Stichtelijke overdenking.
„-zij vergaten hunne legering." Jeremia 50 vers 6b.
De iegerliig vergeten.
Onlangs las ik dat in het afgeloopen jaar, volgens berekening der belastingambtenaren in Oostenrijk per hoofd 10 liter wijn is gedronken. Als men dan bedenkt, dat dit meer is dan het ooit vóór den oorlog bedroeg, dan komt het woord van Jeremia in de gedachten : Dat zij drinken en beven en dol worden vanwege het zwaard, dat ik onder hen zal zenden. (Jer. 25 vers 16).
En niet alleen aan Oostenrijk, dat misschien van de centrale landen 't zwaarst geteisterd is door den gruwel van den krijg, maar aan alle volken kan gedacht worden met betrekking tot Jeremia's profetieën, die gesproken werden tegen de heidenen. Waar echter het oordeel begint van het huis Gods (1 Petrus 4 vers 17), daar worden de beproevingen en de rampen ook hun, die naar Christus zich noemen, niet bespaard.
Maar toch — Babel mag gebruikt worden als een roede in Gods hand om de andere volken, óók Gods volk, te kastijden ; tenslotte zal die roede in het vuur geworpen worden.
Dank zij des Heeren onveranderlijke trouw, zal er een tijd aanbreken, dat de gevangenen Israels wedergebracht zullen worden. Dan zullen de kinderen Israels en die van Juda — immers. God verzamelt Zijn volk uit alle geslachten en talen en volken — komen en weenende den Heere achterna klagen. Dan zullen ze met oprecht berouw bekennen, dat de oorzaak van hun droevig lot geweest is : dat ze als verlorene schapen gingen van berg tot heuvel, vergetende hunne legering.
Israël had een legering.
Het volk wordt vergeleken bij een schaap, dat een schaapskooi en een herder had, benevens een grazige weide. Die schaapskooi of plaats der legering was des Heeren tempel in de heilige stad ; ja, vrij kunnen we zeggen : de Heere Zelf was het, bij Wien het volk veilig schuilde. Maar zij verzaakten den Heere en Zijnen tempel, het zichtbare zinnebeeld van Zijn tegenwoordigheid onder het volk, en dienden andere goden. Toch bleef Hij de plaats hunner legering ; hun hoog vertrek ten dage der benauwdheid, als zij slechts de toevlucht namen tot Hem.
Zoo is het met den zondaar.
Er is een plaats der legering voor hem. Hij heeft die noodig en God heeft er genadiglijk in voorzien. De Heere zelf in Christus Jezus, Zijnen Zoon, die heeft gezegd : komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.
In Christus is God de wereld met Zichzelven verzoenende, en verzoening, dat is rust. Als de schuldovernemende Borg wordt Christus den zondaar voorgesteld ; als de Beveiliger tegen Gods rechtvaardigen toorn ; als de schaduw tegen de hitte der vergelding ; als een schuilplaats tegen den vloed.
Alles wat een zondaar rust kan geven is in Christus verpersoonlijkt.
Wie Christus gewinnen mag, die heeft genoeg. Wie Hem mist, dien ontbreekt alles ; want er is geen andere plaats der legering ; noch voor Israël, noch voor ons.
En nu wordt van Israël gezegd, dat zij hunne legering vergaten.
De profeet gebruikt geen harde woorden, geen verwijten of aandikking, zoodat de beschuldigde zijn consiëntie kan trachten te sussen: dat het toch zóó erg niet was, als het voorgesteld wordt.
Niets van dat alles : sober klinkt de stem van den aanklager: zij vergaten hunne legering, gaande van berg tot heuvel.
De plaats der legering, de veilige toevlucht werd niet op prijs gesteld noch gebruikt, maar geraakte in vergetelheid.
Wonderlijk en onverklaarbaar voor wie een vreemdeling is in de kennis der menschelijke ziel.
Er zijn toch zooveel redenen, waarom men haar niet zou vergeten.
Het is het ééne noodige. De mensch kan het niet missen. Wat is er voor een vermoeide ziel meer noodig dan een plaats om te rusten ?
Het is zoo zalig bovendien. En dan — hoeveel heeft het niet gekost! Is de veilige plaats der legering niet verworven doordat de Christus buiten de legerplaats heeft geleden en door de offerande van Zijn lijden en sterven het rantsoen heeft moeten betalen. Hij, die zelf zonder zonde, van eeuwigheid in de veilige schoot des Vaders was !
O, en toch in spijt van dit alles blijft er het feit: zij vergaten het.
Hoe is dat mogelijk ?
De mensch, van nature hooge gedachten van zichzelf koesterend, denkt het zonder deze legering te kunnen stellen. Hij heeft andere dingen, die hem begeerlijker schijnen. Nog altijd klinkt het: Zijn niet de wateren der Abana en Parpar, de rivieren te Damascus beter dan alle wateren Israels?
Christus heeft geen gestalte dat wij Hem aanziende met onze natuurlijke oogen. Hem zouden begeeren.
De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Hij begrijpt niet hoe zalig het voor hem zou wezen te rusten in Christus en te schuilen in de plooien van Zijn kleed, als hem bange is. Zijn gedachten van gelukzaligheid zijn alle aardsch en vleeschelijk en zijn gericht alleen op vervulling van zinnelust en begeerte der oogen Daarenboven is de mensch van nature een vijand van God en deze haat tegen God en Zijn Gezalfde brengt hem er toe alle herinnering aan een rust voor de ziel, die alleen in den dienst en de gemeenschap Gods gesmaakt wordt, te bespotten en de bevrediging zijner onrust elders te zoeken.
Maar mijn volk wou niet naar mijn stemme hooren, Israël verliet Mij en mijn geboon ; 't Heeft zich and're goon, Naar zijn lust, verkoren. (Psalm 81 vers 13).
Israël dwaalde als verlorene schapen, van berg tot heuvel gingen zij op zoek naar andere plaatsen der legering, alsof er iets beter zou zijn dan de rust in God, die alle verstand te boven gaat.
Zoo gaat het met den mensch. Hij dwaalt rond, zoekende naar rust en het nergens vindend.
Maar toch, zoo armzalig als alle surrogaten ook zijn, hij verkiest ze boven de Rust van Hem, in Wien hij geen vermaak heeft.
De zondaar is vermoeid — zou er een mensch zijn, die in dezen tijd van levensvrees en levensmoeheid, van pessimisme en onverschilligheid, het tegenspreekt — en hij zoekt rust. Maar — hij zoekt het bij den mensch. Nu eens stelt hij zijn hoop op deze, dan op die van conferenties of revoluties verwacht hij zijn heil. Alles stelt teleur, en toch verkiest hij het boven God.
Dit kiezen van den mensch boven God om uitkomst en rust te vinden onder de plagen en nooden naar ziel en naar lichaam is zonde; zonde tegen God en zonde tegen zichzelf, omdat het zoo opzettelijk, zoo met voorbedachten rade gebeurt.
Maar daarom wordt het ook gestraft. Het kwaad straft zichzelve, want de ziel blijft onbevredigd.
En God wreekt de vergetelheid der menschen, hun kiezen van andere dingen boven Hem ; want God is jaloersch op Zijn eere.
Israël wordt getuchtigd; en iedere zondaar tuchtigt Mij nog, zoowel hier als hiernamaals. De Heere duldt niet, dat wij zouden kunnen gaan veronderstellen dat Hij de zonde ongestraft door de vingers zou zien.
Heilig is de Heere en rechtvaardig ; en daarom veroordeelt Hij den zondaar. De rampen die ons treffen, zijn slagen van Gods roede wegens ons vergeten van Hem. En eens zal het voor eeuwig u God verlaten en vergeten zijn in de hel de voltooide wraak zijn, die onbeschrijfelijk vreeselijk zal wezen voor den verharde, die in zijn onbekeerlijkhéid sterft.
Zien we in onze dagen het niet aan alle kanten rondom ons. De onbevredigdheid der ziel, die overal zoekt, wat ze toch nergens zal vinden, immers de goddeloozen hebben geen vrede ! De rampen die in allerlei vorm niet ophouden de volkeren te teisteren !
Dat alles is het niet het vreeselijk gevolg daarvan, dat ook voor onzen tijd de klacht uit Jeremia's dagen geldt : zij vergaten hunne legering ?
Weet gij, lezer, dat er zulk een veilige toevlucht is ?
Zeg dan toch niet in arrenmoede : het is tevergeefs, te denken aan gelukkig worden ; er is geen rust mogelijk. Weet dat er een plaats der legering is.
Weet ge waar dat is ?
Onze ziel is onrustig in ons, heeft een oud kerkvader reeds gezegd, totdat ze rust vindt in U, o God. Die rust is niet onbereikbaar, want, o bekommierde, heilbegeerige ziel, Christus Jezus is gekomen om te zoeken wat verloren was. De valsche herders mogen Israël verleid hebben, gelijk nog altijd de valsche profeten doen, die de breuke der dochter Zions op haar lichtst genezen, maar Jezus Christus, de goede Herder, die Zijn leven heeft gesteld Toor de schapen, Hij beschaamt nimmer de hope der ellendigen, die de toevlucht nemen tot Hem. De Heilige Geest, Die uitgaat van den Vader en den Zoon, om de rust toe te passen aan de zielen der uitverkorenen, is onwederstandelijk in Zijn werk. Hij maakt de afgedoolde schapen gewillig en doet ze weer smaak krijgen aan de grazige weide, waar de plaats hunner legering is bij Christus, den Zaligmaker, aan de stille wateren der rust.
Vergeet dan uwe legering niet, o volk, maar jaagt er naar uw roeping en verkiezing vast te maken, met den psalmist het uitroepend :
Geef dat mijn oog het goed' aanschouw', 't Welk Gij uit onbezweken trouw. Uw uitverkoornen toe wilt voegen ; Opdat ik U mijn rotssteen noem'. En deelend in Uws volks genoegen. Mij met Uw erfdeel blij beroem' !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's