Staat en Maatschappij.
Een belangrijke stap vooruit.
Voor het afdrukken van het vorig num mer van ons blad hadden wij nog juist de gelegenheid om onze lezers in kennis te brengen met het antwoord van den Minister van Financiën op de gewichtige vragen, die in het Voorloopig Verslag op zijne begrooting gedaan waren, met betrekking tot de financiëele verhouding .tusschen Kerk en Staat.
Vooral was van beteekenis de vraag of Minister de Geer de opvatting van den Minister van Binnenlandsche Zaken deelde, dat de financiëele sclieiding tussciien Kerk en Staat zonder nadere wijziging der Grondwet kan plaats vinden.
Men begrijpt het belang van het ondervv^erp.
Zou het toch zonder Grondwetsherziening niet mogelijk zijn de „zilveren Koorde" los te maken, dan was de zaak voorloopig van de baan. Immers 't mag juist verwacht worden, dat nu de Grond wet binnen enkele jaren voor de tweede maal wordt gewijzigd een revisie van onze Constitutie binnen afzienbaren tijd weer zal plaats hebben.
Daarom kreeg het antwoord van den Minister van Financiën zulk een groote beteekenis.
En in dit antwoord zijn wij niet teleurgesteld. Integendeel, het standpunt, dat mr. de Geer ten opzichte van dat van zijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken inneemt, heeft ons hartelijk verheugd.
De beide bewindslieden zijn hier één van gevoelen.
Ook mr. de Geer is van meening, dat kapitalisatie van de thans genoten inkomsten, bedoeld in artikel 17L lid l der Grondwet niet met de woorden van dat artikel in strijd zijn.
Door deze verklaring komen wij een belangrijken stap nader tot de oplossing van liet kerkelijk vraagstuk, want het mag toch verwacht worden, dat nu de regeering zich zonder eenig voorbehoud heeft uitgesproken, dat, om tot financiëele scheiding tusschen Kerk en Staat te geraken, geen nadere wijziging der Grondwet noodig is, ook van haar een wetsontwerp bij de Staten Generaal zal inkomen, dat een der desiderata is van het Gereformeerde volk in de Nederl. Hervormde Kerk.
Intusschen zal nog, alvorens een wettelijke regeling der kapitalisatie ontworpen wordt, de vraag onder de oogen zijn te zien, aan wie de gelden, die aan de rechthebbenden toekomt, zal zijn uit te betalen.
Natuurlijk moet de uitbetaling plaats hebben aan de plaatselijke kerken. Maar zal dit moeten geschieden aan de kerlcvoogdijen of zal daarvoor een ander lichaam zijn aan te wijzen ?
Voor de deskundigen om daarover liun oordeel te laten gaan.
Wellicht wil het Hoofdbestuur van onzen Bond wel advies geven.
Een zuiver geluid.
Ons nieuwe Kamerlid, prof. dr. Visscher, heeft bij de algemeene beschouwingen over de „kosten der eerediensten" in de Tweede Kamer een uitnemende rede gehouden.
Met opzet heeft hij de punten, welke wel in de stukken waren behandeld geworden, als de houding der regeering ten opzichte van de aanvrage om handopening van den kerkeraad te Hagestein, de kosten van het Kerkbestuur e.a. laten rusten, omdat deze naar Antirevolutionair beginsel tot de souvereiniteit van de Kerk behooren, en waarmede de Staat zich dus niet heeft in te laten, maar zich tot de hoofdzaak, waaromtrent alle Antirevolutionairen het eens zijn, bepaald, n.l. de losmaking van den financiëelen band, die de Kerken nog altijd aan den Staat verbindt.
Aan zijn dringende vraag, of de regeering niet spoedig zou willen overgaan tot wat zij zelve inzake de losmaking van de zilveren koorde mogelijk acht, liet de hooggeleerde spreker een lange historische, wetenschappelijke inleiding voorafgaan, waarin niet alleen op duidelijke en heldere wijze de stelling werd verdedigd, dat de Kerk de draagster is van het religieuse leven, maar ook dat in de kerken belichaamd zijn de zedelijke idealen, die als zoodanig het grootste gewicht hebben voor de zedelijke ontwikkeling van het volksleven.
Op hoogst interessante wijze betoogde de Antirevolutionaire afgevaardigde, dat het kerkelijk vraagstuk niet nieuw is, dat het aanvangt met de verschijning van den Christus Gods en in de verschillende stadia, welke het doormaakte, eerst in de eerste eeuw, in de bange worsteling, waarin het bloed der martelaren het zaad van Gods Kerk wordt ; voorts in de organisatie der Katholieke Kerk, die niet bij machte was de eenheid van het volksleven te handhaven ; daarna in den tijd der Republiek, die de Kerk tot Staatsinstrument stempelde en eindelijk door de smeltkroes der Revolutie heen als was in de hand van Koning Willem I werd, voor het leven van ons volk van groote beteekenis is geworden.
Tenslotte vestigde professor Visscher er de aandacht op, hoe het kerkelijk leven een eeuw lang ons volk heeft beroerd en thans een toestand heeft doen geboren worden, waarin honderden Kerkbesturen weigeren zich te onderwerpen aan een bestuur, welks beheer zij niet erkennen.
Herinnerende aan wat de Minister in zijne Memorie van Antwoord schrijft :
„Ook de ondergeteekende (mr. de Geer) is van meening, dat kapitalisatie van de thans genoten inkomsten, bedoeld in artikel 171, lid 1, der Grondwet, niet met de woorden van dit artikel in strijd is", concludeerde hij, dat het voor ontsluiting van een nieuwen weg voor de Kerk van het hoogste gewicht is, dat de regeering hier niet alleen zegt, dat het zonder Grondwetsherziening kan, maar d.at hefook zal geschieden.
Zoo is dan van Antirevolutionaire zijde opnieuw het kerkelijk probleem op principiëele wijze aan de orde gesteld. De oplossing van dat probleem zal de Hervormde Kerk wier beste levenssappen, door den strijd, welken zij heeft te voeren, worden verteerd, hare vrijheid terug schenken.
Intusschen zij men nu reeds gewaarschuwd tegen elke poging, die van de zijde van hen, die niet aan onzen kant staan, zal worden gedaan om het voor te stellen alsof de actie, welke van de Antirevolutionairen uitgaat, pp andere doeleinden is gericht en niet bedoelt het wezenlijk belang der Hervormde Kerk.
Daarom was het goed, dat ditmaal als woordvoerder van de Antirevolutionaire partij niet optrad de voorzitter der Kamerclub, maar prof. dr. Visscher.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's