De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

„Repos ailieurs!" „Elders de rust!"

(Marnix van St. Aldegonde).

Zij leden beiden, zij streden beiden.. ten bloede toe ; ook stierven zij beiden tegelijk den marteldood ; één in geloof, één in hope, één in liefde, éen in Christus !

Guido de Brés en Peregrin de la Grange, zie hier hun beider namen, geschreven als zij staan met gulden letteren in de rij der martelaren, in het boek des Levens des Lams.

Waren zij gedachtig geweest en gebleven aan het Vaderland waarin zij leden en streden, zij hadden nog den tijd om weder te keeren, maar, neen, zij waren begeerig naar een beter, dat is naar het hemelsche. Daarom schaamde zich God ook hunner niet, om hun Qod genaamd te wórden ; want Hij had hun eene stad bereid. Door lijden tot heerlijkheid ! „Mij dunkt", zoo sprak Guido met een blijmoedig gelaat even voor zijn sterven, „dat mijn geest vleugels heeft om naar den hemel te vliegen, daar ik heden genoodigd ben ter bruiloft van mijnen Heere, den Zoon van God." De gerechtsdienaar kwam op hem toe, nam den hoed af en groette hem. Guido groette hem insgelijks en dankte hem voor de goede tijding, die hij hem gebracht had.

En Peregrin de la Grange, Guido's vertrouweling ? Volmoedig sprak hij zijne medegevangenen toe : „Ik ben ter dood veroordeeld om de leer des Zoons Gods, nu ga ik naar het eeuwige leven ; want mijn naam staat in het Boek des Levens geschreven, en kan daar niet uitgewischt worden: de genadegiften Gods zijn onberouwelijk !" Hij eischte een kleerborstel om zijn rok en mantel te schuieren. „Waartoe ? " vroeg men hem. „Heden ben ik genoodigd tot de bruiloft des Lams", was zijn zielsroerend bescheid.

Want die zulke dingen zeggen, betoonen immers klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken. Zij leden, zij streden, ook zij beiden, ten bloede toe. En de Bruidegom kwam en die gereed waren gingen met Hem in tot de bruiloft en de deur werd gesloten.

„En hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren." Hebr. 11 vers 13c.

a. De staat.
b. De weg.
c. De toestand van de Kerke Gods.
d. De Kerk des Heeren ontving haar naam niet van Abraham, ook niet van Izak, wèl van Jacob.
De ware geloovigen heeten niet Abrahamieten, doch Israëlieten. Waarom ? Omdat de Heere met, door en voor Jacob van het begin tot het einde worstelde en streed. Geen der patriarchen zag dan ook zulke en zoovele kwade dagen in zijn leven als Jacob. En toch „gij hebt u vorstelijk gedragen. Uw naam zal voortaan niet Jacob heeten, maar Israël : gij hebt overmocht !" De Kerk Gods is dus in haar wezen of staat een vorstelijk-strijdend geslacht. En vraagt men nu naar hare afkomst ? Van Pniël, van Jacob worden we heengewezen naar het paradijs, naar Adam, den zoon van Ood.

Daar leert men de Kerk kennen in ons aller bondshoofd en wel in tweeërlei staat, in die der rechtheid en der slechtheid, zooals ze eens was en zoo ze eens werd. Als gasten en vreemdelingen op aarde toch werden Gods kinderen in Adam niet geschapen, doch door en in Adams val in moedwillige ongehoorzaamheid in overtreding zijnde, verzond hem de Heere uit het paradijs om den aardbodem te bouwen, waar hij uit genomen was en in wederkeeren zou. Toen werd hij gast, toen was hij vreemdeling op aarde. In rokken van vellen, door den Heere Zelf gemaakt en Adam en Eva, zijne vrouw, aangetrokken, vermits ze, ontbloot van het beeld Gods, zien schaamden en naakt waren, zag het betraande oog terug op den blinkenden Cherub met zijn glinsterend zwaard, den toegang tot den weg van den boom des levens bewarend en bewakend.

Welk een hemelsbreed verschil tusschen toen en thans ! Toen van alle schepselen in tijdsorde de laatste, in rangorde de eerste en de hoogste. Alle schepselen, zij komen op 'n enkel machtwoord des Heeren, Adam op en na 'n goddelijken raadslag. Toen onder hem de aarde, boven hem de hemel, rondom hem de dieren en voor hem zijn Schepper, alles in volmaakte harmonie. Toen voorzeker, niet minder dan op den eersten dag, zongen de morgensterren en juichten de kinderen Gods ! Ook Adam, als een kind aan de hand zijns vaders, hij wandelde eens met God en God met hem ! En thans ? Uit den staat der rechtheid viel hij in die der slechtheid. Van een koningskind werd hij een vazal van den vader der leugenen, den duivel, een menschenmoordenaar van den beginne. In het zweet zijns aanschijns verdient en eet hij zijn brood van de aarde, die hem doornen en distelen biedt ; Eva baart hem in smarte een zondig en zondigend kroost. Dit zal in woord en daad belijden en beleven gasten en vreemdelingen te zijn op de aarde. En toch — er zal onderscheid wezen. Gelijk in de natuur zich dag en nacht in een sterk contrast tot elkander bewegen, zóó zal 't ook zijn in den staat van Gods Kerke. In en uit den staat der slechtheid zal een nieuwe dag rijzen, de staat der genade, om eenmaal in den dag der dagen over te gaan in dien der verheerlijking. Wat de Heere eens sprak van Jacob: „Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat" vindt ook zijn weerklank in de beide eerste zonen Adams, Abel en Kaïn. Als gasten en vreemdelingen werden zij geboren, doch in een machtig onderscheid. Abel leerde zulks in zijn leven weten en verstaan, Kain niet. Mocht de een over zijn verlorenheid weenen én in berouw zijn, de ander zong blijkens zijne gedragingen het spotlied van het paradijs, zijn doodzang : „Laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij !" Alzoo offerde Abel, eene meerdere offerande Gode dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis gaf en door dat geloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is. Zoo werd de eerste martelaar de eerste hemeling, hierboven door de engelen begroet, Ezau daarentegen bleef gast en vreemdeling hier beneden, hij vond de plaats des berouws niet, hoewel hij die met tranen zocht.

b. De-weg der Kerke Gods gaat hier in tranen. Ziet het in Jacob, in Maria, ja, in alle kinderen Gods, die ons de Godsgeest in de Waarheid teekent. In tranen, doch door den Geest gewekt, zoo niet, het blijven wat zij van nature zijn bloote, bittere druppelen waters.

„Zij toch zullen komen met geween en met smeekingen zal Ik hen voeren aan waterbeken in den rechten weg, waarin zij zich niet zullen stooten; want ik ben Israël tot een Vader en Ephraïm is mijn eerstgeborene." De rechte belijdenis voert tot haar rechte beleving. Als een haak en een oog hooren zij bijeen en passen en in elkander. Belijden Gods kinderen hier gasten en vreemdelingen te zijn, het is de Geest Gods, die hen in deze belijdenis wakker riep in hun verlorenheid, in hun Godsgemis en in hun van nature vervreemd zijn van het burgerschap Israels. Treffelijk zien wij zulks ten tijde, dat de Kerk Gods in Gosen, het slavenhuis van Pharao, een ander Bochim, toeven moest. Tijdelijke honger had hen hierheen gedreven en meer dan vier eeuwen waren en bleven zij hier gasten en vreemdelingen, totdat een andere, een betere honger naar de eeuwige dingen, een roepen tot den Eeuwige, hen uit den dood zou voeren tot het leven in een weg, dien zij niet geweten, door een pad, dat zij niet gekend zouden hebben. Maar niet eerder dan dat zij zwart zouden zijn van dienstbaarheid, daar de mensch in den weg der bekeering bij de eerste lichtstraal van omhoog als een drenkeling vastgrijpt aan een verbroken werkverbond.

Tot Zijn Israël in de verdrukking zendt de Heere, die het van eeuwigheid met een wakend oog beschouwt, Mozes. Deze zal ze uit-en opvoeren. In hem vinden zij een man Gods, maar de ervaring zal het uitwijzen, nog geen Man uit duizend. Deze zal hen aan deze zijde van de Roode Zee doen weenen van vrees en aan gene zijde 'n blijden jubelzang op de tamboerijnen van Mirjam de verlossing doen herdenken en bezingen.

Hoe gaare waren zij hier gebleven aan dezen oever van een zee, die hen kleinood op kleinood deed aandrijven, maar neen, ook hier : „Zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken !" Zij waren als gasten en vreemdelingen in de woestijn, hun oefenschool. Van nu aan zouden zij hun weg reizen in dorst en donkerheid. Mara en Sinaï beiden waren bitter en persten tranen. In tranen zouden zij zaaien, met gejuich eens maaien, dan, wanneer zij door Mozes' dood heen op Jozua zouden blikken. Ook hier geen blijvende stad. Hier zouden zij leeren, dat al wie Sinaï aanraakte zou sterven, zelfs de allerreinstgewasschene priester, om daarna van Jo­zua een goed gerucht te mogen hooren van een land vloeiende van melk en honig, het land, het leven van Immanuël. Want zoovelen als Hem hebben aangeraakt, die werden genezen. Door den dood tot het leven. Hallelujah !

c. En vraagt men nu naar den toestand van Gods Kerke hier op aarde ?

Antwoord : „In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen." Dit woord geldt de rechte gasten en vreemdelingen, die in tweeërlei wereld, uit-en inwendig mogen leven. Zij, Gods kinderen, zijn een afgezonderd volk, gelijk de Heere Jacob, Israël, ja, alle Zijne kinderen alleen doet wonen. Zij hebben hun eigen taal. Wie toch kan er tegelijk klagen en roemen, weenen en lachen, rijk en arm zijn, sterven en nochtans leven ? Dt is de paradox voor het geslacht van Kaïn, van Ezau. „In God het al, in 't schepsel niet", dit toch komt in het hart van den sterveling niet op, tenzij de Heere het hem leert. Hier dragen zij het roode bloedkleed van spot, het schapenvel van verachting. Hier gaan zij door eer en door oneer, door kwaad en goed gerucht. Was dit eens het deel van den meerderen Jozua, die kwam om te zoeken en te zaligen wat verloren was, alzoo de eere Zijns Vaders herstellende, hun Hoofd, wat zal dan het lichaam, dat nog gast en vreemdeling is, te wachten staan ! Maar, hebt goeden moed. Gaat uwe reize in dorst? Zalig, die hongeren en dorsten (hier in de woestijn) naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Bij stukjes, bij brokjes, met een klein beginsel, als hondekens aan 's Heeren voeten. Het manna wordt alleen gegeven aan en gegeten door hen, die uit Egypte geroepen zijn, in dezen weg volgt ook de Steenrots het volk en de Steenrots was immers Christus!

Zalig, driewerf zalig dan hier recht gast en vreemdeling te zijn, belijdende en belevende met den dichter in 's-Heeren Geest: „De Heere bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddeloozen weg keert Hij om. De Heere zal in eeuwigheid regeeren; uw Ood, o Sion, is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's