Uit het kerkelijk leven
Wat Rome leert.
IV.
Zegt de Schrift, dat de mensch, die naar Gods beeld geschapen is, in Adam is gevallen en sinds onbekwaam tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij hij wederom geboren wordt en door Gods Geest wordt gemaakt een nieuw schepsel, de Roomsche Kerk stelt het anders voor. De mensch is wel ingekort in zijn heerlijkheid, maar des menschen natuur is niet als zoodanig verdorven. Als nu de mensch maar met de Kerk in aanraking komt, dan komt er samenwerking tusschen de goddelijke genade en den mensch, in wien de zinnelijkheid wordt beteugeld; en de mensch, door den doop rechtvaardig, wordt opgekweekt met de hulp der Kerk tot heiligheid.
Een Roomsche, die goed Roomsch is, kan dan ook hier op aarde, reeds heilig worden, als hij (zij) om van de hulp en medewerking der goddelijke genade ver zekerd te worden, maar een trouw gebruik maakt van de Kerk. Ja, hij kan 't dan zóó ver brengen, dat hij méér doet, dan Gods geboden, strikt genomen, van hem verlangen. Én volbrengt hij de zwaarste eischen van heiligheid, door de Kerk voor de allerheiligsten gesteld, dan maakt dit niet alleen al zijn eigen zonden goed, maar er kan ook door de Kerk van gebruikt worden tot verzoening van anderer zonden. Hierbij zijn de eischen voor de gewone leeken anders dan voor degenen die een gelofte afleggen. De laatsten moeten méér doen dan de eersten ; en zoo is er ook tweeërlei zedelijkheid.
Deze valsche Roomsche opvatting aangaande de natuur van den mensch en het stuk der rechtvaardiging en heiligmaking is de vruchtbare bodem geworden voor allerlei dwaalleeringen : het kloosterleven, de heiligen-vereering, de aflaat zijn er de vruchten van.
Nauw verband hiermee houdt de Roomsche Avondmaalsviering, die feitelijk 'n offer is, dat Gode geofferd wordt, om daardoor vergeving der zonden te krijgen. Daarvoor is een altaar noodig met allerlei ceremoniën en op dat altaar wordt met veel plichtplegingen Jezus Christus op onbloedige wijze telkens weer geslacht tot verzoening, wat onze Heidelbergsche Catechismus noemt een tekort doen aan en dus een verloochening van de eenige en volmaakte offerande door Christus op Golgotha ge bracht, toen Hij Zichzelf door den eeuwigen Geest Gode offerde tot een eeuwige verlossing voor al Zijn volk. En waar Rome dat eenig en volmaakt offerand, waarin een eeuwige rechtvaardiging ligt voor al Gods kinderen, verloochent en zich keert tot de mis, noemt onze Heidelbergsclie Catechismus deze ook een vervloekte afgoderij, dewelke het vertrouwen doet stellen op iets dat buiten Christus verlossingswerk op Golgotha ligt. De ., broodgod" trekt hier aller aandacht bij Rome, zooals onze vaderen het uitdrukten ; dewijl toch Rome leert, dat het brood verandert in het vleesch en de wijn in het bloed van Christus en aller oog daarop ziet en aller hart daarop het betrouwen stelt.
In dit verband kunnen we de ziel missen noemen, welke voor de zielen in het vagevuur worden gehouden om dezen zielen aflaat en daardoor verlossing van hare pijnen te bezorgen. Hierdoor is iedere Roomsche in de gelegenheid door den priester missen te laten .lezen voor de zielen van afgestorven verwanten of vrienden. Ook kan men bij z'n leven door het vastzetten van een bepaalde som, maatregelen nemen, dat de Kerk, na het sterven, missen laat lezen, waarvan velen gebruik maken ; met dit gevolg, dat, naar men zegt, de priesters niet eens in staat zijn alle missen te lezen. Omdat de tiid ontbreekt daarvoor. En daar voor elke mis, die men voor zich of anderen laat lezen, door armen en rijken moet betaald worden, kan men wel begrijpen, dat daardoor de inkomsten voor de Kerk niet onbelangrijk zijn.
We noemen hierbij ook de biecht, hetwelk, volgens Rome, een sacrament is, door Christus ingesteld. -
In elke Roomsche kerk vindt men. tal van kleine vertrekjes — meestal van hout — biechtstoelen geheeten, die door een schot in tweeën verdeeld zijn. In 't ééne bevindt zich dan de biechtvader, in het andere de biechteling, die den eerste door een klein getralied venster zijne zonden in het oor fluistert. Alles wat den priester alzoo toevertrouwd wordt, moet een heilig geheim blijven, alsof het in een graf besloten was ; terwijl de priester het recht heeft alle nadere inlichtingen te vragen welke hem wenschelijk voorkomen. De biecht dient in het algemeen om vergeving van zonde en straffen te verkrijgen van de Kerk en een vermeerdering van heiligmakende genade. En onder bedreiging van uitbanning is bepaald, dat iedere Roomsche ten minste éénmaal 'sjaars ter biecht moet gaan, evenals ter communie. Daar de oorbiecht voorwaarde werd der absolutie of vergeving der zonden door de Kerk, is ze dus onmisbaar en moet elke Roomsche er gebruik van maken.
Dan heeft Rome de leer van het vagevuur, waarop wij reeds doelden toen wij het hadden over de zielmissen voor de afgestorvenen.
Volgens de Roomsche Kerkleer bestaan er voor de zielen der afgestorvenen onderscheidene plaatsen. Ze zijn de hel: de verblijfplaats der verdoemden, die eeuwige ellende lijden ; de hemel: de verblijfplaats der gezaligden ; len tusschen deze twee: het verblijf van de zielen der kinderen die ongedoopt zijn gestorven. Tenslotte is er nog het vagevuur of reinigingsvuur, waar de zonden, na den Doop, de vergetelijke zonden, die nog niet geboet zijn, moeten worden afgeboet. Dit geschiedt in een louteringsplaats. In een vuur, dat de Kerk zich grof zinnelijk voorstelt, moeten de zielen zoolang gefolterd worden, totdat ze rein zijn gemaakt en geschikt om er uit verlost te worden en overgeplaatst in den hemel.
Tusschen de strijdende en de zegevierende Kerk is er dus bij Rome nog een lijdende Kerk. Nu zijn er volgens de Roomsche Kerk middelen, waardoor de ellende en het lijden voor de zielen in het vagevuur kunnen worden verkort. Die middelen zijn : misoffer, aflaten, gebeden der geloovigen op aarde, goede werken door dezen voor de gestorvenen verricht.
Men kan ook geheel van het vagevuur worden vrijgesteld. Want de Kerk heeft een schat van overtollige goede werken der heiligen waarover de onfeilbare Paus de vrije beschikking heeft, uit kracht van zijne van Christus ontvangen volmacht. En nu kunnen de vagevuur-straffen, door de verdiensten der heiligen, door middel van aflaten veranderd worden in aardsche straffen. Door een aflaat kan men dus vrij komen van de straffen na den dood, om ze in het leven te dragen ; en van die aardsche straffen is dan weer vrij komen door andere aflaten ; zoodat men zoo tenslotte van alles vrijkomt en rechtstreeks naar den hemel mag gaan en 't vagevuur overslaat.
Hier willen we even herinneren aan de 32ste stelling van Luther : „zij zullen met hunne meesters naar den duivel varen, die meenen door aflaatbrieven van hunne zaligheid verzekerd te zijn" ; en aan de 52ste : „Van aflaatbrieven vol vertrouwen zijne zaligheid te verwachten, is een nietig en leugenachrig iets, al wilde de aflaatprediker, Ja de paus, zijne ziel daarvoor verpanden."
Rome is dus wel rijk aan allerlei middelen en wegen waardoor de mensch geholpen kan worden om zalig te worden.
't 'Begint al bij den Doop. Dan moet, door de toediening van het doopsel, de erfzonde worden weggenomen en een bovennatuurlijke heiligende kracht worden verleend, tot overheersching der zinnelijke kracht. Dan wordt men lid der Kerk en in den genadestaat overgezet ten leven. Begrijpelijk is 't daarom, dat de Doop — een soort operatie der Kerk, om uit de sfeer van onheiligheid en dood over te zetten in de sfeer van heiligheid en leven — het eerste en noodzakelijkste sacrament bij Rome is. Is een kind ongedoopt gestorven, dan kan het niet ten hemel ingaan. Daarentegen, als iemand, wie dan ook, maar gedoopt is door Rome, dan is hij Roomsch en in de Kerk ingelijfd en daardoor in beginsel behouden. - "
Hiermee correspondeert het sacrament van het vormsel of de confirmatie. Dat bestaat hierin, dat de jonge leden der Kerk door den bisschop, als de bezitter van meerdere geestesgaven dan de gewone priesters onder het uitspreken der woorden : , ik teeken u met het teeken des kruises en bevestig u met de zalving des heils : in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes" den bevestigde met olie een kruis op het voorhoofd maakt, hem de handen oplegt en hem den geestelijken ridderslag geeft, door een tik op het oor te geven, om den bevestigde alzoo onder de leden der Kerk te bevorderen.
De kracht van dit sacrament is, volgens Rome, dat den bevestigde sterkte geschonken wordt tot heiligheid en kracht tot standvastigheid in de gerechtigheid.
Daarbij weet de Roomsche, dat de troon van Jezus, den gestrengen Rechter, omringd is van heiligen, die een schat van goede werken hebben geschonken aan de Kerk. Die heiligen moeten vereerd en nagevolgd worden, vandaar de heiligen-geschiedenissen, waaraan de Roomsche Kerk zoo rijk is en die zij den leeken inprent. Dan moeten die heiligen, die in den hemel zijn, worden aangeroepen om hulp te willen verleenen aan degenen die nog op aarde zijn en als voorsprekers en middelaars te dienen bij Christus, tot Wien niemand zóó maar naderen mag. Die heiligen hooren de gebeden van degenen die hen aanroepen en zij schenken dengenen, die op aarde zijn, allerlei zegeningen, uitreddingen, voorspoed, bescherming, genezing, enz., waarvoor de heiligen weer geschenken ontvangen.
Ieder krijgt onwillekeurig een eigen beschermheilige ; en iedere stad, ieder werk, iedere vereeniging houdt er een schutspatroon op na. St. Crispinus is de patroon van de schoenmakers ; St. Caecilia van de muzikanten ; St. Chr-ysostomus van de predikers, enz. enz.
„Waar de heiligen in den hemel voorbidders zijn en hier op aarde schutspatronen heeft God" zoo riep Luther uit „bijna niets meer te doen!"
Natuurlijk kan de Roomsche eerst door de kerk weten wie hij als heiligen te erkennen heeft; waarbij de kerk, de Paus, verklaart wie al of niet tot de heiligen behooren zal. Iemand die jaren geen heilige geweest is, kan door een heilig-verklaring van den Paus (de Kerk) in de rij der heiligen in den hemel gezet worden, waarbij de Paus (de Kerk) blijkbaar de vrije beschikking heeft over de plaatsen in den hemel!
Vanzelfsprekend is, dat „de H. Moeder Gods", de „onbevlekte Maagd Maria" aan het hoofd van de geheele heiligen-schaar staat !
Aan behulpsels, leunsels en steunsels ontbreekt het den Roomschen dus niet. Waarbij de reliqiiieën of overblijfsels van heiligen, van de Moeder-Maagd, van Christus, van de apostelen, ook van groote beteekenis zijn. De zweetdoek waarmee de heilige Veronica, volgens de legende, 's Heeren gelaat op den kruisweg heeft afgedroogd; heilige rokken van Christus, die bewaard worden in Trier en elders; het heilige kleed, dat Maria, de moeder Gods, heeft aangehad in den heiligen Kerstnacht toen Jezus uit haar geboren werd; de lendendoek, die Jezus omhad toen Hij hing aan het kruis en zooveel overblijfselen van ontelbaar veel heiligen, maken dat kerken gesticht worden, dat bedevaarten worden ondernomen, dat gebeden worden gedaan, geschenken worden gebracht, waarbij de mensch des te meer zijn vertrouwen stelt op dingen buiten Qod en komt tot vervloekte afgoderij.
Het is bekend, dat Frederik de Wijze, de groote beschermer van Luther, in zijn tijd een van de ijverigste reliquieën-verzamelaars is geweest. Het was bij hem bepaald een woede geworden om allerlei heilige voorwerpen bijeen te brengen in zijn slotkerk te Wittenberg. Die Kerk welke hij van 1493—1499 van nieuws af herbouwd had, herbergde in 1509 niet minder dan 5005 heilige voorwerpen en in 1520 maar even 19013 stuks! Vele ervan had hij zelf van zijne reis naar Palestina meegebracht. Men vond er b.v. een stukje van de trap, waaronder Lazarus gelegen had; geheele hoofden, armen en beenen van kinderen, die bij, den moord te Bethlehem waren gedood; roet uit den gloeienden oven, waarin de drie jongelingen geworpen zijn; een deel van den baard van Jezus en vele dergelijke dingen.
Waar 1 Nov. de herinneringsdag aan de inwijding der kapel en 1 Nov. „Allerheiligen" was, stroomde op dien dubbel gedenkwaardigen dag een groote schare menschen naar die kerk — en daarom koos Luther 31 Oct. 1517 om aan de deur der slotkerk zijn 95 stellingen aan te slaan.
(Wordt vervolgd).
Doop en Opvoeding.
(Vervolg en Slot).
Daarom hebben onze Vaderen ook waar zij 't verst glngen in het toelaten van kinderen tot het ontvangen van het sacrament van den Heiligen Doop altijd er van gesproken en dat ernstig als eisch gesteld, dat de kinderen in het opwassen moesten onderwezen worden in de ware leer. Zelfs Roomsche en Zigeunerskinderen wilde men desnoods doopen, maar er moest door de belijdende doopgetuigen beloofd worden, dat de kinderen onder hun toezicht en met hun hulp zouden worden opgevoed en onderwezen naar den woorde Gods. Alleen zóó konden en mochten de kinderen beschouwd worden als bondelingen en het teeken en zegel van het genadeverbond ontvangen.
Daarom zal men niet curieuselijk onderzoeken, of dit of dat met het kind wel in orde is, maar de ouders of de doop, getuigen, die het kind ten Doop presenteeren, moeten in de rechte verhouding komen staan tot het genadeverbond, in welk verbond de Heere wil komen met de beloften en Hij van de ouders of doop getuigen vraagt gehoorzaamheid.
Dat raakt niet Gods verborgen wil inzake het kind ; dat raakt Gods geopenbaarden wil in betrekking tot de ouders en het kind ; Opdat Zijn verbond niet trouweloos zal worden geschonden en men niet afkeerig de ooren van God en Zijn dienst afwenden zal.
In dien weg moeten wij de grenzen van het genadeverbond trekken ; niet enger en niet ruimer ; anders loopt het in Gods Gemeente verkeerd ; gelijk het trouwens bij willekeurige practijken altijd verkeerd- afloopt.
Natuurlijk kunnen ook onder degenen die zich schikken in den weg van Gods genadeverbond vijanden van God en Zijn Woord schuilen. Maar onze vaderen hebben altijd en terecht onderscheid gemaakt tusschen openbare vijanden, die met alles gebroken hebben en zich wederstrevig tegen de ordeningen Gods en van Zijn Kerk betoonen en hypocrieten of geveinsden, die uitwendig zich voegen naar den gang van Gods gemeente, al zijn ze dan misschien inwendig, vol vijandschap, naast welke openbare vijanden en hypocrieten of geveinsden dan de ware geloovigen zijn, die zich met een oprecht hart tot God bekeeren.
De Kerk heeft dus de kinderenen haar midden geboren, te doopen. Hier hebben we te denken aan het Woord des Heeren door Ezeohièl tot de Israëlieten gesproken : „de kinderen, die gij Mij gebaard hebt" en „Mijne kinderen" en de Kerk heeft op de lijn van Gods genadeverbond acht te geven ; al zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.
Maar men voelt het, de kinderen moeten dan door de ouders of doopgetuigen in de sfeer van Christus en Zijn gemeente gebracht worden, opdat zij „'heilig" gehouden kunnen worden door de Kerk en er (getuigd kan worden „dat zij in Christus geheiligd zijn." (Zie o.a. 1 Cor. 7 vers 14).
Laat men dat los en gaat men daar onverschillig tegenover staan, niet meer vragende hoe de ouders of doopgetuigen in leer en leven zijn, dan wordt het verbond Gods ontheiligd en dan wordt ook in de opvoeding der kinderen, die minstens een uitwendige verbondsheiligheid hebben moeten als ze gedoopt zijn, geheel veracht en verworpen, wat noodig is om het verbond Gods te eeren.
Zoo komt het, dat van ouds nadrukkelijk geëist werd, als de kinderen door anderen ten doop werden gehouden, dat deze doopgetuigen zorg zullen dragen voor hun Onderwijs, wanneer zij opgroeienl
Daar mag de Kerk niet mee spelen noch ten opzichte van de ouders, noch ten opzichte van de doopgetuigen.
Want hier heeft men met volwassenen te doen, die in handel en wandel Openbaar Worden ; en met wie na de bediening van hét sacrament van den Heiligen Doop immers gebeden wordt in het dankgebed „dat deze kinderen godzalig mogen worden opgevoed" en dat zij door Gods Geest mogen worden geregeerd.
Tegenover de doopelingen zij men dus ruim, in de lijn van Gods genadeverbond. Maar tegenover de volwassenen zij de Kerk, met vasthouding aan Gods Woord eerlijk en streng, eischende, dat men instemming betuigt met de leer die naar de godzaligheid is en dat men in de opvoeding en bij het onderwijs daarnaar zal handelen, inwachtende de hulp des Heiligen Geestes. En indien bij de volwassenen het ongeloof en de ongehoorzaamheid en, de goddeloosheid zich openbaart en zij hardnekkig zioh alzoo blijven openbaren tegen alle waarschuwing en vermaning in, dan moet censuur, d.i. voorloopige afsnijding van de gemeenschap. volgen en daarna, zoo noodïg de ban, d.i. algeheele afsnijding.
Algeheele tuchteloosheid is voor de Kerk de Ondergang ; het is zeer schadelijk voor de opvoeding der kinderen en de Naam Gods wordt er door gesmaad.
Onze doopspractijk mag niet zóo zijn, dat we goddelooze en zorgelooze menschen maken. Het dankgebed na de doopsbediening spreekt wel anders !
't Moet zóó zijn, dat zij die ten doop presenteeren willen onderwijzen, doen en helpen 'Onderwijzen naar den Woorde Gods, opdat in de geslachten een volk gekweekt wordt, dat naar God vraagt en Zijn verbond niet trouweloos schendt en blijft schenden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 november 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 november 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's