De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven

10 minuten leestijd

Om te verdedigen en te handhaven

Aan de Vrije Universiteit is de ledige plaats van prof. Bavinck dezer dagen ingenomen door den pas benoemden hoogleeraar dr. Hepp, die zijn ambt aanvaard heeft met het uitspreken van een rede handelend over Gereformeerde Apologetiek. Het is onze bedoeling niet om hierover veel te zeggen, maar we willen er toch de aandacht op vestigen. Prof. Hepp vestigde er de aandacht op, dat de Westersche beschaving een geweldige crisis doormaakt in het staatkundige, in het oeconomische en bovenal in het geestelijke. Men was trotsch op het nieuwe wereldbeeld, door modernen tijd geschapen. En nu blijkt het, dat geen tijd zoo arm was als de onze. Elke tijd had een wereldbeeld, de onze niet. Het groote kenmerk van onzen tijd is, dat hij geen kenmerk heeft. Men is goed gesorteerd in wereldbeschouwingen, maar niet één ervan domineert. Tegenover den juichtoon : de ziel overwint, wordt weer gehoord het rauwe geschreeuw van het materialisme.

Dat eenheidsgebrek komt ook uit in wetenschap, kunst, kuituur, zedelijkheid en religie. Wat deze laatste betreft : er is in onzen tijd wel plaats voor de religie, maar dan voor de zoogenaamde vrije religie of liever vrije religies. Het christendom, met zijn pretentie de eenig ware, de absolute religie te zijn, kan in de oogen van den modernen mensch geen genade vinden. Men trekt van alle kanten tegen het christendom op. De aanval richt zich niet slechts tegen den bovenbouw der Kerk, maar bedoelt haar te ontblooten tot haar fundamenten toe. Hiertegenover hebben Kerk en weten­schap te verdedigen. Men heeft dat allerwegen gevóéld. De apologetiek bloeit. Alleen van Gereformeerde zijde werd er tot heden weinig aan gedaan. K u y p e r en Bavinck, onder den indruk van de Utrechtsche apologetische school, verwachtten vroeger van apologetiek geen heil. Maar K u y p e r voorspelde, dat het eisch van den toestand zou kunnen worden om apologetisch van ons af te spreken. In dit stadium verkeeren we thans.

De geschiedenis van de apologie en de apologetiek in den nieuweren tijd is een lijdensgeschiedenis. Van Hugo de Groot tot nu toe laat zij zich saamvatten in deze twee woorden : „beweisen" en ..begründen." Vóór Schleiermacher wilde men de waarheid van het christendom bewijzen voor het natuurlijk verstand. Na Schleiermacher wil men de apologetiek „begründen" op de religieuse ervaring. Het eerste liep uit op rationalisme, bet tweede op subjektivisme. Nog altijd loopt de apologetiek in een doolhof rond.

Het is daarom harde noodzaak een apologetiek van den grond af op te bouwen. Jammer, dat wij in onze Gereformeerde theologie zoo weinig vinden, dat daarbij dienen kan. Wel verdedigden onze vaderen de belijdenis tegen Roomschen, Joden, Heidendom, Mohammedanisme. Atheïsme, maar de grootste vijand werd niet van het begin af herkend; het Humanisme. Dit humanisme trad met Melanchton de reformatorische kerken binnen. Het heeft tot diepstliggend beginsel : de autonomie van den mensch. Had de Reformatie zich tegenover het humanisme van haar apologetische roeping gekweten, het ware naar onze berekening zoover niet gekomen.

Daarom moet nu met des te meer ernst ons voor oogen staan : de idee der verdediging. En dan moet zuiver antithetisch gewerkt worden, stelling tegenover stelling.

Wat dan verdedigd moet worden ? In de gebruikelijke taal zou men zeggen : de geloovige wereldbeschouwing. Maar wereldbeschouwing is hier te eng. Er wordt bovenal aanslag gepleegd op onze Godsbeschouwing. Ook op onze levensbeschouwing. Gods-, wereld-en levensbeschouwing liggen samen besloten in het dogma, hier niet verstaan als een reeks afzonderlijke dogmata, miaar als een eenheid.

En dan kan hier niet volstaan worden met een „christelijke" apologetiek.

We moeten krijgen een Gereformeerde apologetiek, gelijk — aldus prof. Hepp — onze Vrije Universiteit leeft uit de overtuiging, dat er een speciaal Gereformeerde Gods-en wereld-en levensbeschouwing bestaat. Zij eischt, dat haar apologetiek Gereformeerd zal zijn. Ook kan op Bavinck's Gereformeerde dogtnatiek niet anders correspondeeren dan een Gereformeerde apologetiek. Vanzelf sluit dit samenwerking met den apologetischen arbeid van andere richtingen niet uit. Een Gereformeerde apologetiek verkeert in gunstiger konditie dan eenige andere. Zelfs niet-geestverwanten bewonderen het grootsche Gedanken-komplex van het Calvinisme. Het geloovig verstand vindt nergens zulk een bevrediging als in de Gereformeerde wetenschap.

De Gereformeerde apologetiek heeft haar verdediging te richten tegen alles, wat het Gereformeerde dogma aanvalt, naar verhouding tot dogmatiek en filisofie dient zuiver gehouden.

De methode der Gereformeerde dogmatiek moet een andere zijn dan die van het redebewijs of den ervaringsgrond. Meer dan ooit is men in onzen tijd van de beteekenis van het irrationeele doordrongen. Men heeft te onderscheiden tusschen vier momenten : het Goddelijk rationeele, het menschelijk rationeele, het irrationeele en het suprarationeele. Rationeel valt tegen het Gereformeerde dogma niets in te brengen. De methode der Gereformeerde apologeiiek moet zijn een zuiver defensieve.

Eindelijk mogen ook de gevaren der apologetiek niet verzwegen. Het grootste gevaar ligt in overschatting der wetenschap. Zij mag niet over de dogmatiek heerschen, maar moet de dogmatiek volgen. Op de Gereformeerde dogmatiek moeten onze voornaamste krachten geconcentreerd blijven. Een tweede gevaar is dit, dat de apologetiek zoo licht verandert in heuristiek of problematiek. Een derde, dat men haar denatureert tot synthetiek.

Worden deze gevaren gemeden, dan belooft de Gereformeerde apologetiek rijke vrucht. De uitkomst van den strijd is niet onzeker. Wij zijn meer dan overwinnaars, door Christus, die ons heeft liefgehad.

Tot zoover prof. Hepp.

Een nieuwe taak dus. Ter verdediging van ons christelijk geloof. Waarbij ieder voelt, dat we daar behoefte aan hebben, al laat men er dan op volgen, dat het moeilijk werk is.

Wij zullen met belangstelling blijven volgen wat prof. Hepp in deze gaat doen, ter handhaving van ons christelijk geloof, ter verdediging van onze christelijke Oods-, wereld-en levensbeschouwing. Want wat daar aan de Vrije Universiteit geschiedt heeft beteekenis voor grooter kring dan die van de kerkelijk-Gereformeerden.

De Heere zegene den arbeid van den nieuwen professor en stelle hem tot een zegen !

Wat Rome ieert.

Rome verwerpt den Bijbel niet, maar in de practijk wordt de bijbel buiten gebruik gesteld ; omdat boven den Bijbel iets anders en iets beters staat en wel de Kerk en de overlevering, welke de Kerk vaststelt.

Niet Gods Woord is een licht op het pad en een lamp voor den voet, maar de Paus, de geestelijkheid, is de gids ten leven. Er is geen onderzoeken van de Schriften, maar een blindelings volgen van de Kerkleer ; waarbij Rome intusschen gelegenheid krijgt een Evangelie te verkondigen, waarbij het pausdom, de oorbiecht, de mis, het vagevuur, de vereering van de heilige Maagd Maria, de heiligen, de reliquieën schering en inslag is ; waarbij allerlei kerkelijke gebruiken als : wijwater,  het teken des kruises, rozenkrans, processiën, enz., een belangrijke rol spelen.

Van dit alles, dat Rome leert, zegt Gods Woord niets. Of beter gezegd, tegen dit alles waarschuwt de Heilige Schrift direct en indirect; opdat we toch ons vertrouwen niet zullen stellen voor tijd en eeuwigheid op dergelijke leugenachtige leeringen en zondige practijken. Maar Rome dweept juist met deze dingen, welke zij zelve verzonnen heeft en wat zij in leerstellingen, traditiën, ceremoniën, enz., vastgelegd heeft, een ieder betuigend, dat hiervan af te wijken niet oorbaar is, op straffe van ban en vloek. Hiervan zeggen wij met onze vaderen, die door Gods genade uit Rome's dienst huis zijn uitgeleid, om weer te mogen drinken uit de frissche bron der Schrift, dat deze Roomsche dingen leiden tot vervloekte afgoderij en dat door al zulke menschelijke en bedriegelijke inzettingen de geboden Gods eigendunkelijk krachteloos worden gemaakt.

Door 't inruilen van de Heilige Schrift voor de traditiën, ceremoniën en plethtigheden door de Kerk verzonnen en ingesteld, is men in Rome's Kerk gekomen tot allerlei dwalingen als het misoffer, de tonsuur, het coelibaat, het laatste oliesel, het vagevuur, de verdienstelijkheid der goede werken tot zaligheid, de onfeilbaarheid van den paus, enz.

Zonder die overleveringen valt het geheele gebouw der Roomsche leerstellingen inéén en daarom worden die traditiën ook juist door Rome onderstreept en met hand en tand verdedigd en Rome laat hier geen vrijheid, maar ieder moet zich hier voor de Kerk buigen : Roma locuta, causa finita, d.i. als Rome gesproken heeft, behoeft en mag er niet meer geredeneerd worden; dan is 't uit en staat het vast en heeft men blindelings te gehoorzamen en te volgen!

Terwijl de mensch, die zich niet gelukkig voelt, hijgt naar verlossing, zet Rome's Kerk den mensch als zondaar niet voor den spiegel van Gods wet en laat niet over hem lichten het schijnsel van Gods Woord, waarbij hij alleen in staat is zichzelf recht te leeren kennen in zijn diepen val. Dat is een principiëele fout van Rome. Want wij hebben den mensch niet te prediken iets uit onszelven ; geen evangelie uit den mensch of naar den mensch, want hier is alles, naar het eeuwigheidswoord van Paulus. uit en door en tot God, Die Zelf uit grondelooze ontferming het evangelie des kruises heeft geopenbaard, waarbij het harte van het verloste volk zich reeds blijde mag verheugen in den tijd, zeggende : „zoo is er dan geene verdoemenjs meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn, 

Wie hier afwijkt van Gods Woord, wendt zich tat.de fantasie van 't schepsel, dat op allerlei wijze blijft pogen zich zelf te verlossen. En dan weegt de mensch geld uit voor hetgeen geen brood is en wendt z'n arbeid aan voor hetgeen niet verzadigen kan. Waarbij reeds Jesaja uitriep : zoekt den Hêere, terwijl Hij te vinden is. roept Hem aan terwijl Hij nabij is.

Komt de mensch daartoe, dat hij het in rechte wegen naar uitwijzen, van Gods Woord leert zoeken bij den Heere. dan zal hij tot in eeuwigheid vrede en vreugd genieten. Dan komt de mensch, die innerlijk ontredderd is en in een staat van verarming en ellende dreigt weg te kwijnen te midden van onvrede en voortwankelt naar het graf, zonder geneesmiddel, zonder troost en zonder vreugd zijnde bij Geesteslicht tot de wondere ontdekking, dat er bij den Heere vergeving is en uitredding van den dood. Wat Jesaja in dat prachthoofdstuk van zijn profetieën in beeldende taal heeft bezongen, zeggende : dat zij die in dien weg mogen wandelen in blijdschap zullen uittrekken en met vrede voortgeleid worden. De bergen — zoo zingt hij, de Evangelist der Oude Bedeeling — en de heuvelen maken daarbij geschal met vroolijk gejuich ; de boomen des velds klappen in de handen voor 't aangezicht van de verlosten, zich mee verblijdend in het heil door God voor Zijn volk bereid. En waar eertijds doornen het pad des zondaars versperden, overschaduwen hooge dennen den weg met hun immer-groenend loover en waar te voren distels staken, daar geuren de lieflijke mirten, groeiend en bloeiend in de diepte langs het pad. dat voor de verlosten naar het hemelsch Jeruzalem leidt.

Dat is van'den Heere ; van Hem alléén !

Gelijk Jesa]a 't nader nog omschrijft: als de woestijn verandert in welige landouwen en. de "wildernis bloeit als een roos, dan zingt het verloste volk : het is den Heere tot een Naam, tot een eeuwig teeken, dat niet uitgeroeid zal worden !

Zóó heerlijk is de weg Gods voor een doemwaardig volk, gelijk de Heilige Schrift ons dat beschrijft. En bij dien Schriftuurlijken weg moeten we zijn, als het gaat over den weg des heils. Dan hebben we niet tot taak om zelf een weg uit te denken; we hebben het, niet te vragen aan de wetenschap ; wij hebben niet ter schole te gaan bij de kunst of bij de cultuur; We hebben ons te houden aan de H. Schrift. Want geen mensch, maar God Zelf heeft den weg des heils in Christus uitgedacht en bekend gemaakt : het is de altijd versche en levende weg, door Christus Zelf gebaand; het is de weg waarop de kinderen Gods van alle tijden, zijn geleid geworden door den Heiligen öeest, naar Gods Woord.

• • - . (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's