heeft zij niet zoo verkeerd gehandeld. Want Glatz bleek een wonderlijk en lastig heer te zijn, die tenslotte is afgezet.

In een gesprek met Amsdorf zei Catharina, dat zij met Glatz niet wilde trouwen. „Dan liever met u of met dr. Luther", liet zij zich daarbij ontvallen. Toen er met Luther over gesproken werd, bedankte hij voor de eer. Hij voelde zich niet bijster tot haar aangetrokken. Hij hield haar, de arme adellijke non, voor trotsch en bazig. Maar de eenvoudige bekentenis aan Amsdorf trof hem toch en blijkbaar heeft de gedachte aan haar hem niet losgelaten. Zonder lang te wachten en zonder zijne vrienden te raadplegen vroeg hij haar zijn vrouw te worden. Met zijn impulsieve natuur handelde hij toen, gelijk hij later eens iemand den raad gaf : „Wanneer ge een moeilijk besluit moet nemen, dan moet ge niet veel redeneeren ; God om raad vragen, bidden en dan den knoop doorhakken."

Den 13den Juni 1525 had het huwelijk plaats naar de gewoonte dier dagen. Catharina kwam met den schilder en raadsheer Lukas Cranach en diens vrouw, in wier woning zij den laatsten tijd vertoefde en die als een vader en moeder zich jegens haar gedroegen, naar Luthers woning, het Augustijnenklooster ; daar vond zij reeds aanwezig den jurist dr. Apel, den predikant der stadsgemeente Bugenhagen en Justus Jonas. Ten overstaan van deze getuigen werd het huwelijk gesloten ; de bruidegom 42 jaar, de bruid 26 jaar oud zijnde. Den volgenden Zondag deed het jonge paar zijn kerkgang. Zoo was de gewoonte, die ook door Luther gevolgd werd. Veertien dagen later, den 27sten Juni, had een publiek huwelijksfeest plaats, waartoe Luther vele vrienden van buiten genoodigd had en waarbij ook zijn ouders tegenwoordig waren. Onder de vrienden behoorde ook Leonard Koppe, de ontvoerder der twaalf nonnen ! Vooral de oude Hans Luther was gelukkig. Daar had hij zoo lang naar verlangd en zoo dikwijls over gesproken ! Thans was zijn wensch vervuld, waarbij een andere wensch nu levendig werd, n.l. om het nog te beleven een naamgenoot en stamhouder te zien.

Als ooit een huwelijk opschudding beweeg heeft gebracht en aanleiding heeft gegeven tot veel gepraat, dan is het dit huwelijk geweest. En niet alleen onder Luther's vijanden. Velen zijner vrienden waren er zelfs over ontstemd. Melanchton, hoewel zelf reeds gehuwd, schreef den 16den Juni, een paar dagen dus na de voltrekking van het huwelijk, aan Camerarius : „Onverwachts heeft Luther Catharina van Bora gehuwd, zonder ook maar één van zijn vrienden met zijn plannen in kennis stellen. Gij verbaast u er zeker óók over, dat in zulk een ernstigen tijd, nu de vromen het overal zoo hard te verantwoorden hebben, deze niet met de anderen meelijdt, maar veeleer — naar het schijnt - genieten wil en aan zijn goeden naam schade toebrengt op een tijdstip, nu Duitschland juist zoo bizonder zijn geest en zijn gezag noodig heeft.  Hij zoekt en verklaring voor zijn daad in de slimme intrigues van de nonnetjes, die hem in hare netten verstrikt hebben. Toch wil hij er hem niet te luid over vallen, omdat hij vond dat Luther aangelegd was om te trouwen. En al is deze leefwijze — het huwelijk — ook niet zoo verheven, toch is ze heilig en God meer behagelijk, dan de ongehuwde staat. Hij hoopt, dat het huwelijk hem waardiger mag maken en dat hij daardoor de lust tot grappen, die wij dikwijls in hem gegispt hebben, wat verliezen mag.

Zoo oordeelde Melanchton, dien wij, eerlijk gezegd, in deze niet begrijpen. Want was hij zelf niet gehuwd ? Niet onwaarschijnlijk is het, dat hij zeer ontstemd was, dat hij in het geheel niets wist van dit huwelijk en hij door Luther niet was geraadpleegd. Daardoor was hij beleedigd en niet weinig onvriendelijk. 

Van langen duur is echter die boosheid niet geweest, want den 27sten Juni zat hij mee aan aan het huwelijksdiner! Meer toorn en verontwaardiging verwekte deze daad van den hervormer bij Luther's tegenstanders. Een stroom van lasterlijke praatjes ging over hem heen. Waarvan werd hij al niet beschuldigd ! De grofste, onbeschaamdste scheldwoorden werden hem naar het hoofd geslingerd. Het was alleen wellust, die hem tot het huwelijk had gedreven. En natuurlijk was het een „gedwongen" huwelijk, zeiden de Roomschen. Zelfs een man als Erasmus deed er ijverig aan mee dit praatje door de wereld te strooien ; gelijk hij later met schaamte heeft bekend. Eenigszins is het te verklaren, dat de Roomschen woedend waren. Het was van Luther ook een geweldige, revolutionaire daad ! Steeds toch was in de Roomsche Kerk de ongehuwde staat als een verdienstelijk werk beschouwd. Daardoor kon men zich een hoogeren graad van heiligheid verwerven. Vooral van geestelijken werd dit offer geëischt. In de 4de eeuw was het wet geworden, dat de priesters ongetrouwd moesten blijven. En nu waagt Luther, de gewezen monnik, zijn kuischheidsgelofte te verbreken en daartoe ook anderen op te wekken. Nu durft hij te leeren : „De ongehuwde staat is geen verdienstelijk werk. En het huwelijk is niet zondig, niet laag. Integendeel, het is door God gewild. Wie tegen het huwelijk is, is uit den duivel."

Dat Luther zóó sprak en schreef kwam mede hierdoor, daar hem de slechte en schandelijke gevolgen van den ongehuwden staat van de priesters zoo van nabij bekend waren. En daarom temeer was het hem hooge ernst en heilige vreugd om de zuiver bijbelsche, echt christelijke beschouwing van het huwelijk voor te dragen. En hij was nu gelukkig zelf gehuwd te zijn, zelf een vrouw te hebben.

Drie dagen na zijn huwelijk schrijft hij aan Spalatinus : „Ik heb mij door mijn huwelijk zoo dwaas en verachtelijk gemaakt, dat ik hoop, dat de engelen lachen en alle duivelen weenen ; de Heere leeft en Hij, die in ons is, is grooter dan hij, die in de wereld is." En verder: „Is mijn huwelijk een werk van God, dan behoeft men er zich niet over te verbazen, dat vleesch er zich aan stoot. Nu ieder er zich aan ergert, troost en sterk ik mij in Hem."

Luther heeft in deze nooit spijt gehad, hij heeft het ervaren, dat ook het huwelijk( een goede gave Gods is en dat de Heere ook op dit levensterrein wil geëerd en geprezen worden. „Niemand kan het huwelijk genoeg verheerlijken. Zelfs wanneer de echtgenooten in groote armoede leven is het nog een paradijs", schreef hij later. En op het eind van zijn leven verklaarde hij : „Ik ben, blijf en sterf in eere voor den echtelijken staat."

Het zwarte klooster — dat in 1502 voor de Augustijnerorde was gebouwd, maar nu, nadat alle monniken verdwenen waren, door den keurvorst aan Luther ten verblijf was afgestaan — is getuige geweest van een gelukkig huwelijksleven. Man en vrouw waren niet rijk in geld en goed. De een had hierin den ander geen verwijt te maken, want beide waren arm naar de wereld. Maar ze hadden elkaar lief, innig lief.

Toen Luther stierf bleef zijn vrouw Catliarina arm achtër. Veel hadden zij saam doorgemaakt. Maar toen zij alleen stond klom de armoede tot verschrikkelijke hoogte. In haar nood schreef zij een brief aan Christiaan III, den Deenschen koning, om hulp. Deze brief is onlangs gevonden en we deelen hem hier mee, gelijk we hem vonden in „De Ster" afgedrukt. Hij luidt :

„Ik verzoek onderdanigst, dat Uwe Koninklijke Majesteit dit mijn verzoekschrift genadig moge opnemen, nademaal ik een arme weduwe ben en aangezien mijn man, dr. Maarten Luther, der Christelijke Kerk zulke goede en trouwe diensten heeft bewezen, waardoor hij zich in het bijzonder de genade van Uwe Koninklijke Majesteit heeft verworven-. Uwe Majesteit heeft de goedgunstigheid gehad hem een jaargeld van 50 thaler toe te staan. Ik zeg hiervoor Uwe Koninklijke Majesteit alleronderdanigst dank en wensch Uwe Majesteit over deze hulp alle goeds. Maar daar ik nu met mijne kinderen van bijna alle inkomsten ontbloot ben, deels tengevolge van het groote onheil dat deze verwarde tijd met zich brengt, roep ik Uwe Majesteit onderdanlgst aan. Zij moge mij dit jaargeld behouden en benutten laten. Ik ben overtuigd, dat Uwe Majesteit de groote bekommernissen niet vergeten heeft die mijn lieve man heeft uitgestaan. Uwe Majesteit is ook de eenige koning op aarde, tot wien wij, ellendige christenen, onze toevlucht kunnen nemen, en God zal zeker met Zijnen zegen de groote weldaden vergelden, die Uwe Majesteit den armen Dienaar Christi en zijne bedroefde weduwe nevens ziin vaderlooze kinderen heeft bewezen. En daarom bid ik ook den goeden God zonder ophouden en met allen ijver die mij mogelijk is : De Almachtige God beware Uwe Koninklijke Majesteit, Hare Majesteit de Koningin en geheel het Koninklijk Huis in Zijn genade."

Wittenberg, den 6den October 1550. Uwer Koninklijke Majesteit onderdanigste

KATHARINA,

Weduwe van dr. Maarten Luther.

'Het is niet bekend of de benarde weduwe hulp uit Scandinavië ontvangen heeft. 20 December 1552 is zij na veel reizen en trekken in haren Heiland in Vrede ontslapen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's